Rotterdam 14 mei 1940



Luitenant Kolonel bd Brongers.



Nog steeds zijn in Rotterdam sporen zichtbaar van het beruchte bombardement dat op 14 mei 1940 de binnenstad verwoestte. Het was een gebeurtenis die de wereld schokte en tot lang na de oorlog historici bezighield. Over de vraag of de oorzaak in menselijk falen dan wel in misdadige opzet gezocht moest worden, bleven de meningen verdeeld. Vooral aan Duitse zijde werd herhaaldelijk getracht aan te tonen, dat de luchtaanval op een betreurenswaardige samenloop van omstandigheden had berust; een samenloop waaraan het Nederlandse optreden mede schuldig was. Deze mening werd bovenal gezaghebbend door een omvangrijke studie van de bekende Duitse historicus professor Hans-Adolf Jacobsen, die in de 'Wehrwissenschaftliche Rundschau' van mei 1958 werd gepubliceerd 1
.

De in deze studie gehanteerde argumenten schenen zo overtuigend, dat ze in ons land luitenant-kolonel H.C. Bajetto inspireerden tot het schrijven van een artikel in het Nederlands militair-wetenschappelijk tijdschrift 'De Militaire Spectator', waarin hij zich geheel met deze Duitse visie verenigde 2
. De reactie liet niet op zich wachten. Spoedig verscheen in hetzelfde blad een uitvoerig artikel van luitenant-generaal J.J.C.P. Wilson, waarin hij tot de conclusie kwam dat het betoog van Jacobsen op alle punten faalde 3. In Duitsland scheen dit geen indruk te maken; Jacobsens argumenten bleven daar gemeengoed. Het zou tot in 1979 duren, voor het Militrgeschichtlichen Forschungsamt te Freiburg tot een andere uitspraak kwam. In Nederland verschenen nog vele publikaties die - deels gebaseerd op aannemelijk schijnende veronderstellingen - de Duitse schuld
trachtten aan te tonen. De publicist L.J. Hartog tekende daar echter bij aan, dat ook aan Nederlandse zijde fouten zijn gemaakt 4
.

Voortgezet onderzoek heeft het thans mogelijk gemaakt, om uitsluitend aan de hand van de nu beschikbare documentatie, de sluier over deze zo lang omstreden zaak weg te nemen. Om dit te verduidelijken dient allereerst een korte samenvatting van de Duitse aanval te worden gegeven, voor zover die verband hield met de strijd in Rotterdam.


De Duitse aanval

In de vroege morgen van de 10e mei 1940 overschreden het 18e en 6e Leger onze oostgrens. Gelijktijdig werd in het westen van Nederland en voor het eerst in de geschiedenis een grootscheepse luchtlandingsoperatie uitgevoerd. De 22e Luftlandedivision moest om Den Haag landen, om koningin, regering en het opperbevel van onze strijdkrachten gevangen te nemen. Daarmee hoopte de vijand in n klap onze weerstand te desorganiseren en lam te leggen. Deze divisie stond onder bevel van Generalleutnant Hans Graf von Sponeck. Een andere divisie - de 7e Fliegerdivision (parachutisten) - zou de bruggen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam bij verrassing nemen. Ze stond onder bevel van Generalleutnant Kurt Student, die tevens als commandant van het gehele luchtlandingskorps optrad. Snel door Noord-Brabant oprukkende pantser- en infanterietroepen dienden vervolgens via de genoemde bruggen naar het hart van Holland door te stoten. Zo werd het schijnbaar veilig achter de stellingen liggende Rotterdam direct bij de gevechten betrokken.

Het liep echter niet zoals de Duitsers zich hadden voorgesteld. De aanslag op Den Haag eindigde in een catastrofale mislukking. Op 14 mei - de vijfde oorlogsdag waren Von Sponecks restanten samengedrongen in Overschie, in de duinen bij de Wassenaarse Slag en in het dorpje Valkenburg bij Leiden. Op de as Rotterdam-Moerdijk had de vijand meer succes. De zwakke verdedigers op het Eiland van Dordrecht - aan infanterie ongeveer n bataljon - konden niet verhinderen dat de bruggen bij Moerdijk en die te Dordrecht - zij het ten koste van hoge Duitse verliezen - verloren gingen. De stad Dordrecht bleef echter in Nederlandse handen. In Rotterdam viel het vliegveld Waalhaven na hevige strijd. De vijand bezette het zuidelijk deel van de stad en de Maasbruggen. Rekruten van de Genie en Mariniers wisten echter in samenwerking met een infanterie-mitrailleurcompagnie in de loop van de morgen van de 10e mei het Duitse bruggenhoofd op de noordelijke rivieroever grotendeels op te ruimen, met uitzondering van de vijand die zich direct ten noorden van de verkeersbrug in het zware gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank had verschanst. Er werd een front gevormd langs de Nieuwe Maas tegenover de tegenstander op de zuidelijke oever en het Noordereiland. De bruggen bleven onder vuur liggen en waren door vriend noch vijand te overschrijden. Op de volgende dagen kreeg generaal Student zijn handen vol met de bestrijding van Nederlandse tegenacties langs de rivier de Noord, de Oude Maas en bij Dordrecht. Ook de langzamerhand toenemende vuurkracht op het rivierfront te Rotterdam, verontrustte hem bijzonder. Zelfs zodanig dat hij overwoog om in het uiterste geval Rotterdam maar op te geven en zich te concentreren op de bruggen bij Alblasserdam, Dordrecht en Moerdijk 5. Zover zou het echter niet komen. In de avond van de derde oorlogsdag maakte een verkenningsafdeling van de Duitse 9e Pantserdivisie contact met de parachutisten bij Moerdijk. In de morgen van de 13e mei overschreden de Duitse tanks de verkeersbrug over het Hollands Diep en rukten op in de richting Dordrecht, waar in straatgevechten een pantseraanval werd afgeslagen. De vijand zag toen van een verovering van deze stad af en trok verder naar Rotterdam. De verdedigers van Dordrecht kregen later opdracht om achter de Merwede terug te gaan. Men hoopte op deze wijze mt de troepen achter de rivier de Noord en die in Rotterdam, een aaneengesloten, nieuw front te kunnen vormen.

Voorspel van een ramp

Op het front langs de Nieuwe Maas hadden de Duitsers sinds het begin van de oorlog geen enkele vordering gemaakt. Anderzijds was een moedig uitgevoerde poging van mariniers, de Maasbruggen te heroveren, in het Duitse vuur vastgelopen. Ondertussen had de bevolking van het Noordereiland zwaar te lijden onder het Nederlandse vuur. Hoewel dit zonder bezwaar mogelijk was geweest, weigerden de Duitsers tot op de laatste oorlogsdag, de bevolking naar het veiliger Rotterdam-zuid te laten vertrekken. Angst en wanhoop brachten twee mannen er toe, zich beschikbaar te stellen om er bij kolonel P.W. Scharroo - die als kantonnementscommandant het bevel over de troepen te Rotterdam voerde - op aan te dringen de strijd te beindigen. Het waren de kapelaan Commandeur en de heer Van der Mast, een medewerker van het Meteorologisch Instituut. De Duitse bevelhebber op het Noordereiland was Oberstleutnant Dietrich von Choltitz. Deze rapporteerde dat hij beide burgers bij zich liet komen en ze nadrukkelijk had verzocht naar de Nederlandse commandant te gaan om hem een capitulatie af te dwingen 6. Onder bescherming van een witte vlag bereikte het tweetal tenslotte de commandopost van kolonel Scharroo. Aan het verzoek werd vanzelfsprekend niet voldaan. Na hun terugkeer verbaasde dat Von Choltitz geenszins: '... De commandant had geweigerd op de een of andere wijze een bemiddeling van civiele zijde te overwegen. Hij koesterde wellicht de niet ongerechtvaardige verdenking dat hij met Nederlandse nazi's te doen had. Hij had gevraagd officieren te sturen als ik hem voorstellen te doen had. Maar waar moest ik na de zware verliezen een officier weghalen? ...6

Ondertussen heerste er aan Duitse zijde een koortsachtige activiteit. Nadat de voorste afdelingen van de 9e Pantserdivisie in de late middag van de 13e mei het zuidelijk deel van de stad hadden bereikt, scheen de kans gunstig om de in Rotterdam vastgelopen aanval te hervatten. Voor het beslissende offensief was een nieuwe strijdmacht samengesteld, onder bevel van Generalleutnant Rudolf Schmidt. Ze vormde het 39e Legerkorps en omvatte de 9e Pantserdivisie, de SS Leibstandarte ' AdolfHitler' (ter sterkte van een brigade), de 254e Infanteriedivisie, Students parachutistendivisie en de restanten van de 22e Luchtlandingsdivisie. Voorts was extra artillerie toegevoegd. Tevoren had generaal Student al voorbereidingen voor de aanval getroffen. Daarbij was voor het eerst besloten, bombardementsvliegtuigen te gebruiken:

"... Bij de voorbereidingen van de grondaanval neigden meerdere commandanten van voor de aanval bestemde troepen naar de opvatting, dat de doorbraak in de vijandelijke stellingen bij de Maasbruggen, hoge en bloedige offers van de aanvallende troepen zou vragen. De zware Nederlandse tegenstand in Dordrecht, in het bijzonder echter de recente indruk van de daar geleden tankverliezen, versterkten deze mening (. . .) Het besluit, het bombardement voor te bereiden, werd tenslotte door de tankverliezen in Dordrecht op beslissende wijze benvloed. De voortdurend groeiende zorg om de gevechtsgroepen van de 22e Luchtlandingsdivisie die ten noorden van de stad tegen een veelvoudige overmacht een wanhopig gevecht voerden, maar vooral ook de buitengewoon benarde toestand van de nog steeds in het noordelijk Maasbruggenhoofd in Rotterdam vechtende sectie van Oberleutnant Kerfin, speelden bij het besluit om in geval van nood bommenwerpers in te zetten, eveneens een belangrijke rol.. " 7.

