Rotterdam 14 mei 1940

                    Feiten, doelstellingen en beoordeling


Generaal Winkelman, in de meidagen van 1940 opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten, schreef op 27 juni 1940 een brief, waarmede hij de geschiedschrijving over het notoire bombardement op Rotterdam, rond het middaguur van 14 mei, jarenlang op het verkeerde been zette.

De "officiële" geschiedschrijvers, zoals De Jong (L en A P), Amersfoort en v d Doel, om er maar enkele te noemen, houden het er nog steeds op, dat de Duitsers Rotterdam op het laatste moment NIET wilden bombarderen en zulks kenbaar maakten door het afschieten van rode lichtkogels. Anderen echter, met als onbetwiste koploper de door het "history establishment" verguisde auteur Loek Elfferich, verwijzen dit naar het land der fabelen. En terecht. Het is hoogst interessant te analyseren waarom deze merkwaardige dwaling der geesten kon gedijen en overleven.

Strijd tot het uiterste, met vermijding van onnodige offers.

Vroeg in de ochtend van de 13e mei kreeg de opperbevelhebber van de Nederlandse strijd-krachten van het kabinet zijn instructies hoe te handelen na haar vertrek. Naast volledige volmacht de taken van de regering in Nederland over te nemen, behelsde dit de houding over het al dan niet voortzetten van de strijd.

Hoe deze instructie exact geformuleerd werd, is ook na de oorlog ten overstaan van de Parlementaire Enquête Commissie Regeringsbeleid 1940/1945 (PEC) nooit geheel uit de verf gekomen. Een redelijke communis opinio werd bereikt over de versie: "...strijd tot het uiterste, met vermijding van onnodige offers.."

Dit klinkt niet onaardig; enig nadenken over de inhoud van zo'n instructie roept echter een aantal vragen op, met als belangrijkste: wat is "onnodig" in de ogen van een militair, naast de doelstelling: "strijd tot het uiterste"? Geen der betrokken ministers, noch de generaal zelf is hier geheel helder over. Na het in de vroege ochtend van de 13e mei gevoerde gezamenlijke overleg zou de op vertrek naar Engeland staande regering vanuit Hoek van Holland nog een telefonische toelichting geven. Dit werpt al een vreemd licht op de helderheid van de zogenaamd gegeven richtlijn. Over de inhoud van dit telefoongesprek hangt een nog dichtere mist. Slechts één der ministers, Gerbrandy, is er echter opmerkelijk helder over. Na vermeld te hebben dat tijdens de ochtendbespreking de generaal te verstaan gegeven was dat hij gehouden was aan zijn oorspronkelijke instructie: ”..verdediging van Holland en Zeeland tot het uiterste..”, zegt hij ten aanzien van de inhoud van het telefoongesprek:”…wij hebben niet de bevoegdheid de instructie te veranderen..”. (PEC 2C p 141)

Winkelman daarentegen legt over het telefoongesprek een wel uiterst curieuze verklaring af. Na de uitleg, dat hem al s’morgens het algehele gezag was overgedragen:”..ik heb het niet hoog aangeslagen…” (PEC 2C p 488)

De verklaring van Gerbrandy wordt door “circumstantial evidence” ondersteund.

Kolonel J J C P Wilson, die door Winkelman aan de staf van de plaatselijke comman­dant te Rotterdam, Scharroo, was toegevoegd, rapporteerde in de ochtend van diezelfde 13e mei, dat de toestand ogenschijnlijk vast in de hand lag, doch dat er bij een werkelijke aanval hooguit enkele uren weerstand kon worden geboden.1) En aangezien hij niet kon beoordelen of dit opwoog tegen de consequentie, dat daarbij de stad zou worden verwoest(!), vroeg hij aan zijn hoge baas in Den Haag om nadere instructies.(“..of een daarbij te verwachten verwoesting van de stad en de verliezen onder de bevolking konden opwegen tegen de betekenis van een paar uren oponthoud..”)

Pas in de middag kwam er van Winkelman een duidelijk antwoord; in weerwil van het uitblijven van steun van elders (de geallieerden) moest er "tot de laatste man" worden stand gehouden. (Wilson,'60, blz. 249)

De burgerlijke autoriteiten werden niet ingelicht, noch werd enig plan tot evacuatie van de burgerbevolking overwogen. Het schiep de sfeer, waarin op de 14e mei het door de Duitsers gestelde ultimatum werd ontvangen.

