Tweede Wereldoorlogervaringen
a

a
                
De tweede vluchtpoging van Otto
a

Het is nu Woensdag, 13 December, 1944
, rond 6 uur 's morgens. Het is aardedonker in de kelder, op een klein oliepitje na, dat bij de kinderbedden staat. Maar bij onze bedden is het donker. Ik zie een schim naar mijn bed komen en Rinus fluistert: "Opstaan Otto". Andere schimmen bewegen naar de trap. We zijn al half aangekleed en trekken de rest aan. Rinus en ik schuifelen naar de deur van de verwarmingskelder. Voorzichtig het kelderraam openen en fluisteren of er iemand is. Dan komt een hand naar beneden en deze tikken wij aan. En dan tillen we stuk voor stuk ons aller eigendommen door het raam en daar grijpen handen ernaar en nemen ze van ons over. Geen geluid te horen. We zien alleen donkere silhouetten tegen een iets lichtere lucht, maar kunnen niet zien wie het zijn. Als alles buiten is wordt het raampje gesloten en schuifelen Rinus en ik naar de deur, sluiten die voorzichtig en gaan, nog altijd op sokken, naar de trap. Maar, oh schrik, een van de kinderen begint een beetje te jengelen. Maar er wordt niet op gereageerd gelukkig. Rinus sleept mij de trap op, want mijn been doet behoorlijk pijn. Maar we komen in de hal en dan naar buiten, waar we de schoenen aantrekken. In het nachtelijk schemer zien we de brandweerauto voor het kelderraam staan. Een man zit op de tank, een andere op de bank ernaast en een derde geeft de spullen aan die voor het kelderraam staan. Deze worden in de tank opgeslagen en ook daar is een man aanwezig die ze netjes stouwt. Sjang zit wat te morrelen in de cabine en aan de motor.

Als alles geladen is, de mangatdeksel van de tank gesloten is en iedereen weer op de grond staat, kunnen we vertrekken. Maar niet met motorkracht, maar met handkracht. Er mag geen geluid gemaakt worden.

Vijf man duwen de wagen het terrein af naar de weg, Sjang aan het stuur en ik, met een deken over de benen, naast hem in de cabine. Die deken is nodig, want het vriest licht en er zitten geen ruiten meer aan voor- en zijkanten van de cabine. Op de straat gekomen gaat het, al duwende, door twee straatjes, tot we op een soort bredere boulevard komen. Daar wordt de auto langs de kant gezet. Al deze rompslomp is nodig om niet de aandacht van de gasten, beneden, te trekken. Inmiddels is het bijna 7 uur geworden en nog donker. Ieder zoekt zijn plaats op voor de reis en bereidt zich voor op de tocht. Nu komen de kledingstukken, die in het gemeentehuis van zolder zijn gehaald zoals uniformjasjes en -broeken, leren vesten en jasjes, goed van pas. We hebben allemaal onze zwarte brandweerhelm op. Deze helmen bestaan uit zwartgemaakte helmen van het Nederlandse leger. Sjang probeert de motor te starten, maar het blijkt dat de accu bijna leeg is en dat de motor geen leven toont. De slinger wordt tevoorschijn gehaald en draaien maar jongens. Doch de motor laat het afweten. Ontsteking nakijken, drogen. Draaien, maar geen krimp. Benzinetoevoer onderzoeken, draaien, geen plofje. Daar staan we dan, wat nu, hoe komen we weg.

Maar zonder geluk vaart niemand wel, daar komt Geert Hendrikse, de monteur van de brandweerkazerne, op weg naar zijn werk in de "Pope" voorbij. Hij ziet ons staan, komt naderbij en vraagt wat er aan de hand is. Als hem de moeilijkheden zijn verteld, duikt hij onder de motorkap, probeert dit en probeert dat. De slingeraars draaien zich het apezuur. Maar hoera! Een korte plof, de motor raast. Hij loopt goed door. Geert vraagt waar we heen moeten. We zeggen dat we naar een andere standplaats, buiten de stad moeten. Dan, ajuus en Geert gaat verder. Het is inmiddels half acht. Als iedereen zijn plaats heeft ingenomen schakelt Sjang de versnelling in. Onze reis is begonnen. We rijden. We hadden afgesproken, dat we zouden proberen om bij Straelen, dat ten Zuid Oosten van Venlo over de grens ligt, via een klein grensovergangskantoor, in Duitsland te komen.

Zodoende rijden we door de buitenwijken van Venlo daar naartoe en zitten al gauw op de grensweg. Als we de grens bereiken zie ik dat het inderdaad om een klein vierkant gebouwtje gaat, dat op een open vlakte staat. Spanning stijgt. Als we dichtbij zijn gaat de deur open en een militair komt naar buiten.