Men maakte zich inderdaad grote zorgen over het lot van de Duitsers die zich in het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank, ten noorden van de verkeersbrug bevonden. Ze kregen de opdracht naar het Noordereiland terug te trekken, maar het Nederlandse vuur maakte dit onmogelijk. Zelfs het over de brug brengen van het betreffende bevel lukte niet 5.

Student legde de doelen voor het luchtbombardement nauwkeurig vast. Ze zouden het Maasstation en een klein gebied rondom het noordelijke einde van de bruggen omvatten. Voor een dergelijke precisie-aanval waren de Stuka duikbommenwerpers het aangewezen middel en aanvankelijk zou ook een eskader met zulke vliegtuigen worden gebruikt.

Tot zover was er geen sprake van ongeoorloofde militaire plannen. Een door bombardementsvliegtuigen ondersteunde aanval op de verdedigers langs de rivier was geen actie die door de oorlogsregels was verboden. Rotterdam was op dat moment een verdedigde stad. Artikel 27 van het toen geldende Landoorlogsreglement van 1907 (in 1909 ook door Duitsland bekrachtigd), gebood slechts het zoveel mogelijk sparen van gebouwen die bestemd waren voor erediensten, kunsten, wetenschappen en weldadigheid. Hetzelfde gold voor geschiedkundige gedenktekens, hospitalen en plaatsen waar zieken of gewonden bijeengebracht waren. Dit alles op voorwaarde dat ze niet gelijktijdig voor militaire doelen werden gebruikt. Bovendien moesten die gebouwen en plaatsen vooraf aan de tegenstander worden gemeld en voorzien zijn van goed zichtbare kentekens. Merkwaardig is, dat niet wordt gerept over het ontzien van burgers. Deze regels doen thans wellicht wat theoretisch aan. We mogen echter niet vergeten dat ze werden opgesteld in een tijd toen luchtlandingsoperaties en de situaties die daardoor konden ontstaan, volledig onbekend waren.

Ondertussen werd er op hoger niveau en geheel buiten Student om, ook al over een luchtaanval op Rotterdam gedacht en gesproken. De Duitse historicus Hans Adolf Jacobsen ging in zijn eerder genoemde, in 1958 gepubliceerde studie uitvoerig in op de omstandigheden die tot het fatale bombardement van de 14e mei hebben geleid. Om 11.45 uur op 13 mei, aldus Jacobsen, maakte het opperbevel van het Duitse leger bekend dat Fransen op Walcheren waren geland. Voorts moest men bedacht zijn op acties van lichte marineschepen tegen de bruggen in Rotterdam en bij Moerdijk. Drie kwartier eerder was in het hoofdkwartier van generaal Georg von Kchlers 18e Leger ongerustheid ontstaan over concentraties oorlogsschepen en andere vaartuigen, die de luchtmacht ter hoogte van Den Helder, IJmuiden en Hoek van Holland zou hebben waargenomen. Een landing van Britse troepen werd gevreesd.

Het verhaal over die concentraties en mogelijke landingen berust echter niet op feiten. Jacobsen had dit kunnen weten. Oberstleutnant Rieckhoff, die in 1940 tot de staf van de 2e Luchtvloot behoorde, schreef al in 1945, dat er met opzet tendentieuze en vervalste berichten over Britse landingen aan de commando-organen werden doorgegeven. Op deze wijze werden generaals om politieke redenen tot een verkeerde beoordeling gebracht, met het doel hen bepaalde beslissingen te laten nemen en tot snel handelen te dwingen 8. Jacobsen vervolgt dan:

"Zonder enige twijfel brachten deze meldingen en de toestand aan het front de staf van het leger in een sfeer van voortdurende hoogspanning. Zou het lukken de belangrijke oorlogsopdracht te vervullen, vr geallieerde eenheden vaste voet in de Vesting Holland kregen?".

Vervolgens schildert hij de toestand aan het front, zoals de Duitsers die in de middag van 13 mei zagen. Hieruit is het volgende ontleend:

"...Moeilijker verliepen ondertussen de gevechten van het 10e Legerkorps. De Nederlanders in de Grebbelinie boden taaie tegenstand. Toen het korps om 15.00 uur met steun van de luchtmacht tot de aanval overging, kwam het tot 18.20 uur weliswaar tot de west- en oostrand van Scherpenzeel, maar liep toen vast. Nog steeds waren er geen aanwijzingen dat de tegenstander zwak werd. Waarschijnlijk probeerde hij het in zijn voorbereide verdedigingsposities zo lang uit te houden, tot zijn bondgenoten nieuwe krachten ter ondersteuning hadden gestuurd. Het legerhoofdkwartier beval daarom om 16.00 uur, om op de14e mei gezamenlijk vanuit het noorden, oosten en zuiden de aanval op de Vesting Holland te beginnen. Het 39e Legerkorps moest met het zwaartepunt op de lijn Dordrecht-Rotterdam naar Utrecht doorstoten en de verbinding met de ingesloten delen van de 22e Luchtlandingsdivisie tot stand brengen..."

In de late namiddag concludeerde generaal Von Kchler dat de opmars bij de Afsluitdijk was vastgelopen en dat ook bij de Grebbelinie weinig vorderingen werden gemaakt. In beide gevechtssectoren achtte hij een snelle doorbraak, zoals die door het opperbevel was bevolen, nauwelijks te verwachten. Jacobsen vervolgt dan: "Vrijwel zeker was aan te nemen dat de Nederlanders verder vochten en er naar streefden de kleine penetratie op de Grebbeberg af te grendelen en Rotterdam te verdedigen (.. .) Er was daarom geen tijd te verliezen! Een zich vastzetten van Britse troepen moest in elk geval verhinderd worden. Bovendien dwongen de voortdurende hulpkreten van de 22e Luchtlandingsdivisie tot grote spoed (.. .). Deze of soortgelijke overwegingen kunnen aanleiding zijn geweest voor het over de radio gegeven bevel, dat generaal Von Kchler om 18.45 uur aan het 39e Legerkorps verzond:

- Tegenstand in Rotterdam dient met alle middelen te worden gebroken. Zo nodig moet met vernietiging van de stad worden gedreigd en moet die worden uitgevoerd."

Tot zover de door Jacobsen verwoorde inzichten van de Duitsers. Zeer belastend voor hen is de tekst van het zojuist genoemde telegram. Anders dan het door Student beoogde bombardement, was uitvoering van 'vernietiging' van de stad geheel in strijd met de geldende oorlogsregels. Het droeg een misdadig karakter. Jacobsen legt grote nadruk op de haast die geboden zou zijn. Het is zijn inleiding om het bombardement te verklaren. Al is het argument van dreigende Britse landingen onjuist, onbegrijpelijk was die haast niet. De aanslag op Den Haag had de oorlog in enkele uren kunnen beslissen, maar was op een catastrofale mislukking uitgelopen. Generaal Von Sponeck liep gevaar om met de laatste restanten van zijn troepen gevangen te worden genomen. De Duitse vliegtuigverliezen waren ongekend hoog. Noch in het noorden, noch op het oostelijk front van de Vesting Holland was een beslissende doorbraak geforceerd en voor Rotterdam was de opmars tot staan gekomen. Voorts werd sterke druk uitgeoefend, de strijd snel te beindigen om meer troepen beschikbaar te krijgen voor de gevechten in Frankrijk. In het oorlogsdagboek van de Legergroep B lezen we:

"De chef van de legergroep wijst er voorts op, dat de strijd in Nederland zo spoedig mogelijk beindigd moet worden, om krachten vrij te maken voor de zuidelijke vleugel van de operatie."

In zijn persoonlijk dagboek schreef de bevelhebber van deze legergroep, generaal Von Bock, dat hij op 14 mei met generaal Von Brauchitsch sprak en dat deze er op aandrong snel troepen in Nederland vrij te maken, vooral gemotoriseerde strijdkrachten. Haast spreekt ook uit de instructie die Adolf Hitler als 'Weisung Nr. 11' in de vroege morgen van 14 mei uitgaf. Ten aanzien van het Nederlandse strijdtoneel schrijft Hitler:

"Op de noordelijke vleugel is het weerstandvermogen van het Nederlandse leger sterker gebleken dan werd verondersteld. Zowel politieke als militaire redenen vereisen, deze tegenstand spoedig te breken. Het is de taak van het leger, de Vesting Holland met voldoende strijdkrachten, uit zuidelijke richting, gecombineerd met de aanval tegen het oostelijke front, snel ten val te brengen. De tank- en gemotoriseerde divisies van Legergroep B moeten, zodra ze daar operationeel niet meer nodig zijn en de toestand dit veroorlooft, vrijgemaakt worden en naar de linker vleugel worden gezonden (...). Bovendien moet de luchtmacht, onder bewuste verzwakking van de tot nu toe het 6e Leger steunende krachten, de snelle val van de Vesting Holland vergemakkelijken".