_______________________________________________

Wilson had de bevoegdheid gekregen, eventueel het bevel ter plaatse over te nemen. De redenen zijn nooit geheel duidelijk geworden. Wellicht heeft een rol gespeeld dat Scharroo, politiek gezien, niet geheel zuiver op de graat werd bevonden; hij behoorde destijds tot de medeoprichters van de NSB. Ook als militair werd hij niet hoog aangeslagen; stond verder bekend om zijn pronk- en drankzucht. Alhoewel Wilson een cruciale rol rond "Rotterdam" heeft gespeeld, hij om onduidelijke redenen NIET door de PEC gehoord.

Het ultimatum geweigerd

van drie officieren te zenden, waarvan er één Nederlands sprak en de Nederlandse vertaling van het stuk had verzorgd, werd dit gekarakteriseerd als "...een vodje papier". En daar kon dus moeilijk op ingegaan worden, temeer omdat het stuk niet met naam een toenaam was ondertekend. Door een merkwaardige samenloop van omstandigheden kon de burgemeester Mr. P J Oud op de commandopost van Scharroo zijn kopie van het document persoonlijk in ontvangst nemen en poogde via de CdK nog zijn invloed aan te wenden een beslissing ten gunste van de stad te bewerkstelligen.

Uit alles wat hierover bekend is geworden, blijkt zonneklaar dat men dit van militaire zijde nauwelijks apprecieerde.

Generaal Winkelman werd uiteraard van deze ontwikkeling op de hoogte gebracht en om advies gevraagd. Hij nam ruim de tijd zijn antwoord te overwegen. Wellicht besefte hij nu pas, met welk een stinkei men hem had opgezadeld.

Zou hij zonder meer het ultimatum afwijzen; de gevolgen die hij op z’n minst kon vermoeden zou niemand hem in dank afnemen. Hij kon het ook inwilligen en daarbij het verwijt naar zich toehalen, de Vesting Holland zonder slag of stoot aan de vijand te hebben overgegeven. Hij besloot noch het een, noch het ander te doen en droeg aan Scharroo op om een nieuw, maar nu deugdelijk ondertekend ultimatum te vragen.

Hij heeft deze houding naderhand gemotiveerd door te verklaren, dat hij aan de echtheid van het document had getwijfeld......

Kapitein Jan Dam Backer werd naar de Duitsers gezonden met het volgende antwoord:

".....ik heb Uw brief ontvangen. Alvorens ik Uw verzoek in overweging kan nemen, dient dit mij te bereiken voorzien van Uw handteke­ning en militaire rang..."

De Duitse commandant ontving dit antwoord ongeveer een kwartier voor het verstrijken van de gegeven tijdslimiet.

En dit was weer precies één uur voor het tijdstip, waarop volgens het Duitse operatieplan de "softening- up" van het opmarsgebied een aanvang zou nemen.

Backer had geen onderhandelingsbevoegdheden meegekregen; hij mocht alleen nadere bepalingen met betrekking tot een eventuele overgave in ontvangst nemen. Een Duitse generaal, Rudolf Schmidt, schreef op de achterkant van Scharroo's brief de voorwaarden, waaraan de Nederlanders zich bij een capitulatie zouden moeten onderwerpen.

Hij ondertekende dit en vermelde hierop uiteraard GEEN nieuwe tijdslimiet. Want dit was GEEN "nieuw ultimatum", een hardnekkig misverstand, dat tot op heden heeft standgehouden.

Backer overlegde daarop met de Duitse generaal hoeveel tijd hij kreeg om met een antwoord terug te komen. Mondeling werd een tijd overeengekomen, die precies één uur voor een voorgenomen tweede bombardement bleek te liggen.

Tijdens de terugtocht van Backer naar de commandopost van Scharroo werd vanuit drie richtingen een zwaar bombardement op de stad ingezet vrijwel exact op het geplande tijdstip.

Dit is later aan Nederlandse zijde uitgelegd als een misdadige woordbreuk.