Sjang stopt, stapt uit en gaat naar de man toe. Het volgende verhaal hoor ik aan: " Wohin soll es gehen? Nach Groningen um die Evacuation von Venlo vor zu bereiten. Wozu dann den Feuerwehrwagen mitgenommen? Sonst faellt er in Haende der Englischen."

Is de man achterlijk, heeft ie geen zin zich in te spannen of denkt ie: die pikken ze onderweg wel? In ieder geval klinkt het: "Schon gut, fahren." Pfoeh. Eerste barriere genomen. En nu naar Geldern, vanwaar we in oostelijke richting naar de brug over de Rijn, bij Wesel, moeten zien te komen. Niets spectaculairs onderweg. Het is mooi weer en het korte ritje volgt ontspannen. We rijden Geldern in en naderen na korte tijd de straat waar we rechtsaf moeten. Maar ziedaar, een nieuw evenement schijnt voor ons op te duiken. Op de hoek van de straat staat een officier met 2 soldaten. De officier stapt op de weg. Spanning stijgt. Hand wordt opgestoken en Sjang stopt. Bij het portier gekomen, vraagt de officier of we soms naar Wesel gaan. Ja, zegt Sjang. En dan wordt beleefd gevraagd of de beide soldaten mee mogen rijden naar Wesel. Waarop, "Ja, graag", geantwoord wordt. Later blijkt, dat bij Sjang, net als bij mij, de gedachte opkomt, dat het wel eens een goede camouflage zou kunnen zijn. De soldaten, Fallschirmjaeger, zo te zien aan hun uniform, stappen op de auto. Op de banken is nog een plaats vrij. De andere klimt op de tank, bij de ladders, die op een stellinkje liggen. Spanning gezakt. We rijden de straat in. Een eind voor ons rijdt een militaire vrachtauto. We naderen een plein met een groot kruispunt. En weer schrik, de vrachtauto wordt aangehouden door de Feldgendarmerie. Controle. Om het plein heen, achter plantsoentjes, langs de huizen, loopt een ventweg. Sjang heeft de tegenwoordigheid van geest, om direct, linksaf, die ventweg in te rijden en dan de straat linksaf in te slaan. Een eind verderop gaat een straat rechtsaf. Sjang volgt die, neemt de derde straat rechts en komt weer op de hoofdstraat. Linksaf en ziedaar, de gecontroleerde vrachtauto (LKW in het duits) rijdt voor ons. We ontspannen een beetje. Een beetje want je weet maar nooit wat je weer te wachten staat.

Maar de eerstvolgende ca. 15 a 20 Km. gebeurt er verder niets. We rijden door een prachtige bosrijke streek. Bijna geen verkeer. En dan naderen we het grote kruispunt van onze weg met die van Kleef naar Duisburg. En ja hoor, daar komt waarschijnlijk weer een kink in de kabel. Midden op het kruispunt staat een Feldgendarm, met zo'n pannekoek, als van de verkeerspolitie, in zijn hand. Pannekoek omhoog.

Sjang houdt in. Maar dichterbij gekomen treedt de man terug, lacht en roept: "Ah Feuerwehr, los." En groet met zijn hand. Onze beschermengel heeft weer goed werk gedaan. Maar, nu gaat het komen. Na een Km. of 10, moeten we bij de brug over de Rijn komen en daar zal wel een strenge controle zijn. Want Sjang beweert dat alle rivierkruisingen van de Rijn zwaar bewaakt worden, omdat de Rijn de laatste linie is om Duitsland te beschermen tegen de geallieerden. Ik voel de spanning in mij stijgen en ik denk bij Sjang ook. Maar dat is zo'n kouwe, brutale optimist, kan je niets aan zien. Dus afwachten maar. Dan naderen we de oprit van de brug. We rijden de brug op en, ja hoor, midden op de brug is een wachtpost gebouwd. De adrenaline giert door het lichaam. De militairen staan klaar, een tegenligger wordt gecontroleerd en wij moeten stoppen. Een officier komt naar het portier van Sjang en zegt: "Papiere bitte."

Sjang begint uitvoerig zijn ceintuur los te maken. Dan worden, ook weer uitvoerig, de knopen van zijn leren jas losgeknoopt. Alles in een rustig tempo. Maar de officier wordt ongeduldig en gaat naar de achterzijde van de auto om de papieren van onze gasten, de Fall schirmjaeger, te controleren. Inmiddels komt bij mij, aan de rechterzijde van de auto, een onderofficier. Hij vraagt mij: "Wo sind die Papiere?". Ik zeg: " Sjang, wo sind die Papiere?" Sjang roept naar de man: "Die hat der Leutnant". De man keert zich af, loopt rustig naar de achterzijde van de wagen. Maar voordat hij helemaal achteraan kan zijn, klinkt van linksachter de stem van de luitenant, die roept; "Los, fahren". Sjang zit al klaar, schakelt in en we rijden weg, zo gauw als het beest maar vooruit wil.