Nog onbekend met dit alles trof generaal Student de voorbereidingen die de val van Rotterdam moesten inleiden. De aanval over de rivier zou worden begonnen met een artillerie beschieting. Dan moest het bombardement volgen en vervolgens diende de overgang te worden geforceerd. Deels over de bruggen met behulp van tanks, deels bij het dorp IJsselmonde, waar men met gevorderde boten de Nieuwe Maas wilde oversteken. Uit een bewaard gebleven Duits document van 14 mei, 02.10 uur 's nachts (Ned. tijd) blijkt dat voor de aanval de 4e Groep van Lehrgeschwader 1 ter beschikking werd gesteld 9. Deze groep telde 22 tot 28 Stuka duikbommenwerpers, wat voor het beoogde doel voldoende mocht heten. Het stuk bood echter mr. Het gehele Kampfgeschwader 54, bestaande uit ruim honderd Heinkel bommenwerpers, werd eveneens voor Rotterdam bestemd. Deze toestellen waren - in tegenstelling tot de Stuka's - allerminst geschikt voor precisie-aanvallen; wl voor oppervlaktebombardementen. Overigens zouden er op 14 mei uitsluitend Heinkels boven de stad verschijnen. De Stuka's bleven weg en opereerden boven het gebied van de Grebbelinie en het Eiland Dordrecht 10.

Student was uitgeput, maar kon in de avond van de 13e mei zijn verantwoordelijkheden overdragen aan de commandant van het 39e Legerkorps, Generalleutnant Rudolf Schmidt. Deze keurde het door Student ontworpen plan goed en nam het over. Het aanvankelijk voorgenomen aanvalstijdstip moest echter door allerlei vertragingen tot driemaal toe worden uitgesteld. Het tijdschema, genoemd in Schmidts op 14 mei om 09.05 uur (Ned. tijd) uitgegeven aanvalsbevel, zag er als volgt uit:11l

13.00 uur: inschieten van de artillerie

13.05 uur: vuurconcentraties op vastgelegde doelen

13.20 uur: bomaanval door Stuka's

13.50 uur: grondaanval

(Alle tijden zijn, ook in het vervolg, in de Nederlandse tijd omgezet.)

Om 10.20 uur, drie uur voor het bombardement moest plaatsvinden, liet generaal Schmidt nog een aanvullende order uitgaan, waarin onder meer is te lezen: "Een Stuka-eskader van het Vliegerkorps Putzier is aangewezen voor steun bij de aanval".

Hieruit blijkt duidelijk dat de luchtmacht buiten hem om haar zaken regelde en Schmidt tot het laatst toe niet beter wist dan dat een Stuka-aanval zou worden uitgevoerd. Een oppervlaktebombardement zou trouwens allerminst in zijn plannen hebben gepast. De bedoeling was immers om met behulp van pantserstrijdkrachten snel door te stoten. In een brandend en verwoest Rotterdam zouden straten door puin en bomtrechters worden versperd. Ineenstortende huizen leverden gevaar op voor tanks en pantserwagens en konden de beoogde snelle doorbraak sterk vertragen, misschien zelfs tijdelijk verhinderen.

Het bombardement

De Duitsers zouden, vr zij tot actie overgingen, eerst proberen de stad zonder verliezen in handen te krijgen. Overeenkomstig het door Von Kchler gegeven bevel, verscheen in de morgen van de 14e mei op de Maasbrug te Rotterdam een Duitse delegatie, voorzien van witte vlaggen. Ze was 3 man sterk en stond onder leiding van Hauptmann Hoerst, de inlichtingenofficier van de 9e Pantserdivisie. Hij had een in erbarmelijk Nederlands gesteld stuk bij zich, dat als volgt luidde:

Aan de Kommandant van Rotterdam. Aan Burgemeester en Wethouders en die Autoriteiten van den staat in Rotterdam.

De weerstand, die in het open stad Rotterdam tegen de offensieve der Duitsche troepen getoont wordt, noodzakt mij indien Uwe weerstand niet onmiddelik gestakt wordt, die doelmatige maatregelen te nemen. Dit kan de volledige vernieling van het stad ten gevolge hebben. Ik verzoek U als een man die verantwordingsgevoel bezit, daarop aan te dringen, dat het stad niet dit zware verlies lijden moet. Als teeken van overeenstemming verzoek ik U dadelijk een parlementaire te sturen, welke die noodige vollmacht bezit. Indien ik binnen twee uuren na de overhandiging van deze mededeling keen antwoord ontvang, ben ik genoodzakt die scherpste maatregelen van vernieling te nemen.

De Kommandant van de Duitsche troepen.

Zoals blijkt was het ultimatum tevens aan de burgemeester en wethouders gericht. Overste Wilson, chef-staf van de kantonnementscommandant, noemde dit later een zeer grove intimidatiepoging, omdat hij hierin de opzet zag, via het gemeentebestuur invloed uit te oefenen op de Nederlandse commandant 3. Hierover is enige beroering ontstaan. De historisch publicist L.J. Hartog is het niet met Wilsons uitspraak eens en wel op grond van artikel 26 van het Landoorlogsreglement 12. Dit artikel luidt:

"De bevelhebber der aanvallende troepen moet, alvorens tot het bombardement over te gaan en behoudens het geval van een aanval stormenderhand, alles doen wat van hem afhangt om de overheden daarvan te verwittigen".

Bezien we de wordingsgeschiedenis van deze bepaling, dan blijkt dat het de bedoeling is, de burgerbevolking, althans vrouwen en kinderen in veiligheid te kunnen brengen, bijvoorbeeld door evacuatie 13. Hartog stelt nu - mogelijk terecht - dat de Nederlanders onvoldoende kennis van de oorlogsregels op dit gebied bezaten. Het was - zo zegt hij - voor de Duitsers een verplichting het Rotterdams gemeentebestuur te waarschuwen, zodat het de nodige maatregelen ter bescherming van de burgerij kon nemen. Hij geeft daarbij toe dat de gegeven tijd van twee uren wl veel te kort was.

In het 'Militair-Rechtelijk Tijdschrift' van april 1961 betoogt dr. M.W. Mouton daarentegen dat juist die korte termijn de schending van het Landoorlogsreglement betekent. Als de vijand werkelijk aan het bewuste artikel had gedacht, zou hij voor een grote stad als Rotterdam 12 of 24 uren ter beschikking hebben gesteld. Beide heren zijn het niet eens geworden. Hartog, die vanuit een principieel standpunt de correcte bedoeling van de adressering veronderstelt, vindt het tegenargument zwak. Toch is het moeilijk om aan te nemen dat de Duitsers de menslievende strekking van artikel 26 bewust wilden nakomen. Zelf hebben zij het nimmer tegen de door Wilson geuite kritiek aangevoerd. Als zij zich op een zo eenvoudige wijze hadden kunnen rechtvaardigen, had men dit mogen verwachten. Temeer omdat zij in tal van na-oorlogse publicaties hebben getracht de gebeurtenissen in Rotterdam in een voor hen minder ongunstig daglicht te stellen; om begrip te kweken voor wat Jacobsen rangschikte onder de "tragische ongelukken die in de niet voorziene zaken van alle oorlogen verborgen liggen en die ook door de bevelvoerende Duitse commandanten in de hoogste mate werden betreurd".

Een andere merkwaardige zaak is dat Schmidt het ultimatum liet eindigen "twee uur na de overhandiging". Merkwaardig, omdat hij niet kon weten hoe lang de parlementairs er over zouden doen om de commandant van Rotterdam te bereiken. Dit was belangrijk omdat het tijdstip waarop het bombardement bij een Nederlandse weigering moest plaatsvinden, reeds was vastgesteld op 13.20 uur. Het betekende dat de bommenwerpers al om 11.45 uur moesten starten om tijdig boven de stad te zijn.

De na hun aankomst op de noordelijke oever geblinddoekte Duitsers werden bij de kantonnementscommandant gebracht. Het was toen half elf in de morgen geworden. Hauptmann Hoerst wees er op dat er een luchtaanval verwacht kon worden. 'Vr half n', voegde hij er aan toe. Volgens de bedigde verklaring van kolonel Scharroo had de Duitser tevens gezegd dat Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Haarlem het lot van Rotterdam zouden delen indien er niet werd gecapituleerd 14. De kolonel zag dat het stuk niet was ondertekend en evenmin de naam en rang van de afzender toonde. Terecht vond hij dat voor een zo ingrijpende beslissing het advies van de opperbevelhebber generaal Winkelman - moest worden gevraagd. Hij gaf de Duitse delegatie opdracht weer te vertrekken en aan de Duitse commandant mee te delen dat er vr 12.30 uur een Nederlands parlementair zou worden gestuurd.

In Den Haag hield Winkelman, daarbij gesteund door zijn chef-staf, rekening met de mogelijkheid van een krijgslist. Het was 11.45 uur toen Scharroo door het Algemeen Hoofdkwartier in Den Haag werd opgebeld. Hij kreeg de instructie het ultimatum terug te zenden met de mededeling dat alleen een behoorlijk ondertekend geschrift dat bovendien de naam en rang van de opsteller vermeldde, in overweging kon worden genomen. Kolonel Scharroo was het daar volkomen mee eens. Hij liet de kapitein der Genie J.D. Backer bij zich komen en droeg hem op, als parlementair naar het Noordereiland te gaan. De kapitein kreeg de volgende brief mee:

Rotterdam, 14 mei 1940

Aan de commandant van de Duitse troepen.