De Duitsers hebben NA de oorlog gepoogd het gebeurde te reduceren tot een communicatiestoornis; zij hadden er alles aan gedaan om het bombarde­ment op het laatste moment op te houden. Zelfs door het afschieten van rode lichtkogels. We zullen vervolgens nog zien, dat dit merkwaardige en onwaarschijnlijk klinkende verhaal door de Nederlanders zelf werd geïnitieerd....

De generaals Student en Schmidt waarbij auteur er persoonlijk toe neigt, in tegenstelling tot de algemeen gangbare opinie, aan de eerstgenoemde aanzienlijk meer gewicht toe te kennen, konden aan de hand van het hooghartige antwoord van Scharroo onmogelijk de voorgenomen operaties opschorten.

En wel omdat:

- het ultimatum in materiele zin was AFGEWEZEN en,
- er op dat tijdstip GEEN toezegging, laat staan een vorm van garantie bestond,
- of en wanneer er van "hogerhand" op bespoediging van de operaties was aangedrongen

Student heeft dit overigens naderhand uitdrukkelijk aan burgemeester Oud verklaard; er werd ook niets afgelast of opgeschort. In de tot dusver geproduceerde "geschiedschrijving" komt oa. voor, dat Schmidt een inleidende artilleriebeschieting afgelaste, die om 13.00 uur had moeten beginnen. Auteur meent echter te moeten veronderstellen, dat dit alleen de leugen van uitstel moest ondersteunen; en dat zulk een voornemen in werkelijkheid nooit heeft bestaan. Niet alleen fungeerde de Luftwaffe bij uitstek als "vliegende artillerie"; als men de uitwerking van het (zgn. "onvoltooide") luchtbombardement in ogenschouw neemt, dan rijst onmiddellijk de vraag, wat dan wel de toegevoegde waarde van deze artilleriebeschieting geweest zou kunnen zijn.

Seyss Inquart's inbreng

Op 21 juni maakte onze zojuist benoemde landvoogd Seyss Inquardt zijn opwachting bij het bestuur van de stad Rotterdam. In een speech schoof hij een deel van de schuld aan de verwoesting van de oude binnenstad af op de opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten.

Deze zou - gehinderd door het vertrek van de regering - te lang geweifeld hebben met het geven van een antwoord, waardoor niet alle vliegtuigeskaders tijdig konden worden teruggeroepen....

De brief van Winkelman

Generaal Winkelman, die dit verwijt via de dagbladpers moest vernemen, voelde zich nu gedwongen ook zijn versie over deze materie kenbaar te maken. Toegang tot de pers was hem inmiddels ontzegd, zodat hem geen andere weg openstond dan het schrijven van een brief.

Het was in deze brief, dat voor het eerst op gedetailleerde wijze onthuld werd, dat de Duitsers nog op het nippertje getracht hadden het bombardement af te wenden door het afschieten van rode lichtkogels.

Seyss Inquart had hier met geen woord over gerept.

Sterker nog, in een onderhoud, dat hij daarna met Winkelman had, wees hij deze lezing af, ondanks het feit, dat hij als geen ander hiermede politiek had kunnen scoren. (Winkelman/PEC, deel 2C, blz 492, nr 25480)

De burgemeester van Rotterdam was het overigens categorisch eens met het door Seyss Inquardt gestelde en weigerde de brief van Winkelman in zijn kwaliteit van voorzitter van de gemeenteraad in ontvangst te nemen.

Hij wenste hiermede een pijnlijke discussie met generaal Winkelman - ten overstaan van de bezetter - te vermijden. Hij handhaafde zijn mening ook na de oorlog.

Het bezoek van generaal Student

Generaal Student raakte tijdens een bespreking op de dag van de capitulatie als gevolg van een wilde schietpartij levensgevaarlijk gewond aan zijn hoofd. De stadschirurg van Rotterdam, dr. Van Staverden, voerde een levensred­dende operatie uit, en ook in Duitsland werd hij nadien nogmaals geope­reerd. Voor volledig herstel kwam hij in de herfst van 1940 naar Nederland en bracht tevens een bezoek aan Rotterdam.

Na de verwoestingen in de stad aanschouwd te hebben, vereerde hij burgemeester P J Oud met een bezoek. Oud heeft ten overstaan van de Parlementaire Enquêtecommissie over dit hoogst curieuze onderhoud verslag uitgebracht.

