Tweede Wereldoorlogervaringen


                     
Vluchtpoging van Otto

13 man zijn nu op de wagen geklommen en spitten ijverig het zand in het gat. De beide oppassers staan samen voor de wagen bij het gat en zien toe hoe het gaat. Drie man ontbreken en staan aan de andere kant van de wagen, tegenovergesteld aan de oppassers. Zoals je begrijpen zult, zijn wij dat, Jaques, Rinus en ik.

De beide ambtenaren hebben elkaar blijkbaar veel te vertellen, want kletsen aan een stuk door, zonder dat zij veel aandacht aan het werk en de omgeving schenken. Zo nu en dan verhuizen ze van de ene kant van de wagen naar een andere kant en kletsen verder. Wij drieen gaan dan aan de tegenovergestelde kant staan, zorgen dat wij steeds uit het gezicht blijven. De 13 spitters gaan ijverig door en zien ons ook met. Maar zoetjesaan wordt het schemerig en het werk is nog niet klaar.

Inmiddels hebben wij ontdekt dat zo'n vijftig meter verderop een spoorwegovergang is, waarvan de bomen open staan. Hier zijn ook de eerste huizen van een woonplaats te zien. Later blijkt dat deze stad Kempten heet. Wij maken nu de afspraak, dat als de oppassers aan die kant van de wagon gaan staan, die tegengesteld aan de richting van de spoorbomen is, dat wij dan rennen naar de lorrie, onze spullen pakken, die voor het grijpen liggen, en dan doorrennen naar de spoorwegovergang. Dan komt onze kans. De oppassers slenteren naar de linker-kopkant van de wagon en wij gaan naar de andere kopkant. Als zij stil staan, met de ruggen naar ons toe rennen wij naar de lorrie, grijpen in het voorbijgaan onze spullen en rennen verder langs de spoorlijn naar de spoorwegovergang. Daar aangekomen raken wij uit het gezicht van de mensen op en bij de wagon. Gedekt door de huizen rennen wij naar een weg, die haaks staat op het straatje waar wij lopen. Daar aangekomen slaan wij linksaf en verlagen ons tempo.

Inmiddels is het al belangrijk donkerder geworden en zien wij geen mens op straat. Voor ons uit zien wij in de verte de hemel verlicht door zoeklichten. Dat moet dus de richting zijn waarin Nederland ligt en het front bij de Peel. Toen wij in de dagen ervoor bij Krefeld ronddoolden bespraken wij wat wij zouden doen als wij de kans kregen om de benen te nemen. Ons hoofddoel zou dan zijn om te proberen in de richting van het front te komen en dat zo mogelijk over ons heen te laten trekken, zodat we op bevrijd gebied zouden zijn. Dus buiten de bebouwde kom gekomen zetten we de pas erin, in de richting van de hel verlichtte hemel (horizontaal natuurlijk). De buitenweg waarop wij lopen gaat in deze richting, zodat wij hem blijven volgen.

Na verloop van tijd bereiken wij een kanaal waarlangs de weg zich vervolgt. Aan de overzijde zie je hier en daar de silhouet van een gebouw wat er uitziet als een boerderij.

Inmiddels komen wij tot het besef dat wij zo niet de hele nacht door kunnen lopen, zonder te weten waar wij uitkomen. We overleggen wat wij zullen doen en besluiten dat wij ergens op goed geluk bij een boerderij zullen aankloppen voor een nachtelijk onderdak. En op een gegeven moment zien we aan de overkant van het kanaal weer een boerderij-silhouet met, een eindje verderop een brug. Wij erheen en inderdaad is het een grote boerderij. Door een kiertje van een gordijn zien we wat licht. Men is dus nog op.