Ik heb Uw brief ontvangen. Deze was niet ondertekend en vermeldde niet Uw militaire rang. Alvorens een dergelijk voorstel in overweging te kunnen nemen, moet dit mij bereiken, voorzien van Uw militaire rang, Uw naam en Uw handtekening. De kolonel, Commandant van de troepen in Rotterdam,

w.g. P.W. Scharroo.

Ook dit antwoord bracht na de oorlog vele pennen in beweging. Kon men wel verlangen dat een ultimatum was ondertekend? Had Winkelman wel juist gehandeld en zo niet, was hij dan niet mede verantwoordelijk geweest voor de ramp die zich in Rotterdam zou voltrekken?

De kort na de oorlog ingestelde Enqute Commissie Regeringsbeleid 1940-1945 kwam er zonder meer niet uit. Men raadpleegde daarom een bekend deskundige op het gebied van het volkenrecht, professor mr.dr. J.P.A. Franois. Deze begon met te stellen dat er geen enkele regel bestond die eiste dat een ultimatum ondertekend moest zijn. Wel diende de echtheid van het stuk vast te staan. Anderen, onder wie de publicist L.I. Hartog en de jurist dr. M.W. Mouton, zijn daarop uitvoerig ingegaan 15. Volgens eerstgenoemde was er aan Nederlandse zijde onbewust en door onvoldoende kennis van de oorlogsregels, een fout begaan. Aan de echtheid zou volgens hem niet getwijfeld kunnen worden. De Duitsers hadden immers officieren gezonden die duidelijk waarneembaar van de frontlinie kwamen, voorzien van witte vlaggen en geheel voldeden aan de eisen van het oorlogsrecht. Voorts stelt hij dat een ultimatum zelfs niet ondertekend mg worden. Vermelding van naam en rang zou immers de aard en mogelijk ook de tactiek van het afzendende onderdeel kunnen verraden. Dat zou de tegenstander - in dit geval de Nederlanders - inlichtingen verschaffen en dus de eigen partij benadelen. Dit laatste kon nooit de bedoeling van het oorlogsrecht zijn. Men mocht en kon dit dus ook niet eisen. Burgemeester Oud van Rotterdam bleek ongeveer dezelfde mening toegedaan.

Dr. Mouton verduidelijkte echter dat degene aan wie het ultimatum gericht was, de overtuiging moest hebben dat het ook werkelijk afkomstig was van de hoogste vijandelijke militaire bevelhebber ter plaatse. Omgekeerd diende die bevelhebber die overtuiging mogelijk te maken. Hij kon dat doen door het zenden van een officier met een witte vlag, zoals omschreven in het Landoorlogsreglement. Zo'n parlementair kon zijn bericht zowel schriftelijk als mondeling overbrengen. Andere mogelijkheden om de geloofwaardigheid te vergroten zijn het gebruik van officieel, met een briefhoofd voorbedrukt papier, het gebruik van een officieel stempel, het vermelden van naam, rang en handtekening enz. Vaste regels hieromtrent bestaan niet. Dat het ultimatum werd teruggestuurd, aldus Mouton, kan twee oorzaken hebben: f men was niet van de echtheid overtuigd, hetgeen een heel persoonlijke zaak is, f men achtte het niet wenselijk er direct op in te gaan en zond het terug om tijd te winnen. Dit laatste is volkomen verantwoord, indachtig de spreuk: de krijgsman wint reeds veel, al wint hij niets in tijd.

Het zal niemand verbazen dat de verantwoordelijke Nederlandse bevelhebbers met klem betoogden, aan de echtheid te hebben getwijfeld. Het stuk was geschreven op wit papier, zonder enig briefhoofd en toonde geen enkel stempel of iets van dien aard. Generaal Winkelman noemde het "een vodje papier"16. Luitenant-kolonel Wilson drukte zich op nagenoeg dezelfde wijze uit: "Een vodje papier van onbekende herkomst" en voegde daar onder meer aan toe:

"Aangezien de gehele Nederlandse verdediging intact was, kon er geen sprake zijn van een capitulatie, afgedwongen door een dreigement op een ongetekend stuk papier (...) Een capitulatie in de morgen van de 14e mei zou onverantwoordelijk zijn geweest en zou de commandant terecht voor een krijgsraad hebben gebracht' . Op het Algemeen Hoofdkwartier was aan de mogelijkheid van een list, een mystificatie gedacht:

"Stel dat de opperbevelhebber was ingegaan op het dreigement van een ondergeschikte commandant! Alle vergoten bloed, alle energie door de Rotterdamse troepen en bevolking tentoongespreid, zouden tot niets hebben gediend en in een ogenblik van zwakte zijn verspeeld", aldus generaal-majoor H.F.M. Baron van Voorst tot Voorst, de chef-staf van de opperbevelhebber. Nu kan men tegenwerpen dat de betrokkenheid van deze officieren geen onpartijdigheid garandeerde. Aan het oordeel van de eerder genoemde professor mr.dr. J.P.A. Franois, een deskundige bij uitstek op het gebied van het volkenrecht en iemand die voor het gebeurde in Rotterdam geen enkele verantwoordelijkheid droeg, mag daarom een zeker gezag worden toegekend. Hij begon met te stellen dat een ultimatum niet getekend behoefde te zijn. De situatie en het document kennend, vond hij dit laatste echter "een zonderling geschrift". Verder merkte hij voor de enqutecommissie op:

"Ik kan volkomen begrijpen dat de verantwoordelijke man aarzelde over de vraag, of hij dit als een authentiek geschrift van de bevelhebber van de troepen moest beschouwen. Achteraf beschouwd is het natuurlijk te betreuren dat hij hieraan geen geloof heeft gehecht. Het lijkt mij echter dat hij gerechtigd is geweest, wanneer hij een dergelijke stuk kreeg, dat hij zich eerst zekerheid ervan verschafte". Op de tegenwerping dat de Duitsers toch een officier met een witte vlag als parlementair hadden gestuurd, antwoordde Franois: 'Ja mijnheer de voorzitter, maar dat sluit niet uit dat het een opzet zou kunnen zijn geweest van lagere officieren die dachten: misschien lopen zij er in,17. De reeds geciteerde motieven van generaal Van Voorst tot Voorst noemde hij tenslotte 'zeer deugdelijk'.

Na dit voor de schuldvraag belangrijke intermezzo, vatten we de draad van de geschiedenis weer op. Kapitein Backer kwam met het Nederlandse antwoord tussen 12.15 en 12.20 uur op het Noordereiland aan. Generaal Schmidt, die in gezelschap was van generaal Student en generaal dr. Alfred Ritter von Hubicki (de commandant van de 9e Pantserdivisie), reageerde gergerd, maar voldeed aan de Nederlandse eisen. Professor Franois zou hierin later Schmidts erkenning zien, dat het eerste ultimatum fout was. Volgens Hartog was Schmidts kennis van de oorlogsregels onvoldoende en had hij zich laten overbluffen door Backers: '

"U weet toch generaal, dat een ultimatum ondertekend behoort te zijn?".

De Duitse generaal schreef nu persoonlijk de eis tot overgave en voegde daar een aantal opdrachten aan toe. Bedreigingen bleven ditmaal achterwege. Het nieuwe ultimatum diende vr 16.20 uur beantwoord te worden. Kapitein Backer nam het stuk aan, las het zelf nog eens door en vertrok. Tot halverwege de Maasbrug werd hij uitgeleide gedaan door Oberstleutnant Von Choltitz. Plotseling klonk het aanzwellend gedreun van vele vliegtuigen. Beiden begrepen intutief dat er iets mis ging. Von Choltitz nam snel afscheid en rende ontzet terug. Zo begon omstreeks 13.30 uur, lange tijd voor de afloop van het zojuist ontvangen ultimatum, het bekende en verschrikkelijke bombardement op Rotterdam. Onbeschrijflijk was het leed dat over de bevolking werd gebracht.

Hoe had dit nu kunnen plaatsvinden? Om dit te verklaren gaan we terug naar het moment dat de Duitse parlementair Hauptmann Hoerst bij generaal Schmidt terugkeerde, na zijn gesprek met kolonel Scharroo. Hoerst zei de generaal dat hij er van overtuigd was dat Rotterdam zou capituleren. Op het ultimatum kon naar zijn mening slechts met ja of nee geantwoord worden. Als het nee was geweest zouden de Nederlanders toch niet hebben toegezegd een parlementair te sturen? Schmidt geloofde dat ook. Hij gelastte de voorgenomen artilleriebeschieting af. Verder gaf hij om 12.00 uur een telegramtekst op, bestemd voor de 2e Luchtvloot. De tekst luidde:

"Aanval wegens onderhandelingen uitgesteld; onmiddellijk weer startgereed opstellen" .

Dit hield in dat het bombardement tot nader order niet mocht doorgaan en de reeds opgestegen bommenwerpers zich na terugkeer gereed dienden te houden om bij een eventuele afwijzing van het ultimatum, direct te kunnen opstijgen. Omdat het bericht eerst vercijferd moest worden en de verbindingen herhaaldelijk gestoord waren, vond de verzending eerst 35 minuten later plaats, zoals het bewaard gebleven telegram toont. De ontvangst door de staf van de 2e Luchtvloot werd om 12.42 uur bevestigd. Voor Schmidt was de zaak daarmee voorlopig uitgesteld.