De brug af en dan linksaf en op een plaats, waar we vanaf de brug niet gezien kunnen worden, dumpen we de soldaten. De adrenaline komt tot rust. En nu maar rijden en zo snel mogelijk bij dat militaire en stadsgedoe vandaan. Als we uit de bebouwing raken, zien we voor ons een soort landweg die door een open landschap loopt. De spanning zakt langzamerhand weg. Ik denk bij mezelf, zouden er nog meer van die kritieke toestanden optreden? In ieder geval moeten we toch weer ergens de Nederlandse grens passeren.

Sjang heeft gedacht dit tussen Anholt en Gendringen te proberen, omdat daar niet zo'n grote hoofdweg is. Tot nog toe heeft Sjang er ons behoorlijk doorgesleept en ik vraag mij af hoe dat komt. Is hij zo brutaal, gokt ie maar wat, of is hij zo'n goede psycholoog dat hij aanvoelt hoe zo'n Mof zal reageren? Ik weet het niet, maar hij heeft het hem gelapt. Of was het toch het werk van onze beschermengel? En zal deze ons overal doorslepen? Maar goed, voorlopig rijden we en genieten van het landschap. Links verderop de Rijn. Rechts open veld hier en daar een boerderijtje, wat bomen, een sloot, enz. Kortom een vredig landschap in oorlogstijd. Heee..., wat krijgen we nou? De wagen schokt, loopt weer door. De motor hokt, loopt weer een eindje door en dan al hokkend en schokkend komt alles tot stilstand. Panne? Een stel slingeraars pakt alweer de slinger, anderen openen de motorkap en controleren eerst alle draden en kabels. Alles OK. Stroomverdeler schoon. Onderiussen nog eens aanslingeren. Totaal geen leven. Luchtfilter eraf. Carburator schoon zo te zien, met de sproeiers niets aan de hand. Dan maar eens het handel van de benzinepomp bedienen. Hee, wat gaat dat licht. Pompen en dan deksel van de vlotterkamer open. Leeg. Geen benzinetoevoer. Benzinepomp los en onderzoeken. En dat is het waarschijnlijk. Die pomp is een membraampomp, waarbij het membraam via een handel met een nok erop, door de nokkenas bediend wordt. De handelnok drukt het membraam omhoog, waardoor de benzine aangezogen wordt. Het blijkt dat de nok versleten is. Daarom ging het handpompen zo licht, er was geen weerstand meer. Dus geen benzine meer en daar sta je dan. De eerstvolgende grotere plaats is Rees, dat aan een bocht in de Rijn licht. Maar die is zo'n 20 Km. verderop. Om over die afstand die zware wagen te duwen, is natuurlijk onmogelijk. Hulp om te slepen, hoef je niet te verwachten, want er is geen particulier vervoer. Dus moeten we ons op een andere manier zien te redden. Er wordt druk gedelibereerd, voorstellen gedaan, spullen gezocht, enz. En zo komt er een oplossing tot stand. Van een leeg, oud olieblik van 5 Liter, dat als reserve in een van de kastjes stond, wordt een deeltje van de bovenafsluiting losgesneden met een mes. Dan wordt er aan weerszijden een gaatje in geprikt. Daar doorheen een ijzerdraad. (In de rommelkast van de auto liggen nogal eens spulletjes, die ergens van pas kunnen komen) Bus ophangen, linksboven aan de cabine bij de voorruit, aan een schijnwerpervoet. Nu de slang van de ruitenwisser demonteren, waardoor we een slangetje hebben van ca 2 Meter (Deze ruitenwisser wordt nl. normaal pneumatisch aangedreven). Bus eraf en meenemen naar de benzinetankdop. Slang in de benzine steken, bus op de grond, zuigen aan de slang. Benzine komt (wat een rotsmaak), slang in de bus en die komt vol. Bus weer ophangen, slang erin en we kunnen benzine hevelen. Maar nu moet die benzine nog in de carburator komen. De slang is zo dun (ca 8 mm van buiten), dat er geen mogelijkheid is hem aan de carburator of een leiding aan te sluiten. Oplossing? Een man op het linkerspatbord, motorkap open en luchtfilter weg, De man op het spatbord kan nu door hevelwerking benzine krijgen en deze druppelsgewijs in de carburator laten vallen. Simple comme bonjour. Dacht je.