Dan met kloppend hart naar de voordeur en aanbellen. De boer zelf doet ons open. Aangezien ik de enige ben die Duits spreekt, doe ik het woord en vertel hem, dat wij op weg zijn naar de Nederlandse grens om van daaruit naar Rotterdam te kunnen komen, omdat wij ten onrechte naar Duitsland zijn gevoerd. Ik vertel hem ook dat ik bedrijfsleider in Motorenfabriek Deutz ben en nooit afgevoerd had mogen worden. En dan, o schrik, zegt hij, dat hij enige militairen in huis heeft en met hen wil overleggen. Na enige tijd komt hij met een onderofficier in de hal. Weer het hele verhaal vertellen, en, wat een opluchting, zijn advies aan de boer is: "Geef ze wat stro in de stal en laat ze morgen heel vroeg weer vertrekken".

In de stal krijgen we een berg stro en vertelt de boer dat hij ons om vijf uur zal wekken. Het is lekker warm in de stal en inderdaad wordt er die nacht door ons geslapen. Om vijf uur worden we gewekt en krijgen we ieder een appel als ontbijt. Dat is niet zo erg, omdat wij zelf nog wat brood bij ons hebben. De boer vertelt ons nog, dat als wij de weg aan de overkant van het kanaal volgen, dat we dan vanzelf aan de Nederlandse grens komen. Zo gaan we dus weer op stap in het donker. Stevig doorstappend zien we het allengs lichter worden. Tegen zeven uur zien we links van ons in de verte een grotere plaats, maar wij blijven de weg volgen naar het westen. Een kwartier later zien we een ons tegemoet-komende fietser. Wij hopen dat deze ons zal kunnen vertellen waar wij ongeveer zijn en hoe we verder moeten gaan om aan de grens te komen.

Het blijkt een Hollandse grensganger te zijn. Deze jongens werken vrijwillig in Duitsland en voorkomen daarmee dat zij gedeporteerd worden, ergens in Midden-Duitsland. Elke avond zijn ze weer gewoon thuis. We vertellen ons verhaal en vragen hem waar we ons bevinden en wat we nu verder het beste kunnen doen. Hij vertelt ons dat wij net Grefrath gepasseerd zijn en dat we, als we rechtdoor gaan, in Hinsbeck komen. Daar moeten wij, vanaf de straat waarop wij binnenkomen, de tweede straat links ingaan en komen dan, deze weg volgend, in Kaldenkirchen. Maar voordat we in Kaldenkirchen zelf aankomen zullen we aan onze rechterhand een vliegveldje zien. Links van dat veld loopt een weggetje dat naar een klooster voert. Daar moeten wij ons melden en onderdak vragen. 's Avonds kunnen de mensen daar ons dan over de grens brengen naar Venlo. Nadat we hem hartelijk bedankt hebben, trekken we vol goede moed verder. Tegen acht uur zijn we inderdaad in Hinsbeck en gaan we de tweede straat links in. Maar al lopende bemerken we dat deze straat nergens naar toe voert. We hadden, blijkt achteraf, het eerste kleine weggetje links niet mee moeten tellen. Dus wij weer terug naar de straat waar we de stad binnenkwamen en links af naar de volgende grote straat. We passeren het politiebureau zonder opgemerkt te worden, precies om acht uur.

En dan! Oh pech! Daar komt ons een politieman op de fiets tegemoet die, blijkbaar, zijn dienst moet beginnen. We worden aangehouden, want ongeschoren en met rugzakken en tassen en met inmiddels verfomfaaide kleding zien we er uit als zwervers. Bovendien hangt de lysollucht van de barak nog om ons heen. Dus: "Stinkende Auslaender" We worden opgebracht naar het bureau waar we nog bijna voor staan. Binnen moeten we weer allerlei smoezen vertellen. De man die ons opgebracht heeft gaat ergens anders telefoneren. Intussen zegt de collega die al in het bureau aanwezig was, dat de ander een reuze dienstklopper is. Als die laatste weer binnenkomt worden we met zijn drieen in een cel gezet. Hier kouwen we de etensbonnen van Krefeld tot een papje en proppen die in een scheur in de muur, opdat zij er niet achter kunnen komen waar we vandaan gekomen zijn. Na een kwartiertje mogen we de cel verlaten en wordt ons medegedeeld dat de dienstklopper ons naar Kaldenkirchen naar het hoofdbureau van politie zal brengen. Dit brengen houdt in dat meneer achter ons aan loopt met zijn fiets aan de hand en op de fiets zijn geweer. Wij drieen lopen naast elkaar en kletsen en maken lolletjes, Waarschijnlijk om onze spanning te verbergen.