Op dat moment waren de bommenwerpers al bijna een uur onderweg vanaf drie om Bremen liggende vliegvelden. Indien Rotterdam ondertussen zou capituleren, diende het verband over de radio te worden teruggeroepen. Dit alles zou niet zo bezwaarlijk zijn geweest indien men op het radiocontact met de toestellen had kunnen vertrouwen. Maar dat was - volgens de Duitsers zelf - herhaaldelijk gestoord. Dit maakte het star vasthouden aan het schema al een onverantwoordelijke daad. Zeker in dit geval, waar de levens van zovele burgers op het spel stonden, had men mogen verwachten dat de toestellen pas bevel kregen om op te stijgen, als definitief vaststond dat het ultimatum was afgewezen. Een andere veilige mogelijkheid was geweest, de eskaders eerst toestemming voor de aanval te geven, nadat ze daartoe over de radio opdracht hadden gekregen. Generaal Student zou hieromtrent opmerken: "Het was een onvergeeflijke fout van de Duitse bevelvoering, dat ze niet onmiddellijk een zorgvuldig onderzoek instelde en niet alle documenten voor de gehele wereld openbaar maakte" .18.

Wat was er nu met Schmidts afgelastingstelegram gebeurd? Na ontvangst door de 2e Luchtvloot om 12.42 uur, moest het naar het betreffende 'Fliegerkorps' bij Bremen worden doorgegeven, waarna men via het vluchtleidingscentrum de vliegtuigen kon oproepen. Na ontvangst van een schriftelijk, geclassificeerd bericht, wordt dit geregistreerd, ontcijferd en afgeleverd bij de bevoegde stafofficier. Bij wederom verzenden dient een telegramformulier te worden ingevuld, waarna registratie, vercijfering, verzendgereed maken en verzending volgt. In de studie van de reeds enkele malen geciteerde Hans-Adolf Jacobsen wordt gewezen op de vrij lange tijd die vercijfer- en ontcijferprocedures in beslag moest nemen. Niet ten onrechte. Zelfs bij de huidige, sterk verbeterde methodes mag bij een dergelijke procedure een tijdsduur van 10 minuten tussen ontvangst van de klare tekst bij het verzendende radiostation en het afleveren van de gedecodeerde tekst bij de staf van het geadresseerde onderdeel, minimaal worden geacht. Als we daar niettemin van uitgaan ontstaat het volgende schema: 12.42 ontvangst door radiostation 2e Luchtvloot te Mnster, 12.52 bij de staf 2e Luchtvloot, 13.02 verzending naar het station van het Fliegerkorps te Bremen, 13.12 bij de staf Fliegerkorps. Daarna moest de afgelasting d.m.v. een codewoord naar het vluchtleidingscentrum worden doorgegeven, die het op zijn beurt naar het bombardeerverband moest zenden. Ook dat kostte vanzelfsprekend enige tijd. Deze - optimistische - berekening maakt al duidelijk dat pas enkele minuten vr het vastgestelde tijdstip waarop het bombardement diende aan te vangen, met het (vergeefs gebleken) oproepen van de vliegtuigen kon worden begonnen.

We keren terug naar het Noordereiland, waar de Duitse generaals het naderend onheil bemerkten. Generaal Schmidt was verrast. Hij had toch om 12 uur een telegram verstuurd om de aanval uit te stellen? Konden zij het gevaar nog afwenden? Hiervoor bestond inderdaad een door hen onmiddellijk toegepaste maatregel: het afschieten van lichtseinen. Aan een bepaalde kleur kon per dag een bepaalde betekenis worden toegekend. Binnen het bevelsgebied van het 39e Legerkorps was dit op 14 mei 'rood' voor afgelasting van een bombardement of beschieting en 'wit' om te voorkomen dat eigen troepen door vliegtuigen werden aangevallen 19.

Dergelijke afspraken waren in feite routinezaken in de bevelen, maar juist in dit geval was het ondoordacht. Indien de noodmaatregel mocht mislukken, te laat zou komen of niet door de vliegtuigen werd opgemerkt - er hing nogal wat rook van branden in het frontgebied - dan zouden er vr de afloop van het ultimatum nodeloos talrijke slachtoffers kunnen vallen. Wat kon er op tegen zijn de zaak om te draaien? Te bevelen dat het bombardement slechts mocht doorgaan indien er een bepaalde kleur lichtkogel werd afgeschoten? Helaas is dit niet in de gedachten van Schmidt of Student opgekomen. Maar was men nu werkelijk afhankelijk van een ouderwets middel als vuurwerkseinen? Waren de modern uitgeruste strijdkrachten van onze tegenstander dan niet in staat de vliegtuigen - vanaf de grond - over de radio te waarschuwen? 'Neen' zegt professor Jacobsen, want "een direct radiocontact tussen de voorste linie en het gevechtskader was er in die tijd nog niet".

"Ja", zegt Oberstleutnant Von Choltitz, want de vliegtuigen hadden bevel om vr hun aanval met de plaatselijke Duitse commandopost verbinding op te nemen. Die poging was echter mislukt 20. Ook generaal Kesselring, de bevelhebber van de 2e Luchtvloot, bevestigt dat er een grond-lucht verbinding bestond. Volgens hem had hij de commandant van het bombardeerverband vr de start herhaaldelijk en in het bijzonder gewezen op mogelijke lichtsignalen en herkenningstekens en hen opgedragen voortdurend te letten op 'handhaving van de radioverbinding met het radiostation van het luchtlandingskorps'. Wel voegde hij er aan toe dat er een gespannen toestand ontstond, omdat sedert een bericht van Student in de morgen van deze dag, geen verbinding meer tot stand was gekomen. Hierdoor bleef de luchtvloot in het ongewisse over de situatie in en om Rotterdam 21.

Wie had er nu gelijk? Dat hadden allen, hoe vreemd het ook mag klinken. Jacobsen was alleen niet volledig. Hij zegt slechts dat men in die tijd nog geen middel had om vanuit 'de voorste lijn' contact met de aanvallende vliegtuigen op te nemen. De daarvoor benodigde lichte apparatuur voor luchtsteunverbindingen was er inderdaad niet. Maar op een wat hoger niveau, achter de voorste lijn, bestond zo'n verbinding wel. Hiervoor waren grotere toestellen bestemd, die niet als draaglast te vervoeren waren. Dank zij het bewaard gebleven bevel van het luchtlandingskorps voor de aanval op Nederland, weten we vrij nauwkeurig hoe de radionetten waren gegroepeerd. In de verbindingsbijlage bij dit bevel is onder meer bepaald dat met name genoemde staven opgenomen dienden te worden in een net dat Stern-II werd genoemd 22. Dat net kon - al naar gelang de behoefte - gebruikt worden voor de verbinding vanaf de grond met vliegtuigen, tussen vliegtuigen onderling of voor rechtstreeks contact met Duitsland 23. Onderling verkeer tussen de grondstations in Nederland was niet rechtstreeks mogelijk, wel via een aantal andere grond-radionetten. Bij Rotterdam vond men volgens het bevel slechts twee stations die de mogelijkheid bezaten in het genoemde net contact met vliegtuigen op te nemen: n voor de korpsstaf van generaal Student en n voor het parachutistenbataljon dat op Waal haven was geland. Het vliegtuig waarin dit laatste toestel was vervoerd, ging echter al op 10 mei verloren. Het is dus juist, dat op het moment waarop men de bommenwerpers zag naderen, vanaf het Noordereiland niet meer door Schmidt of Student ingegrepen kon worden. Nog afgezien van het beweerde uitvallen van de radioverbinding, was het toen al te laat om nog een bericht naar de Duitse staf in Rijsoord te laten zenden of te brengen.

We laten Students biograaf Hermann Gtzel aan het woord 24:

"Ontzet riep generaal Schmidt uit: 'Om Godswil, dat wordt een catastrofe! Generaal Schmidt en generaal Student stamden uit de school van het oude Koninklijke Pruisische leger. De strenge erecode van het officierskorps van dit leger was hen in hart en ziel gegrift. Een wapenstilstand breken of een parlementair ook maar een haar krenken, gold als het toppunt van eerloosheid. Voor een dergelijke monsterachtigheid was in het denken van deze beide ridderlijke officieren geen plaats. Machteloos moesten ze toezien hoe de vliegtuigen de ten noorden van de bruggen gelegen doelen naderden (.. .). Als laatste middel restte slechts het afschieten van rode lichtkogels. Beide generaals schoten ze onmiddellijk in de lucht. Dit teken werd door alle Duitse troepen in de buurt waargenomen. . . vergeefs. De uit het oosten aanvliegende formatie opende de bomluiken: de aanval begon. In de hoop dat op een of ander moment de rode lichtkogels toch nog gezien zouden worden, werd het afvuren op grotere schaal voortgezet. Nauwelijks had de uit oostelijke richting aanvliegende formatie haar aanval beindigd, toen uit het zuidwesten opnieuw een ander bommenwerpersverband in zicht kwam. Onafgebroken werden ook nu rode lichtkogels zo snel mogelijk achter elkaar afgeschoten..."

Het 54e Kampfgeschwader was begonnen het vonnis te voltrekken. Met Heinkel bommenwerpers; er kwam geen Stuka aan te pas. De vliegers moesten hun bomtapijten in twee verschillende stroken leggen, die met de Nieuwe Maas als basis, een driehoek vormden. Hierdoor werd bereikt dat de gesoleerde Duitse afdeling in het bankgebouw ten noorden van de Maasbruggen niet werd getroffen. Het resultaat was wel, dat het in niets meer leek op het door Schmidt gewenste tactische bombardement. Niet de verdedigers langs de rivier, maar het hart van de stad werd getroffen. Het was de burgerbevolking die in het inferno terecht kwam.