".....hij zeide toen tegen mij, dat hij het verschrikkelijk vond, wat hij de stad had moeten aandoen. Het was echter zijn plicht geweest. Hij dacht dat de Engelsen in Den Haag zaten."

"Ik dacht toen: Ik moet weten, hoe het met het afgelasten van het bombarde­ment zit. Ik vroeg hem toen: Hoe zit dat toch? Dat bombardement zou toch worden afgelast?"

"Hij zeide toen: Neen, ik heb geen bombardement afgelast. U vergist zich. U zult het tweede bombardement bedoelen."

"Ik wist echter van geen tweede bombardement iets af. Ja, de stad zou opnieuw gebombardeerd worden om 7 uur, maar de stad had zich toen reeds overgegeven."

"Hij zeide: "..und es waere ja unmenschlich gewesen, wenn man nogmals bombardiert haette..."

"Ik heb toen maar niet mijn opinie over menselijkheid gegeven. Ik begreep er toen echter helemaal niets meer van."(einde citaat; Oud/PEC, deel 2C, p. 406, nr 16057)

De ambiance waarin dit onderhoud plaatsvond, verleent aan de inhoud een bijzondere geloofwaardigheid. Oud vermeldt terloops, dat Student toen nog symptomen vertoonde van een lichte hersenbeschadiging, hetgeen later door dr. Van Staverden werd bevestigd.

Enige kanttekeningen.

mr Oud stelde nadrukkelijk, dat zij tijdens de capitulatiebespreking, die voor Student zo onfortuinlijk eindigde, alleen met hem te maken gehad hadden; Schmidt had hij zelf nooit ontmoet.
Tijdens zijn bezoek nam Student impliciet de algehele verantwoor­delijkheid voor het bombardement op zich.

“Engelsen in Den Haag” is door sommige historici afgedaan als een goedkope Duitse smoes; zonder hier nu op alle details in te gaan, vormde het echec bij de overval op Ypenburg in vergelijking met eenzelfde overval op Waalhaven – die hij min of meer van nabij had meegemaakt – voor hem een dusdanig raadsel, dat hij dit toen alleen maar kon verklaren in Den Haag kennelijk met geheel andere tegenstanders te maken hebben gehad. Dit gezien tegen de achtergrond van de voornaamste doelstelling van de Duitse luchtlandingen: te voorkomen dat tijdens de opmars door Frankrijk, Engelse en eventueel Franse strijdkrachten zich in de Vesting Holland zouden nestelen.

Voor het Tribunaal van Neurenberg, verklaarden zowel Goering als Kesselring met betrekking tot het bombardement op Rotterdam alleen met Student te maken gehad te hebben, en zeiden Schmidt niet eens te ken­nen.....

Jan Dam Backer had een andere mening.

In het gedetailleerde relaas van Winkelman over de rode lichtkogels komt de passage voor: "...om 13.25 uur werd dit bij het zuidelijk bruggenhoofd van de Willemsbrug in opdracht van een der beide Duitsers, die kapitein Backer vergezelden, herhaald..."

Het is daarom dubbel interessant, stil te staan bij de visie, die Backer zelf op het gebeurde had.

Het is dan enigszins verrassend, dat die vrijwel loodrecht stond op die van Generaal Winkelman.

Backer ontkende ten overstaan van de PEC ten stelligste, als zou er bij de Duitsers ooit enig voornemen bestaan hebben het bombardement op te schor­ten.

Hij baseerde dit ondermeer op de vele kontakten, die hij nadien had met de Duitse officier Von Choltitz. (deze voerde het bevel over de op het Noordereiland gelegerde Duitse troepen, was later Ortscommandant te Rotterdam)

Ook onmiddellijk na het gebeurde, toen hij Scharroo vergezelde naar de Duitsers om de capitulatie van Rotterdam aan te bieden, was er door de Duitsers niets van die strekking gezegd. Dit in volkomen tegenstelling tot zijn directe chef Scharroo, die bepaalde uitspraken van de twee Duitse officie­ren (Schmidt en Von Choltitz), geheel anders interpreteerde.