Wim Stronk biedt zich aan om als druppelaar op te treden. Hij trekt zijn wollen wanten aan, want het vriest nog altijd licht, en nestelt zich op het spatbord. Zuigt aan de slang en knijpt die dicht als de benzine komt.

Dan gaan de slingeraars aan het werk De motor wordt aangeslingerd. Druppeltjes benzine in de carburator. En ja, een plofje. Zo, nu nogmaals een paar keer geprobeerd En waarachtig het lukt. Chauffeur en druppelaar stemmen op elkaar af en de motor loopt. De motorkap wordt gedemonteerd en op de ladders gebonden. Opstappen en proberen te rijden. Ja hoor, het gaat. Rustig rijdt Sjang weg en het gaat tamelijk regelmatig. Zo nu en dan een haperingetje. Maar we rijden. Het tempo ligt nog niet hoog. Van stapvoets klimt het op. Ineens een plofje, een vlam uit de carburateur, de motor slaat terug. Wim zijn want, doordrenkt van benzine, vliegt in brand. Sjang stopt abrupt. Wim springt van het spatbord, trekt zijn want uit. Maar hij laat dus de slang los en benzine loopt over de motor, die dan overal in vlammen staat. Wim grijpt intussen de slang weer en knijpt die dicht. In dezelfde tijd is Sjang links op straat gesprongen en ik rechts met de deken in mijn hand. Ik gooi de deken over de motor. Brand geblust! Dit alles vindt tegelijkertijd plaats, binnen enkele seconden en zonder een woord. Mijn been protesteert met hevige pijn. Na enige bereddering, is alles weer in de oude toestand. Wim gaat weer voorop, maar zonder want, Sjang en ik naar binnen en als de motor aangeslingerd is, de anderen weer op de banken. Weer rijden met een slakkengangetje en dat opvoeren. Het gaat een paar Km. steeds heter en dan weer een terugslag van de motor. Uit de carburator een grote vlam. Maar Wim heeft de slang nu dichtgeknepen. Een van de mannen is van de wagen gesprongen, heeft een handvol zand uit de berm gepakt en gooit dat in de carburator, in plaats van deze dicht te houden met een of ander voorwerp. Gevolg, wel brandje geblust, maar carburator demonteren en schoonmaken, maar ook dat wordt geklaard.

Opeens zegt Paul: "Verhip, ik heb honger". En, ja hoor, aan alle kanten wordt hetzelfde geconstateerd. Nu merken we pas, dat we sinds gisterenavond niet gegeten hebben en sinds vanmorgen niets gedronken. Marcel, die vanmorgen alle bagage in de tank gestouwd heeft, kruipt er weer in en geeft op aanwijzing, tassen, zakken of anderszins, waarin wat proviand aanwezig is, aan en bergt gelijk de spullen weer op. In de straalpijpkast staat een kleiner type melkbus met water, die daar gisterenmiddag is opgeborgen. Er zijn enige bekers bij. Het water is ijskoud maar nog met bevroren. Ondertussen wordt er heen en weer gedrenteld om de voeten warm te krijgen, want stil zitten op de banken, in de kou, valt niet mee. Nu gaat het verder op de dezelfde wijze. Na zo'n 15 bijna storingsvrije Km's naderen we de plaats Rees. De weg loopt langs de Rijn maar Rees zelf ligt iets naar rechts verder het land in. Maar we hebben weer geluk, we hoeven, in het dorp Rees zelf, niet naar een werkplaats te zoeken, waar we de nok van de brandstofpomp zouden kunnen laten oplassen. Links tussen Rijn en weg staat een ouderwetse smederij. Het woord "Schmiede" staat op de zijmuur.