Vr het Rotterdam bereikte, had het verband zich in tween gesplitst. En deel bleef onder bevel van de Kampfgeschwader-commandant, Oberst (=kolonel) Lackner. Het vloog rechtstreeks op de stad aan om de rechterzijde van de driehoek voor zijn rekening te nemen. Die liep vanaf het oostelijke stadsdeel Kralingen naar het centrum. Vervolgens moest de andere formatie vanuit het zuidwesten naderen en het linkerbeen van de driehoek bombarderen. Dat zou geschieden in een baan die ten westen van de Leuvehaven begon en waarvan de as de strook van Lackner ongeveer ter hoogte van het station Delftse Poort (thans Centraal station) kruiste. Dit verband stond onder commando van Obersleutnant Hhne. Oberst Lackner zegt in zijn verslag te hebben geweten, dat er vanaf het Noordereiland rode seinpatronen zouden worden afgeschoten indien de bomaanval niet mocht doorgaan. Hij had ze echter niet gezien. Later verklaarde hij dat rook, o.a. van het brandende stoomschip 'Statendam' hiervan de oorzaak kon zijn. Inderdaad brandden bij de Holland-Amerikalijn twee grote schepen en enkele loodscomplexen. In het stadscentrum woedden al sinds enkele dagen omvangrijke branden aan de Boompjes en rond de Blaak. Al die rook en walm werd door de heersende westenwind in de richting van het bomeskader gedreven. Overigens hebben ook de Nederlanders in het oosten van Rotterdam de lichtkogels niet gezien.

Oberst Lackner had via de boordradio de mogelijkheid om contact op te nemen met de direct n zijn aanval uit het zuidwesten komende formatie van Oberstleutnant Hhne. Daar zich geen onverwachte situaties voordeden en hij ook geen lichtkogels zag, bleef dit achterwege.

Het voortgezette afschieten van de lichtkogels had tenslotte toch nog enig resultaat, want Hhne - die door zijn aanvliegrichting minder last van de rook had - zag ze wl. Het eskader draaide af, maar niet voordat de eerste toestellen hun bommenlast al hadden afgeworpen. Hhne heeft daarna, volgens tevoren verstrekte opdracht, tot tweemaal toe gelegenheidsdoelen in de Hoekse Waard aangevallen, waaronder de plaatsen Strijen en Strijensas 25. Volgens Duitse gegevens hadden in totaal 57 Heinkels (54 van Lackner en 3 van Hhne) 158 bommen van 250 kilo en 1150 van 50 kilo op de stad geworpen. Aangewakkerd door de wind, breidde de brand in Rotterdam zich met een angstwekkende snelheid uit. De brandweer stond vrijwel machteloos. Tot overmaat van ramp bleek ook nog een hoofdleiding van de gemeentewaterleiding te zijn getroffen. De Duitsers hebben naderhand enkele merkwaardige oorzaken opgesomd die moeten verklaren hoe het mogelijk was dat ondanks het maar gedeeltelijk uitgevoerde bombardement, zo'n groot deel van de binnenstad werd verwoest. Zo beweerde Albert Kesselring, destijds bevelhebber van de Duitse 2e Luchtvloot, tijdens het proces in Neurenberg dat brandende olie uit een getroffen margarinefabriek zich had verspreid. De opperbevelhebber van de Duitse luchtmacht, Hermann Gring, vertelde een overeenkomstig verhaal. De bekende Duitse historicus Cajus Bekker heeft het over een Rotterdamse brandweer waarvan de kern zou hebben bestaan uit wagens van dezelfde soort als de schilder Jan van der Heyden in 1672 uitvond. Ook hij komt met het fantastische verhaal over vet en olie van de margarine-industrie 26. En wat te denken van de even onjuiste als schaamteloze opmerking die de eveneens bekende auteur Werner Haupt zich veroorloofde: 'Dat Rotterdam niet geheel in vuur en rook is ondergegaan, heeft het te danken aan het 1e Duitse Politie-brandweer Regiment van Oberst Rumpf (...) De Nederlandse brandweer, die geen enkele motorspuit bezit (!) faalt volledig.27

De terreur

Tot nu toe zou men nog kunnen spreken van een door menselijke fouten en slordigheden veroorzaakte noodlottige samenloop van omstandigheden.

Om de eerder toegelichte redenen is het uitgesloten dat de Duitse bevelhebber van de grondstrijdkrachten te Rotterdam, tevoren op de hoogte is geweest van het bombardement zoals dat uiteindelijk werd uitgevoerd. Schmidt wilde slechts een beperkte, tactische bomaanval op de verdediging langs de Nieuwe Maas. Tot het laatste ogenblik heeft hij een Stuka-aanval verwacht, zoals uit zijn - toen geheimeop 14 mei gegeven bevelen duidelijk blijkt. Een verwoesting van het centrum zou hem alleen maar in zijn voorgenomen opmars kunnen hinderen. Dit alles wil niet zeggen dat hij geen ernstige fouten heeft gemaakt. Ze zijn in het voorafgaande genoemd en in beschouwing genomen. Daarmee is de zaak echter enigszins afgedaan. Op een hoger, politiek niveau had zich tevoren heel wat afgespeeld.

Zoals we ons uit Hitiers 'Weisung Nr. 11' herinneren, was de Nederlandse tegenstand hem sterker gebleken dan hij had verwacht. Om 'zowel politieke- als militaire redenen' moest daar nu snel een eind aan komen. Het zwaartepunt van de beslissende aanval had hij zelfs aangegeven: in het zuiden van de Vesting Holland. Dat wil zeggen over de as Moerdijk-Rotterdam.

In overeenstemming met Hitlers wensen drongen de opperbevelhebber en de chefstaf van het leger (Von Brauchitsch en Halder) eveneens op spoed aan. Het werd overgenomen door de bevelhebbers van Legergroep-B (Von Bock) en het 18e Leger (Von Kchler). Tot de uitvoerders behoorden in de eerste plaats de luchtmacht van maarschalk Gring. Het aanvankelijk door generaal Student ingediende en later door generaal Schmidt overgenomen verzoek, de aanval over de Nieuwe Maas door een luchtbombardement op de Nederlandse verdedigers te laten voorafgaan, ging bij de Duitse luchtmacht een eigen leven leiden. Sleutelfiguren in deze zaak waren Gring en de bevelhebber van de 2e Luchtvloot, generaal Kesselring. Door hen werd besloten het bombardement uit te voeren op een door hen bepaalde wijze. In zijn in 1953 uitgegeven werk 'Soldat bis zum letzten Tag' schrijft Kesselring:

"... Ik stel ook op deze plaats vast, dat tussen mij en Gring voor de start van het eskader, urenlang opgewonden telefonische discussies plaatsvonden over de vraag hoe en Of de aanval wel uitgevoerd moest worden". 28.

Het antwoord op de vraag 'hoe' gaf de uitvoering duidelijk te zien. De aanvankelijke toegewezen Stukagroep kreeg een andere taak; alleen de Heinkels van het 54e Kampfgeschwader voerden de actie uit en wel in de twee, ons reeds bekende stroken. Daarmee werd het risico de kleine Duitse afdeling in het bankgebouw te treffen, nagenoeg uitgesloten. Maar daarmee werd k de burgerbevolking en niet het militaire element langs de rivier het doelwit. Het had alle kenmerken van een terreurbombardement. Terreur sprak ook uit Von Kchlers beruchte telegram van 13 mei, waarin hij opdroeg de stad zo nodig met vernietiging te bedreigen en die ook uit te voeren.

Jacobsen probeert dat in zijn studie wat te verzachten door op te merken dat hier slechts sprake was van een poging om door 'intimidatie en druk' de strijd zonder verder bloedvergieten snel te beindigen. Met andere woorden: het lag meer in het vlak van de psychologische oorlogvoering. Als dat juist is, zou Von Kchler dat beslist duidelijk hebben gemaakt. Zijn bevel was echter een aan een ondergeschikt Duits commando gerichte opdracht die niet voor andere uitleg vatbaar was en onvoorwaardelijk opgevolgd diende te worden.

Kesselring suggereert met zijn 'opgewonden telefonische discussies' dat hij - in tegenstelling tot Gring - geen voorstander van het bombardement is geweest. Het doet er verder weinig toe. Hij was het uiteindelijk met de uitvoering eens en bleef ook in zijn genoemde boek volhouden dat de aanval 'tegen de verdedigers' was gericht en dat de bommen op het doel lagen. Om de verwoesting in de stad te verklaren komt ook hij met het fantasieverhaal over brandende, zich verspreidende olie en vetten. In zijn ijver zijn onschuld aan te tonen, maakt Kesselring nog een merkwaardige fout. Na de oorlog als getuige opgeroepen voor het Internationaal Militair Tribunaal te Neurenberg, verklaarde hij niets te hebben geweten van lopende capitulatieonderhandelingen. In zijn boek zegt hij dat eveneens, maar citeert even later zelf het verslag van Oberst Lackner, waarin deze duidelijk stelt dat zijn eskader kort vr de start, van het luchtvlootcommando (van Kesselring!) de mededeling kreeg dat de overgave van Rotterdam was geist. Kesselrings chef-staf, generaal Wilhelm Speidel, maakt dit zo mogelijk nog duidelijker:

"Het eskader werd voor de start nog eenmaal op de hoogte gebracht dat capitulatieonderhandelingen waren begonnen, dat het daarom tot op het laatst toe over de radio bereikbaar moest zijn en dat bovendien bij het naderen van het doel op rode lichtkogels gelet moest worden, die het teken moesten zijn dat de stad Rotterdam niet moest worden aangevallen." 29.