Belangrijk is voorts, dat Backer zeer terecht de rode lichtkogels in verband bracht met de zgn "Flieger-tuecher", fel oranje gekleurde seinlap­pen, om aan vliegtuigbemanningen de ligging van eigen linies aan te geven.(Backer/PEC, blz. 263, nrs 10798 en 10799)

Scharroo, bron van de brief

De brief van Winkelman was dermate gedetailleerd, dat deze nooit en te nimmer ontstaan kon zijn, anders dan op grond van rapportage vanuit Rotterdam. Uit de getuigenverklaringen van Scharroo zelf valt duidelijk op te maken, dat hij gezien moet worden als de belangrijkste bron van de inhoud van de brief. Het warrige verhaal, dat hij ten overstaan van de PEC produceerde, bevat tenminste één leugen; nml daar waar hij beweert, vanuit zijn commandopost de lichtkogels zelf gezien te hebben. Niet alleen bood de ligging van het betrokken perceel daartoe geen gelegenheid; hij bevond zich bovendien tijdens het gebeurde in de schuilkelder. Ondanks de verklaringen van Backer, die een veel grotere overtuigingskracht uitstralen, dan die van Winkelman en Scharroo bij elkaar, is die van de laatste volledig overeind ­gebleven en vormde de grondslag voor alle verdere beschouwingen.

Dit type vertekening, gebaseerd op de Wet van de Hoogste Salarissen, komt overigens ook op andere plaatsen voor in de Nederlandse militaire geschiedschrijving; hiërarchieke verhoudingen gingen kennelijk vrijwel altijd boven de meest waarschijnlijke waarheid.....

Deze visie was overigens inmiddels al verschenen als een stuk officiële militaire geschiedschrijving(het zgn. “Beknopt Overzicht”) en was daardoor al min of meer onaantastbaar geworden.

De rol van Duitse verklaringen.

Goering kwam op het Tribunaal van Neurenberg als eerste Duitser met de lezing Winkelman voor de dag en voegde hier nog een dimensie aan toe.

Een deel van de aanvallende groepen hadden het teken tot afgelasting toch nog gezien en waren afgedraaid.

Niet alle voor Rotterdam bestemde bommen waren er dus daadwerkelijk op terecht gekomen.

Zonder dat men zich verdiept heeft in de mogelijke drijfveren van betrok­kene, laat staan een deugdelijk onderzoek instelde naar de praktische houdbaarheid van dit verhaal, vormde dit voor jaren DE basis voor de geschiedschrijving over het notoire bombardement op Rotterdam.

Maar hoe kon het ook anders; we lieten in Neurenberg over dit onderwerp immers Scharroo namens Nederland getuigen......

De ware betekenis van de rode lichtkogels.

Loek Elfferich, die al jaren openlijk het uitgangspunt in twijfel had getrokken, dat het bombardement door de Duitsers eigenlijk niet gewild was, vond in februari 1987 in het Militair Archief te Den Haag de instructie over het gebruik van pyrotechnische seinmiddelen "Boden/Luft", zoals die in de meidagen golden voor het operatiegebied van de 22e Luftlande Division. Het document werd aangetroffen tussen de zgn. "Sponeck Papiere", die op de 10e mei in Den Haag geborgen konden worden uit een neergeschoten Duits transportvliegtuig.

Het was dus toch waar geweest; de lichtkogels hadden slechts tot doel gehad de eigen posities te markeren. Het gebruik als zodanig blijkt tevens verifieerbaar uit onafhankelijke rapportages afkomstig van andere locaties in het betrokken operatiegebied, de luchtlandingen op de as Moerdijk - Den Haag.

Een ex-Luftwaffe piloot, Helmuth Stamm, die meevloog in de vanuit het oosten aanvallende groep onder commando van Oberst Lackner, verklaarde in 1990 voor de Nederlandse televisie luid en duidelijk, dat zij order hadden gekregen uit te zien hadden naar rode lichtkogels KOMEND VANUIT het "ZIELGEBIET"(doelgebied).1)

Want dan hadden de Duitsers daar inmiddels al gezeten en was bombarderen niet meer nodig geweest.