We stoppen voor de deur en Sjang gaat vragen of men ons kan helpen. Dat schijnt mogelijk te zijn, maar we zullen moeten wachten, omdat zij aan een werkstuk moeten smeden, dat klaar moet. Wij gaan ook de werkplaats in, waar het lekker warm is. Er zijn 2 man aan het smeden en een derde kijkt toe en geeft aanwijzingen (waarschijnlijk de eigenaar van het smeedstuk). Het is een ouderwetse smederij met aan de voorkant grote deuren met veel glas (kleine raampjes). Ook achter en opzij ramen. Dus we kunnen de omgeving goed in de gaten houden. Het wachten duurt wel lang. Intussen is de benzinepomp door Rinus gedemonteerd en de handel ligt klaar om opgelast te worden. Als we zo bijna een half uur gewacht hebben, zien we op de weg 2 zwarte figuren, met tussen hen in, een paar burgers. We vragen wat of dat voor kerels zijn en horen dat het Nederlandse landwachten (NSB-ers) zijn, die een paar Nederlanders opbrengen. Dit komt nogal eens voor. Het zijn meestal Nederlandse jongens die uit Duitsland de benen willen nemen en via Emmerich de grens over willen. Zij worden dan geinterneerd in een klein kasteeltje verderop, waar veel NSB-ers zitten.We kijken elkaar aan en denken: dit is link, als ze zich met ons gaan bemoeien en ons verraden, weten we niet wat ons te wachten staat. Dus wegwezen en maar zien hoe we verder komen afscheid nemen en bedanken voor de warmte. Oliebus met benzine vullen. Pomp weer monteren. Zelfde rituelen als vorige keren en rijden. De motor doet het goed. Maar nu ligt niet Wim, maar Sjang op het spatboord en Wim zit aan het stuur. We gaan nu richting Anholt, via Isselburg en hebben tot de grens nog zo'n 20 Km. te gaan. Het loopt tegen vier uur. Straks gaat de schemer intreden, dus hopen we dat we onderweg geen oponthoud hebben. Het zal moeilijk worden om in een vreemd gebied, zonder straatlantaarns, in het donker de juiste weg te vinden.

We rijden n.l. langs landwegen om zo min mogelijk op te vallen. Maar het gaat tamelijk vlot en we kunnen bij Isselburg nog goed de weg naar Anholt vinden. Daar begint de eerste schemer te vallen. We moeten zoeken naar de weg naar de grens. Er zijn in heel Duitsland geen richtingborden te vinden in oorlogstijd.

We rijden dan ook verkeerd en komen achter Anholt terecht. Terug en zoeken. En uiteindelijk komen we de rails van de Gelderse Tram tegen. Deze tram rijdt van Gelderland naar Anholt. Dus zitten we nu wel goed en gaan we het spoor volgen. Het is echter geen spoor met de algemeen gangbare maten, het is veel smaller. Bovendien ligt het vlak langs de bestrating. Tussen de beide rails is het niet opgevuld met plaveisel, zodat het een diepe goot vormt. Het is inmiddels al behoorlijk donker en de weg is nog maar net te zien. We rijden dus vrij langzaam, totdat bijna niets meer te zien is. Zodoende schiet het rechtervoorwiel op een gegeven moment in de spoorgoot. Wat Wim ook probeert, hij komt er niet ult. Ook het achterwiel schiet er in. Maar gelukkig bij een inrit van een weiland is het geplaveid en komen we er uit. Dit gebeurt nogmaals en dan overleggen we wat we doen moeten We hebben geen licht op de auto, door de kapotte accu. Maar Marcel zegt dat er een zaklantaarn in een van de kasten moet liggen en als hij die neemt en op het rechterspatbord gaat liggen, dan kan hij de rechterstraatzijde belichten. Hij vindt de lantaarn en gaat zich op het spatbord nestelen. Op dat moment komen 2 jonge soldaten opdagen aan het portier van Wim en vragen of zij mee mogen rijden naar Gendringen. Ik raad Wim aan het te doen, omdat zij waarschijnlijk de weg weten. Zo gezegd zo gedaan. Op elke treeplank staat nu een soldaat en we gaan weer rijden. Het is nu wel iets verbeterd door de zaklantaarn, maar het gaat toch nog langzaam. En dan horen we het geluid van een auto achter ons. en Wim wijkt naar rechts. Een LKW rijdt ons kalm voorbij. Hij heeft kleine lichtjes voor en een rood lichtje achter. Ik zeg: "Pal er achter Wim, hij weet de weg". Wim trekt op en komt vlak achter de wagen te rijden. Nu gaat het lekker vlot en zo rijden we een paar Km. Dan zien we dat de LKW met grote lichten knippert en in dat licht zien we een slagboom. De wagen rijdt nu met halflicht door en dan zien we de rood/witte slagboom omhoog gaan.

De LKW rijdt door en .......in het donker, wij er vlak achteraan. We zijn over de grens!!!! De moffen hebben niets gezien. Nu volgen we de LKW, totdat we op een grote brink terechtkomen. Hier stoppen we en de soldaten verdwijnen.

Lieve beschermengel, bedankt voor het zenden van de LKW!