Gring noch Kesselring lieten de Duitse troepen in Rotterdam inlichten over de door hen bepaalde uitvoering van het bombardement. Maarschalk Grings minachting voor de onderhandelingen bleek uit het 'desondanks' van zijn te Neurenberg gesproken woorden:

"Toen de eerste groep (bommenwerpers) arriveerde, waren voor zover ik weet de onderhandelingen voor de overgave aan de gang, maar nog niet tot een duidelijk einde gebracht. Desondanks werden rode lichtkogels omhoog gezonden." 30.

Gring wilde zijn bombardement en vond in Kesselring zijn medewerker. Door een niets ontziend terreuraanval op de burgerbevolking kon hij het zo dringend gewenste einde van de strijd op radicale wijze, onder groot machtsvertoon en met de meeste spoed forceren. Mocht Rotterdam zich vr die tijd overgeven dan was dat doel eveneens bereikt, maar hij wilde zijn oplossing onder geen beding door onderhandelingen laten vertragen. Zoals straks zal blijken, zou hij later nogmaals blijk geven van dit misdadig denken. Uitgaande van Grings mentaliteit zijn er in tal van na-oorlogse publicaties nog een aantal denkbare, extra verzwarende factoren opgesomd. Zo kon hij Schmidts telegram voor de afgelasting, al dan niet met medeweten van Kesselring, met opzet hebben achtergehouden. Het falen van de verbindingen kon verzonnen zijn. Hij kon geheime instructies hebben verstrekt, de lichtkogels te negeren. Naderhand zou men dan gemakkelijk kunnen zeggen, ze niet te hebben gezien (hoewel Hhne er wl op reageerde). Voor deze en andere veronderstellingen ontbreekt echter elke vorm van bewijs. De wl aan de hand van de documenten te staven zaken zijn overigens meer dan voldoende om Grings misdadige opzet aan te tonen.

Toch bleven Duitse auteurs, waarbij historici van naam, ook na de Tweede Wereldoorlog ontkennen dat het de bedoeling was geweest, door vernieling van Rotterdam de oorlog in Nederland te beslissen. Eerst in 1979 lezen we in het door het gezaghebbende Militrgeschichtlichen Forschungsamt uitgegeven werk: 'Das Deutsche Reich und der zweite Weltkrieg':

'... Toen sterke tegenstand in Rotterdam de snelle bezetting van Nederland in gevaar bracht, beval Gring op de 14e mei een geconcentreerde luchtaanval op deze stad, om een snellere capitulatie te bewerkstelligen. Volgens de aantekeningen van het hoofd van de afdeling operaties van de luchtmachtstaf, generaal Von Waldau, bleef slechts deze radicale oplossing over." 31.

Hiermee kunnen de discussies over de vraag of hier al dan niet sprake is geweest van een terreurmaatregel, als afgesloten worden beschouwd. Volledigheidshalve moet nog een Duitse tegenbeschuldiging worden vermeld, zoals die onder andere door professor Hans-Adolf Jacobsen werd verwoord. Die luidt, dat de Nederlanders medeverantwoordelijk voor het bombardement zijn geweest, omdat zij een 'vertragingstactiek' hadden gevolgd. Ze hadden geprobeerd tijd te winnen door te weigeren op een niet ondertekend ultimatum in te gaan en dit bezwaar pas op het laatste moment kenbaar te maken. Nog afgezien van de vraag of men inderdaad tijdwinst heeft beoogd, is het een volkomen legale zaak te trachten dit binnen de gestelde mogelijkheden te bereiken. Bovendien hebben de verdedigers het onbetwistbare recht een ultimatum zo laat mogelijk te beantwoorden. Het dient slechts in de door de vijand zelf gegeven bedenktijd te geschieden. Dat laatste is ook gebeurd.

Jacobsens verwijt is ondoordacht. Want wat had hij anders gewild? Natuurlijk een capitulatie vr het einde van de eerste termijn, dus vr half n. Het zou niets hebben uitgemaakt, want wat had generaal Schmidt in dat geval kunnen doen? De bomaanval afgelasten? Neen, want dat had hij - alsof er reeds was gecapituleerd(!) - alom 12 uur gedaan. Een herhaling zou overbodig zijn. Het zou ook nutteloos zijn geweest, want zo'n tweede telegram was dan ng later aangekomen en volgens de Duitsers zelf was er geen radiocontact met de vliegtuigen mogelijk. Kortom, er zou precies hetzelfde zijn gebeurd. Rotterdam was ook dn gebombardeerd. Het maakt ook de discussie omtrent de Nederlandse reacties op het ultimatum slechts van academisch belang.

De gevolgen

Terwijl de bommen vielen, slaagde kapitein Backer er in om na een bange tocht de commandopost van kolonel Scharroo te bereiken. Het nieuwe, reeds door de vijand geschonden ultimatum had hij bij zich. Even later arriveerde burgemeester mr. P.J. Oud van Rotterdam, in gezelschap van wethouder J. Brautigam. Er volgden dramatische ogenblikken. Alle telefonische verbindingen met Den Haag waren door de luchtaanval verbroken. Als commandant van Rotterdam stond Scharroo nu alln voor de zwaarste beslissing van zijn leven. In het besef wat dit voor het gehele land kon betekenen, vormde die verantwoordelijkheid een bijna ondraaglijke last. De burgemeester en de wethouder drongen met klem aan op capitulatie. Er volgde een discussie, waaraan ook de aanwezige officieren deelnamen. Overste Wilson maakte er plotseling een eind aan door te zeggen: "Kolonel, ik ben hier als gemachtigde van de opperbevelhebber. Namens de opperbevelhebber vraag ik U welke beslissing U, afgesneden van Uw chefs, neemt." Het antwoord kwam zacht en moeizaam: "capituleren". Kolonel Scharroo, die al die dagen door zijn rust en standvastigheid het respect van zijn mensen had afgedwongen, was een gebroken man. Hij huilde. Voor de enqutecommissie zou hij na de oorlog verklaren:

"Verder beschikte ik over slechts weinig troepen; een enkele ongeoefende marinier - er waren 150 mariniers -; ik had 900 rekruten van de genie die pas veertien dagen onder de wapenen waren, de stakkerds. Zij hebben als leeuwen gevochten, vijf dagen lang (...) De oudere soldaten kunnen zeggen: ik heb mijn plicht gedaan. Maar voor die jongens vind ik het heel bar dat daar nooit enige aandacht aan is geschonken. Het waren kinderen van 19 jaar, die nog nooit gediend hadden. Ze konden nauwelijks een geweer vasthouden; zij hadden nooit geschoten, zelfs niet met lichte patronen en hebben daar vijf dagen als leeuwen gevochten. Toen ik om hulp vroeg kreeg ik enkele uitgeputte bataljons infanterie, die aankwamen en moesten rusten en niets meer waard waren, de uitzonderingen niet te na gesproken (...) Met deze ongelukkige, slecht bewapende kinderen heb ik het nog vijf dagen volgehouden. Maar toen dacht ik, dit kan toch niet lang meer duren. Als ik niet capituleer, zal het toch een dezer dagen moeten gebeuren. Hulp krijg ik niet..."

Er werd op 14 mei een ordonnans-officier naar Den Haag gestuurd, waar generaal Winkelman het capitulatiebesluit van Scharroo goedkeurde. Voor het zover was arriveerde de kolonel - een halfuur voor de afloop van het tweede ultimatum - op het Noordereiland. Hij beet generaal Schmidt toe, het als een niet te verdedigen woordbreuk te zien dat de stad ruim 2 uur vr het einde van het ultimatum was gebombardeerd. Voorts zei hij zich niet als overwonnen te beschouwen, maar tegen een dergelijk optreden machteloos te staan, temeer omdat er met de vernietiging van andere grote steden was gedreigd. Generaal Schmidt zat er duidelijk mee in en antwoordde: 'Ich verstehe Herr Oberst, dass Sie bitter sind'. Hij voegde er aan toe, het bombardement te betreuren, zei dat hij het er persoonlijk niet mee eens was en dat hij alle moeite had gedaan het te voorkomen. Er werd daarna onder meer afgesproken dat er om 19.00 uur een bespreking zou plaatsvinden om de details van de overgave te bespreken.

De Duitse opmars over de brug begon eerder dan was afgesproken. Nog tijdens het bombardement had generaal Schmidt weer een telegram verzonden. Ditmaal aan de commandant van het 18e Leger, die wl over de radio bereikbaar was. Hij meldde daarin dat de bommen tijdens de onderhandelingen waren gevallen en dat hij dit niet meer had kunnen voorkomen. Later bedacht hij plotseling dat er wel eens een voortzetting, een tweede bombardement kon volgen. Dat betekende dat de binnenrukkende Duitse troepen getroffen konden worden! De ervaring had hem zojuist geleerd dat hij op de radioverbindingen allerminst kon vertrouwen. Zijn eerste afgelasting had immers ook geen effect gehad. Hoewel laat, liet hij ogenblikkelijk en ongecodeerd een bericht zenden met de onjuiste, maar begrijpelijke tekst: 'Noordelijk deel van Rotterdam bezet; geen bommen werpen.' Schmidt heeft daarmee niet alleen zijn troepen, maar ook de stad voor een tweede ramp behoed. Want wat was er gebeurd?