___________________________________________________________

1) Er zijn inderdaad vanaf het Noordereiland een reeks rode lichtkogels omhooggeschoten. De aanleiding hiertoe vormde het feit, dat de op het Stieltjesplein verzamelde Duitse toeschouwers in paniek raakten toen de vanuit het zuiden op grote hoogte naderende groep bommenwerpers onder Oberstleutnant Höhne al voordat zij recht boven het plein waren hun bommen begonnen los te laten. Daar was niets mis mee, maar een aantal Duitse officieren, die het bombardement op Warschau hadden meegemaakt, werden toen herinnerd aan de missers van toen, waardoor eigen eenheden werden geraakt. Dit zuidelijke eskader zou voor het overgrote deel zijn afgedraaid. Afgezien van het feit dat dit op zichzelf gezien al onwaarschijnlijk lijkt – een bewaard gebleven kaart met daarop de inslagen, de ligging van de westelijke “brandgrens” en getuigenverklaringen geven aan, dat in dit opzicht Rotterdam niets bespaard is gebleven. Naar aanleiding van het aanvliegen van de uit oostelijke- en zuidwestelijke richting naderende eskaders vond dit NIET plaats..

Het gemeenschappelijke belang

Onwillekeurig ontstaat de gedachte, voorlopig nog de vraag, waarom men zich kennelijk aan beide zijden zo halsstarrig aan deze mythe heeft vastge­klampt. Was er sprake van een "gemeenschappelijk belang"?.

Laten we ons eens verdiepen in de consequenties van de veronderstelling, dat de lichtkogels NIET bedoeld kunnen zijn geweest om de aanval op te schorten.

Deze zouden zijn:

Het bombardement op Rotterdam was van Duitse zijde een DOELBEWUSTE DAAD.

Het bombardement op Rotterdam was een logisch GEVOLG van het NIET TIJDIG CAPITULEREN door Winkelman.

Nader onderzoek zou de politieke achtergrond van deze tragedie – de rol van de door de regering aan Winkelman gegeven instructie - hebben blootgelegd

We moeten dit afzetten tegen de oorspronkelijke opvatting:

a1. Het bombardement op Rotterdam werd door de Duitsers ONBEDOELD uitgevoerd; men had het eigenlijk niet gewild.

b1. De pogingen aan Duitse zijde om het bombardement op te schorten, vormden tevens het BEWIJS, dat het in eerste instantie aan Nederlandse zijde gegeven antwoord door de Duitsers NIET als een AFWIJZING van het ultimatum was opgevat.

Het moge duidelijk zijn, dat de laatste lezing voor beide partijen aanzienlijk gunstiger was, en wellicht nog het meest voor Nederland zelf. Winkelman kon zich hierdoor distantiëren van het verwijt, dat hij ten onrechte de stad het risico van deze afzichtelijke vernieling had laten lopen. De schuld lag niet bij hem, doch bij de primitieve wijze waarop de Duitsers hun communicatie geregeld hadden.

De Duitsers op hun beurt konden zich later achter hun vermeende poging tot afgelasting verschuilen als bewijs dat zij deze daad door sommigen gekarakteriseerd als een oorlogsmisdrijf zelf niet gewild hadden.

Dit moet wel de verklaring zijn voor het merkwaardige feit, dat de mythe zo lang heeft kunnen standhouden. Want er is aan beide zijden nooit echt gepoogd de waarheid boven water te krijgen.

Integendeel; alle efforts, Nederlandse zowel als Duitse waren gericht op het verder onderbouwen van deze dwaling; tot aan het vinden van de plek, waarop de oorspronkelijk voor Rotterdam bestemde bommen uiteindelijk terechtkwamen, toe. (Kol. A P de Jong, “Vlucht door de tijd”(1988) p. 96)

Aan Duitse zijde was er een reden extra deze materie af te dekken. Dit betrof het grootschalig gebruik van BRANDBOMMEN. Sinds Guernica aan de gevolgen van dit wapen werd blootgesteld de aanval op die stad was op zichzelf niet groter of gewelddadiger dan andere in Spanje door het Condor Legioen uitgevoerde bombardementen vormde de toepassing van brandbommen bij uitstek de belichaming van het aspect TERREUR.

Dit sleet gedurende de tweede wereldoorlog verder in; en vooral aan Duitse zijde leeft sterk de vrijwel automatische koppeling brandbommen/terreur.

Het verhaal van Goering over de afdraaiende bommenwerpers is uitsluitend te verklaren als een poging de sporen naar het gebruik van brandbommen uit te wissen.

Met de inmiddels bekende aantallen aanvallende vliegtuigen van Kg54 1) en de hiervoor volgens een gedetailleerde boekhouding gebruikte hoeveelheid brisantbommen, kon er zodoende geen laadcapaciteit meer beschikbaar geweest zijn voor brandbommen.