Als we daar staan, om ons te orienteren, komt er een jongeman op de fiets voorbij, die vraagt of hij ons helpen kan. Door vragen en antwoorden bemerken we dat we met hem geen gevaar lopen en vertellen hem over de vlucht en ons doel. Hij vertelt ons dat we in Gendringen zijn en dat deze plaats vol NSB-ers zit, die op "Dolle Dinsdag" uit het Westen naar hier gevlucht zijn. Net als de NSB-ers bij Rees. (Op Dolle Dinsdag zijn veel militairen, NSB-ers en collaborateurs gevlucht, omdat gevreesd werd dat de geallieerden bij Arnhem over de Rijn zouden komen en naar het Westen zouden trekken. Dit is helaas mislukt.) Hij wil ons dan ook helpen om voor de nacht een veilig heenkomen te vinden en heeft daartoe een bepaalde boerderij op het oog, tussen Gendringen en Ulft. Hij zal voor ons uit fietsen om ons de weg te wijzen. Bij de boerderij zal hij eerst met de boer moeten praten.

Op de plaats van bestemming gekomen zien we in het donker de schimmen van enige grotere gebouwen. We wachten een paar minuten en dan staan er een stel mensen bij de wagen. Dat blijken de jongeman en de boer met 2 dochters te zijn. We worden hartelijk welkom geheten en moeten de boer, die met een lantaarn in de hand loopt, volgen tot achter een grote schuur en voor een soort heg, bestaande uit struiken. Hier kan de wagen vannacht veilig staan, ongezien vanaf de weg. We worden binnen genodigd en krijgen een beker warme melk. Het blijkt nu dat het gezin van de boer bestaat uit: vader, moeder en 4 dochters van ca. 15 tot 20 jaar. Wij krijgen als verblijfplaats de hooizolder boven de deel toegewezen. Daar ligt ook stro voor een slaapplaats. We hebben onze eigen dekens en beddengoed, zodat we een goed nachtlager in kunnen richten. De verlichting bestaat uit olielantaarns. Dan wordt ons verteld dat, in de tijd dat wij onze spullen uit de auto halen en ons boven inrichten, de meiden een warme maaltijd voor ons klaarmaken. Hetgeen alles geschiedt. En hoe. Het maal bestaat uit gekookte aardappelen, groente en spek met spekvet.

Er wordt geschranst. De meisjes zitten erbij. Er wordt gekletst en gelachen. De jongeman is ook aanwezig. Na het eten speelt Marcel op zijn mondharmonica en wordt er zelfs even gedanst. Het is een gezellige boel na een spanningsvolle dag. Op een gegeven moment, zegt de jongeman tegen mij:" Ik stel voor dat u, in verband met uw geblesseerde been, met mij meegaat en dat u bij ons thuis slaapt. Mijn moeder kan dan eens naar uw been kijken. Ze heeft wel verstand van een en ander". Natuurlijk neem ik dit dankbaar aan, nadat de anderen mij allemaal aangeraden hebben dat te doen. Zo kruip ik dus de trap weer af. Mijn spullen worden me nagedragen en na mijn grote dankbaarheid aan de familie betoond te hebben, kruip ik achter op de fiets. Het gaat richting Ulft. En nu blijkt dat ik achterop zit bij de zoon van de bedrijfsleider van de Dru-fabriek en ijzergieterij, die de bekende B.K.-pannen fabriceren. We stoppen voor een vrijstaand huis, stappen af en via een tuinhekje lopen we naar de achterkant van het huis en gaan de keuken binnen. In de keuken staat mevrouw. Nu heeft voor het eerst de echte kennismaking plaats met de jongeman. Het blijkt de familie Citters te zijn en de jongeman heet Kees. Kees is 24 jaar oud en werkt ook bij Dru. Als het verhaal van onze reis verteld en mevrouw het helemaal eens is met Kees, dat ik daar zal verblijven tot morgen en dat mevrouw mijn been zal controleren, gaan we in de huiskamer en worden nog wat nadere persoonlijke gegevens uitgewisseld. Daarna wordt ik naar een logeerkamer gebracht, waarnaast zich een badkamer bevindt. Hier is een vaste wastafel waar ik mij eens lekker kan wassen. Zeep en een grote handdoek zijn aanwezig.

Mevrouw vraagt of zij nu naar mijn been moet kijken, of dat ik mij eerst wassen wil. Ik stel het laatste voor, omdat ik mij tamelijk vies voel na alle gebrekkige onderhoudmogelijkheden van de laatste maand.

Mijn toiletartikelen, ondergoed en pyjama zitten nog in de auto. Derhalve krijg ik een pyjama van Kees te leen. Nadat ik mij heerlijk gewassen heb en de pyjama aangetrokken, komt mevrouw en wordt mijn kuit gecontroleerd. Aan de buitenkant is niet veel meer te zien dan de resten van een bloeduitstorting. De kuit is echter wat opgezet en doet bij aanraking behoorlijk pijn. Er moet dus binnenin een flinke beschadiging zijn. Eigenlijk zou ik zo gauw mogelijk naar een dokter moeten gaan, maar dat is onder de omstandigheden niet mogelijk. Dus moet dat uitgesteld worden tot we op de plaats van bestemming komen. Als ik in bed stap, weet ik niet wat mij overkomt, heerlijk frisse witte lakens, een kussen met sloop en wollen dekens.