Er is reeds opgemerkt dat maarschalk Gring zijn bombardement niet door capitulatie-onderhandelingen wilde laten vertragen. Nu toch een deel van de bommenwerpers was teruggekeerd zonder bommen op de havenstad te hebben geworpen, reageerde bij woedend. Hij gaf Kesselring bevel het bombardement te herhalen. Deze laatste liet daarop het volgende telegram verzenden, waarbij hij duidelijk liet uitkomen dat de opdracht niet van hem, maar van Gring kwam:

"Veldmaarschalk beveelt om nog heden, zonder rekening te houden met capitulatie, doorbraak naar Von Sponeck. Gevechtseskader valt tussen 19 en 20 uur met drie groepen aan en werpt bommen, indien ik niet onmiddellijk bericht over begonnen doorbraak krijg"'

Het was een waarlijk demonisch bevel. Het scheen wel of generaal Schmidt het had voorvoeld. Zijn telegram kwam ditmaal op tijd dr en de reeds vertrokken bommenwerpers konden worden teruggeroepen.

De bespreking over de details van de overgave vond in kolonel Scharroo's commandopost plaats. Deze lag in Blijdorp, in het noordwestelijk deel van de stad. Student trad namens generaal Schmidt op. Scharroo was niet aanwezig. Hij wenste na de Duitse woordbreuk niet meer met Student te spreken en liet zich door kapitein Backer vertegenwoordigen. Tijdens de bespreking klonken plotseling geweerschoten. Later bleken die door een SS-eenheid gelost te zijn op een nog bewapende, maar geen verzet plegende Nederlandse compagnie. De schoten veroorzaakten paniek bij een voor de commandopost rustend Duits bataljon, dat meende door de Nederlanders te worden overvallen. Student herkende het geluid van Duitse wapens, onderbrak het gesprek en liep naar een raam om een einde aan de schietpartij te maken. Enkele seconden later werd hij door een kogel in het hoofd getroffen en stortte zwaar gewond neer. De vijand - die de schuld niet bij zichzelf zocht maakte aanstalten om de aanwezige Nederlandse officieren met enkele onderofficieren en burgers te executeren. Dank zij het ingrijpen van Von Choltitz kon dit worden voorkomen en kwamen de gemoederen weer tot bedaren.

Na de val van Rotterdam was de toestand voor de Nederlandse defensie uiterst hachelijk geworden. Toch gaf dit aanvankelijk nog geen aanleiding de strijd te staken. Er werd al weer aan nieuwe weerstandslijnen gedacht. Een reeds om Den Haag en Delft gevormd pantserafweerfront zou wellicht door een verbinding met de nog ongeschonden Nieuwe Hollandse Waterlinie een nieuw, gesloten front kunnen vormen. Maar inmiddels was er voor Utrecht ook een parlementair verschenen. Mt een ultimatum in gesloten envelop. Hij werd echter zonder aanhoren teruggestuurd met de mededeling dat onder geen voorwaarde zou worden onderhandeld en het vuur op de Duitsers zou worden geopend. Pamfletten boven de stad uitgestrooid toonden echter duidelijk wat de vijand van plan was. Indien de weerstand niet eindigde, zou ook Utrecht het lot van Rotterdam gaan delen. Tegen deze terreur konden wij niets meer stellen. Bombardementen op andere grote steden zouden ongestoord kunnen plaatsvinden en een waar bloedbad onder de burgerbevolking aanrichten. Buitenlandse hulp bleef weg. Generaal Winkelman capituleerde. De voorwaarden van de overgave werden op 15 mei te Rijsoord getekend.

Conclusies

Op grond van de huidige kennis met betrekking tot het bombardement van Rotterdam, kan thans het volgende worden vastgesteld.

1. De aanval had uitsluitend tot doel, de strijd in Nederland onmiddellijk te beindigen.

2. De aanval vormde en daad van terreur, daar ze niet op een tactisch doel (het Maasfront), doch op de burgerbevolking was gericht.

3. De verantwoordelijkheid voor dit misdrijf ligt niet bij de Duitse bevelhebber te Rotterdam, doch treft het opperbevel van de Luftwaffe, met name haar opperbevelhebber, Generalfeldmarschall Hermann Gring.

4. Ook bij een capitulatie vr het verstrijken van het eerste ultimatum, zou de stad hetzelfde lot hebben ondergaan.

NOTEN

1. Hans-Adolf Jacobsen: Wehrwissenschaftliche Rundschau; mei 1958 pags 257-264.

2. H.C. Bajetto: Militaire Spectator; jan.1959, pags 31-35.

3. J.J.C.P. Wilson: Militaire Spectator; mrt 1959, pags 87-92.

4. L.J. Hartog: En morgen de hele wereld: de slag om West-Europa 1940; Weesp 1985, pag 38.

5. H. Langmann: Die Luftlandung des verst. IR 16 sdwestl. Rotterdam am 10 Mai 1940 und seine Kmpfe in Raum Rotterdam-Dordrecht bis zum 14-5-40. Studie, Visbeck 1955.

6. Dietrich von Choltitz: Soldat unter Soldaten. Konstanz 1951, pag 66.

7. Hermann Gtzel: Generaioberst Kurt Student und seine Fallschirmjger : die Erinnerungen des Generaloberst Kurt Student. Friedberg 1980, pags 146-147.

8. H.J. Rieckhoff: Trumpf oder Bluff?; Genve 1945, pag 152.

9. 'Absichten der Luftflotte 2 fr den 14.5.1940'.

10. Vermeld in de 'Abendmeldung der Luftflotte 2 vom 14.5.40, aufgenommen 20.45 Uhr' en in de 'Ttigkeitsberichte' van het 39e Legerkorps van 14 mei 1940.

11. 'Befehl fr den Angriff und die Einnahme von Rotterdam am 14.5.40', om 10.20 uur (Ned. tijd) gevolgd door 'Zustze zum Korps-Befehl am 14.5.40'.

12. De Gids; apr.1961 .

13. M.W. Mouton: Militair-Rechtelijk Tijdschrift; apr.1961, pags 239-240.

14. Verslag Enqute Commissie Regeringsbeleid 1940-1945 (ECR), Deel 2c, pag 650.

15. L.J. Hartog: De Gids; apr.1961, pags 216-219.

16. ECR, Deel 2c, pag 103.

17. ECR, Deel 2c, pags 468-469.

18. Hermann Gtzel: als noot 7, pag 151.

19. Zie 'Tagesmeldung Generalkommando XXXIX A.K., Abt.Ia' van 14 mei 1940. Voorts verklaringen van Schmidt, Student, Speidel, Lackner, Von Choltitz en Hhne en het door brand beschadigde, bewaard gebleven telegram, waarin nog leesbaar: 'Angriff. . . luft plan. .. wenn nicht durch. . . roten Leuchtkugeln. . . abgedreht werden.' (Spruch Nr.23; Kriegtagebuch 18e Leger)

20. Dietrich von Choltitz: als noot 6, pag 68.

21. Albert Kesselring: 'Soldat bis zum letzten Tag'; Bonn 1953; pags 74-75.

22. Een 'Stern' omvatte een hoofdstation met n zender en evenveel ontvangers als er bijstations waren. Het hoofdstation zond uit op een bepaalde frequentie, waarbij het bericht door de ontvangers van alle bijstations gelijktijdig werd opgevangen. Voorts had elk bijstation n zender met een eigen frequentie, om berichten naar de voor hem gereserveerde ontvanger bij het hoofdstation te kunnen sturen. Hierdoor was gelijktijdig zenden en ontvangen (duplexverkeer) mogelijk.

23. Aangesloten dienden te worden: de vredeslokatie van het luchtlandingskorps en de staf van de 2e Luchtvloot in Duitsland, de gevechtsstaf van het luchtlandingskorps (Rijsoord), de staf van het 3e Bataljon van het 1e Regiment Valschermjagers (WaaIhaven), de staf van het 1e Regiment Valschermjagers (Eiland van Dordrecht) en voorts bij Den Haag de staven van de 22e Luchtlandingsdivisie en het 1e Bataljon van het 2e Regiment Valschermjagers.

24. Hermann Gtzel: als noot 7, pag 150-151.

25. A.P. de Jong: Vlucht door de tijd: 75 jaar Nederlandse Luchtmacht, Houten 1988, pag 96. Voorts: dr.Heinrich Weisz: Luftkrieg in Holland, Mai 1940. Offenbach 1985.

26. Cajus Bekker: Angriffshhe 4000,8.Auflage: die deutsche Luftwaffe im Zweiten Weltkrieg; Mnchen 1974,pag 110.

27. Werner Haupt: Sieg ohne Lorbeer: der Westfeldzug 1940. Preetz-Holstein (1965) 93.

28. Albert Kesselring: als noot 21, pag 74.

29. Wilhelm Speidel: Der Westfeldzug 1939/1940, Teil 3, Bd.1. Karlsruhe 1958, pag 114.

30. Militair-Rechtelijk Tijdschrift, apr.1961, pags 234-235.

31. Klaus A. Maier, Horst Rohde, Bern Stegemann en Hans Umbreit: Die Errichtung der
Hegemonie auf dem europischen Kontinent: Bd.2 van 'Das deutsche Reich und der Zweite Weltkrieg. Stuttgart 1979, pag 340.






Sion Soeters 2002 - 2013








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home