En konden zij dus niet zijn toegepast....

______________________________________________________________________

Er zijn sterke aanwijzingen, dat ook nog een groep van ca 20 Ju88 bommenwerpers, behorend tot Kg30, aan het bombardement hebben deelgenomen. Deze verschenen ca. 6 minuten na de aanval van KG54 laagvliegend vanuit het zuidwesten boven de stad. De door dit verzwegen eskader aangedragen bomlast dient nog bij het"officiële bedrag" te worden opgeteld.....

En het gebruik van deze venijnige “aanstekers” was luid en duidelijk aan de orde geweest.

Toen auteur naar aanleiding van Loek Elfferich’s eerste boek voor het eerst bewust met de omvang en aard van de verwoestingen geconfronteerd werd, was dit de eerste indruk – met de colleges van de opleiding tot Noodwachtofficier bij de BB nog vers in het geheugen. Velen moeten daarom jaren deze zelfde kennis in stilte met zich hebben meegedragen…..

Was het een terreurbombardement?


Om deze vraag te beantwoorden, dient eerst te worden gedefinieerd wat hieronder verstaan moet worden. Los van de populaire visie, dat elk bombardement, waarbij een relatief groot aantal burgers worden getroffen, als zodanig moet worden aangemerkt, is auteur van mening, dat een terreurbombardement het oogmerk moet dragen om, via opzettelijke ondermijning van het moreel van de burgerbevolking, een vijand tot overgave te dwingen. In die zin, dat het land zijn leger afvalt en daardoor wel gedwongen is de strijd te staken.

Dat het bombardement op Rotterdam ook zo gewerkt heeft, is beslist onwaar. En het was zeker zo niet bedoeld. Nergens zijn er opstootjes geweest om de militairen te manen zich in godsnaam maar aan die Duitsers over te geven.

Ook in Engeland en Duitsland heeft dit zo niet gewerkt; de bevolking werd zelfs verbetener in het trotseren van de door de vijand veroorzaakte ontberingen. Desondanks waren de officiële drijfveren van de Engelsen bij het uitvoeren van hun massale nachtelijke brandstichtingen in nazi Duitsland geheel op dit "terreurmodel" gebaseerd.

Over het gebruik van brandbommen op Rotterdam is zodoende met geen Duitser te praten. Het is een te zeer beladen onderwerp.

En wat was het eigenlijke doel van de Duitsers? Zonder te beseffen op welke gronden deze vergelijking zo terecht is, werd door vele auteurs Rotterdam in een adem genoemd met Guernica en Warschau.

Deze gemeenschappelijke relatie is nml. NIET de betrokkenheid van de burgerbevolking - die er overigens in alle gevallen zwaar onder heeft geleden - doch de doelstelling een bebouwd gebied ONVERDEDIGBAAR te willen maken door middel van BRAND. Ook tijdens het verdere verloop van WO 2 is meermalen bewezen, dat puinhopen uitstekend en langdurig kunnen worden verdedigd. Echter niet wanneer deze branden. In die zin was de toepassing van dit wapen uiterst specifiek en doelbewust. Er is dus in principe geen verschil tussen de hier beschouwde bombardementen en de zeer zware artille­riebeschietingen tijdens WO I; met uitzondering van het feit, dat in een bebouwd gebied per defini­tie veel burgers wonen.

Maar die zouden bij een equivalente artilleriebeschieting nog aanzienlijk lagere overlevingskansen hebben gehad.

In die zin kan de toepassing van brandbommen zelfs nog als relatief humaan beschouwd worden. Bij de geallieerde aanvallen op Duitsland speelden bovendien economische motieven een rol. Per ton te vervoeren bomlast kon met brandbommen een circa 3 tot 5 maal grotere verwoesting worden aangericht.....

Was het een oorlogsmisdaad?


Nog onlangs vond hierover op de EUR een discussie plaats op juridisch wetenschappelijk niveau. (Manuel Kneepkens c.s.) Centraal stond hierbij de toepassing van de zgn. Martensclausule. Deze houdt in, dat in die gevallen, waarin niet in het geschreven oorlogsrecht is voorzien,

'de bevolking en de oorlogvoerenden onder de bescherming en de heerschappij blijven van de beginselen van het volkenrecht, zoals die voortvloeien uit de tussen de beschaafde volken gevestigde gebruiken, de wetten der menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn'.