Ik val dan ook gauw in slaap en slaap als een marmot.

Donderdagmorgen. Ik zit om halfacht aan een eenvoudig ontbijt met de hele familie Mijnheer Citters, die gisterenavond naar een vergadering was, is er nu ook bij. Na het ontbijt en na vele, vele dankbetuigingen mijnerzijds, gaat het weer achter op de fiets. Het is nu licht en om ca 8 uur zijn we bij de boerderij. De mannen zijn bezig de auto naar voren te halen en gereed te maken voor de reis. Als hij klaar staat en de motor uitgeprobeerd is, wordt er uitvoerig afscheid genomen van de familie. We stappen op en in, starten, rijden de weg op en willen wegrijden. Maar daar komt moeders en roept dat we stoppen moeten. Ziedaar, een van de dochters komt achter haar aan met een tondeksel waarop een grote stapel pannekoeken ligt. Voor het middagmaal, wordt er gezegd. We zijn allemaal met stomheid geslagen tot er een gejuich opgaat. Maar dan moeten we ook echt gaan rijden, het is over halfnegen. Daar gaan we dan.

Het is weer mooi weer en we rijden zonder moeilijkheden door de mooie streken, via Doetinchem, Zutphen, Deventer enz naar het Noorden, evenwijdig aan de IJssel. We kiezen na Doetinchem zoveel mogelijk secundaire wegen en om de grote plaatsen rijden we met een bocht heen. Zo gaat het tot voorbij Deventer en dan gaan we de IJsseldijk volgen. Alles gaat gelukkig aardig storingsvrij, voor de diverse functies wordt regelmatig van plaats gewisseld. Benzine in het olietankje gedaan. Stoppen voor een sanitaire stop, enz.

We zijn gewaarschuwd, dat er langs de IJssel door geallieerde straaljagers gevlogen wordt en dat die schieten op alles dat beweegt. Iedereen kijkt dus voortdurend voor en achter uit en zet zijn oren wagenwijd open. Afgesproken is, dat wanneer er ook maar een schijn van kans is dat er een vliegtuig nadert, om dan ogenblikkelijk te stoppen, van de wagen af te springen en langs de dijk te gaan liggen. Maar er gebeurt niets en we komen zodoende in de buurt van Zwolle, waar we weer langs allerlei achterweggetjes omheen rijden. Dan weer langs de dijk richting Meppel en Steenwijk. Onderweg houden we een heerlijk pannekoeken-maal in de buitenlucht, kijkend over een prachtig rivierenlandschap. Als we door Staphorst rijden zien we diverse vrouwen in hun Staphorster kleding, die nieuwsgierig naar die brandweerauto kijken, waar een kerel op een spatbord ligt. Om Meppel heen rijden we naar Steenwijk. Sjang zit weer aan het stuur en heeft geopperd dat we nodig onze voorraad benzine aan dienen te vullen om, op het laatste moment, niet voor een verrassing komen te staan. Dus zullen we hier in Steenwijk de stad in moeten om nog ergens een bezinepomp te vinden, of een garage die losse benzine verkoopt. We rijden de stad langzaam door zonder militairen of politie te zien gelukkig. Dan bij de brug staan voor een pand twee bezinepompen. Sjang stopt, stapt uit en klopt op de deur. En, ziedaar de eerste militair die we vandaag tegenkomen. Bovendien komt er nog een burger bij, blijkbaar de eigenaar van de pompen. En nu laat Sjang zich weer eens als brutale smoesjesmaker kennen. Er wordt op schouders geklopt en gelachen. En nu krijgt Marcel de opdracht een stuk of 15 tabaksbladen uit de watertank te halen. Intussen wordt er in onze tank 10 liter benzine geladen. Wat een geluk, dat iemand geopperd heeft die tabaksbladen mee te nemen. Terug in de auto, vertelt Sjang dat de soldaat een Oostenrijker is die opdracht heeft de benzine te bewaken. Hij is erg blij met de tabaksbladen omdat de rantsoenering niet erg vlot loopt en hij vaak zonder sigaretten zit. Vandaar wederom ons geluk. Inmiddels begint de duisternis in te treden en moeten we zien dat we voor het donker ergens een pleisterplaats vinden.

We rijden de stad uit in de richting van Frederiksoord en komen door een gehucht met enige boerderijen. Bij een van die boerderijen staan een grote schuur en nog enige bijgebouwen. Alles ligt nogal een aardig eindje van de weg af. Over de sloot is een brede dam. We rijden de dam en het voorterrein op en stoppen.Nu gaat Gerard erop af, om te onderhandelen over een mogelijk onderdak voor de nacht. Na een poosje komt hij opgewekt weer naar buiten met de boer en de boerin en deze twee heten ons welkom. We mogen de wagen achter de grote schuur zetten, waar hij van de weg weer niet gezien kan worden. Op de hooizolder mogen we ons voor de nacht nestelen. Ook hier krijgen we weer melk en worden we verwend met tarwebrood met jam. We slapen ook hier weer rustig tot de volgende morgen, ca 6 uur. De boel wordt weer opgeruimd en onze spullen in de tank geladen. We nemen afscheid en achteruitrijdend gaan we naar de dam. Wim zit aan het stuur. Het is nog schemerdonker, dus het pad moeilijk te zien. En dat blijkt wel, want bij de dam gekomen schiet het linkerachterwiel van de dam af in de walkantglooiing. Wim stopt direct, waardoor erger voorkomen wordt. Maar het blijkt dat het leed geschied is. Wat Wim ook probeert en met alle mankracht, die we ter beschikking hebben, lukt het niet de auto vooruit te krijgen. Daar hangen we dan. We hadden zo graag uit de bewoonde wereld willen zijn voordat het licht werd. Volgens de boer is er in de wijde omtrek geen motorvoertuig, dan de tractor van de melkrijder, die de melk bij de boeren ophaalt en naar de fabriek brengt. Maar die is om halfzeven al gepasseerd en komt pas tegen acht uur terug voorbij. Als hij om kwart voor acht voorbij komt, vragen we of hij ons er uit kan trekken. Hij wil het wel doen, maar hij moet eerst de melk naar de fabriek brengen en komt dan pas over ca drie kwartier terug. We zullen onze ziel in lijdzaamheid moeten bezitten. Tot nu toe zijn er nog geen militairen of politic langsgekomen. Ueberhaupt hebben we nog geen mensen gezien.

Even over half negen komt de melkrijder langs. Hij kan met zijn tractor net langs de auto de dam over.

Als de sleepkabel bevestigd is, gaat het trekken aan de gang. Voorzichtig doen ook de wielen van de brandweerauto mee en in totaal 8 man duwen en tillen. Het lukt, het achterwiel komt op vaste grond en Wim rijdt een eindje vooruit. Als we onze excuses maken dat we maar weinig als tegenprestatie te bieden hebben, voelt de man zich beledigd. Dacht je dat hij een beloning wilde hebben van mensen die zo iets gewaagd hebben? Die hulp was vanzelfsprekend. Ca negen uur rijden we weg, richting Frederiksoord en Noordwolde. Na zo'n zeven Km. rijden we Frederiksoord in. Na een paar honderd meter vinden we aan een pleintje een fietsenzaak met een grote werkplaats. Buiten staat ook wat landbouwapparatuur. Het zou wel eens kunnen gebeuren dat men hier de pompnok op kon lassen. En ja dat kan, en nog gratis ook. Om een uur of tien is de zaak klaar en kunnen we de pomp weer monteren. Dan met de hand de pomp bedienen om weer benzine in de carburateur te krijgen. De motor wordt aangeslingerd en, hoera, hij loopt. Zo nu en dan wat stotteren. En dan loopt ie zonder man op het spatbord. En nu wegwezen, naar Noordwolde, voor Sjang betekent dat, naar zijn vrouw en kinderen. Noordwolde ligt ca 7 Km. verderop.

We arriveren voor het tuinhek van het huis van Sjang's schoonfamilie om tien voor twaalf op Vrijdag 15 December, 1944. Missie Noordwolde volbracht. VLUCHTPOGING II GESLAAGD!! De familie en de overburen zijn gealarmeerd door het geluid van de auto en de claxon. De vrouw van Frank komt aanrennen met twee kinderen achter zich aan, evenals de schoonouders Sjang vliegt erop af en verder hoef ik dan niets te vertellen. Wij stappen dan ook uit en af. En op het boerenerfje wordt druk kennisgemaakt en overlegd. Het huisje is natuurlijk te klein voor dit grote gezelschap, zodat schoonvader naar de overburen stapt om te overleggen. Wij gaan mee, behalve Sjang, en die zien we voorlopig niet meer. De overbuurman, Sieger Bakker, is ermee accoord dat we voorlopig de auto achter de schuur mogen zetten en zal ook weer op de hooizolder, plaats voor ons maken om daar te verblijven. Intussen zal hij proberen voor ons een definitief onderkomen te vinden. Dit is dus het begin van een verblijf in Noordwolde.





© Sion Soeters 2002 - 2013








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home