Op die indirecte gronden werd ten aanzien van Rotterdam mede het nooit officieel geratificeerde ontwerpverdrag "The (Draft) Rules of Air Warfare" in het geding gebracht. Dit verdrag is tijdens WO 2 door beide partijen met voeten getreden, en zou als zodanig al geen betekenis hebben, ware het niet, dat in het onderhavige geval het bestaande zgn. "Land Oorlogs Reglement" al voldoende aanknopingspunten biedt.

We kunnen dan kort zijn; aan beide van belang zijnde artikelen, te weten:

art 25, betreffende het VERBOD tot de aanval op ONVERDEDIGDE steden,

art 26, waarschuwen van de burgelijke autoriteiten omtrent een aanval,

werd in formele zin voldaan.

In strikt juridische zin was dus het bombardement op Rotterdam geen vergrijp tegen het geldende oorlogsrecht.

Hoe het echter moreel te verdedigen valt, dat een land een inval doet bij zijn neutrale buur en als uitvloeisel van de zich dan ontwikkelende strijd, "op procedureel correcte wijze" een grote stad in de as mag leggen, is een geheel andere vraag.

Maar dit geldt evenzeer - zij het in mindere mate - voor de verdedigers, nl. of zij dit wel zover hadden moeten laten komen.

Rond de vraag omtrent het aspect oorlogsmisdaad mag het sinds de Golfoorlog weer actuele begrip: "the human shield", niet onbesproken blijven. Dit vormt toch de wezenlijke achtergrond bij de tot dusver gememoreerde bepalingen om de bevolking te sparen, dwz. deze niet te mengen in de strijd zelf.

Een essentiële voorwaarde hierbij is, het ruimtelijk scheiden van de burgers en de strijdenden.

Het niet voldoen aan dit principe, wat in zijn algemeenheid als laakbaar moet worden aangemerkt, kent twee hoofdvormen:

de offensieve vorm; de vijand nestelt zich onder de burgers; cq gebruikt deze als dekking en verhindert deze naar elders te vertrekken.

de defensieve vorm; de verdedigers maken zich op om zich tegen de aanvaller te weer te stellen en vergeten, cq verhinderen de eigen bevolking te evacueren.

We moeten helaas vaststellen, dat in de meidagen van '40 beide vormen zijn opgetreden.

Van de Duitsers kan gezegd worden, dat hierbij zeer doelbewust werd gehandeld. Niet alleen de bevolking van het Noordereiland werd als zodanig misbruikt; in Dordrecht ging men zelfs zover een aantal burgers op te sluiten in een strategisch gelegen schoolgebouw, met het oogmerk hiermede een belangrijk kruispunt te beveiligen tegen een mogelijke artilleriebeschieting; de Nederlandse artillerie schoot toch, en zes burgers vonden daarbij de dood…

Reeds in 1936 werd in de Duitse militaire vakpers van deze unfaire strijd­methode gewag gemaakt.(Deutsche Wehr, nr 39 sept. 1936 p 633) )

Het is wellicht daardoor, dat de aanwezigheid van vele burgers in het betrokken stadsdeel voor hen geen morele belemmering vormde dit gebied, zij het dan na zich formeel ingedekt te hebben door het inlichten van de burgerlijke autoriteiten, ook daadwerkelijk te bombarderen.

Geen der partijen had dus een bijzonder belang bij een heldere terugblik op het gebeurde. Het vormde andermaal een impuls, om het maar bij de lichtko­gels te laten.

Epiloog

Het bewijs, dat de "lichtkogels van Rotterdam" slechts tot doel hadden de eigen posities van de Duitsers te markeren, ontzenuwt een net van leugens om bepaalde details van het gebeurde af te dekken. Zowel aan Duitse als aan Nederlandse zijde werd kennelijk boter op het hoofd gevoeld. Het is echter zeer de vraag, of we aan beide zijden nu al zo ver zijn om de waarheid te durven erkennen.

ACB

Dordrecht juni '92

(met enige aanvullingen mei '93 , jan '94 en jan. 2005)





© Sion Soeters 2002 - 2013


 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home