Onderweg komen we een groep Russische meisjes tegen onder de hoede van een vrouwelijke bewaakster. Er wordt gelachen en elkaar toegeroepen, maar verstaan doen we elkaar met. Eigenlijk zijn dit de enige mensen die we vandaag tegenkomen En nu herinneren wij ons dat de fietser van vanmorgen ons verteld heeft, dat het Rijnland geevacueerd is, er wonen dus geen mensen meer. Rinus begint te klagen dat hij bijna niet meer lopen kan. Blaren aan zijn voeten. Als we dat aan meneer vertellen, die ons opjutte om sneller te lopen, zegt hij dat het onze eigen schuld is en dat we op moeten schieten. Jaques en ik nemen Rinus tussen ons in, deze slaat zijn armen om onze schouders en zo hangend loopt hij mee. Onderweg zien we rechts nog een deel van het vliegveldje, maar dan zijn we al gauw in Kaldenkirchen en bij het hoofdbureau. Hier worden we overgedragen aan een Feldgendarm, die ons in een grote kamer brengt, vol met mensen. We zien leden van de Feldgendarmerie, van de Gruene Polizei, van de Gestapo enz. We worden voorgeleid aan de Gestapo. Hier houd ik een heel verhaal over het schandaal van onze deportatie. Ik maak me zelfs z.g. woedend, en vertel dat ik dringend naar Rotterdam moet. Ondertussen raak ik toch een beetje gerustgesteld, want ik hoor een van de Gestapomensen tegen de anderen zeggen: "Wass muessen wir mit den Leuten,wir wissen ja selbst nicht wo wir hin sollen".

Uiteindelijk worden we in de kelder afgevoerd. Daar staat een groot houten schot met een deur erin met een hangslot. Binnengelaten door die deur, zien we een tamelijk grote ruimte, waarin een lange tafel, enige banken en een aantal stoelen. Het licht komt door een kelderraam met tralies, het is dus tamelijk duister. Maar al gauw zijn je ogen erop ingesteld en kan je de hele ruimte overzien. Dan zien we in een donkere hoek een paar aan elkaar geschoven stoelen, waarop een figuur ligt te slapen. Hij wordt wakker en vertelt ons dat hij Venloenaar is, gedeporteerd naar Midden-Duitsland en dat hij vandaar is komen lopen en vanmorgen opgepakt werd bij het vliegveld. Later blijkt ons dat hij de gek van Venlo wordt genoemd. Een gehandicapte dus. Na enige tijd worden twee man binnengebracht. Deze komen uit Venray en zijn ook uit Midden-Duitsland komen vluchten en nu bij het vliegveld opgepakt.

Het wordt nu gezellig. Er worden verhalen verteld en moppen getapt en luidkeels vaderlandse liedjes gezongen. Ik zelf zet een paar knopen aan mijn colbertjasje. Dan worden weer drie man binnengebracht, Rotterdammers, ook weer opgepakt bij het vliegveld. Het blijkt dat zij in dezelfde trein hebben gezeten als wij, maar wij zijn in Keulen uitgeladen en zij zijn met die trein doorgegaan richting Aken. Bij Dueren is de trein gebombardeerd en hebben ze de benen genomen. Ze hebben 's nachts gelopen en overdag in hooibergen en stallen geslapen. Na vier dagen waren ze hier. De "gezelligheid" gaat door. Ondertussen hebben we de hele middag boven ons horen lopen. We hoorden buiten vrachtauto's rijden, deuren klappen, auto's wegrijden en boven ons hoofd werd het steeds stiller. Dan om vier uur gaat de deur open en wordt ons door dezelfde Feldgendarm mede gedeeld dat zijn chef weg is en dat hij ons door de grenspost zal loodsen naar de weg naar Venlo. Zonder moeilijkheden staan we dan op de Kaldenkerkerstraat in Venlo De Venloenaar rent meteen naar huis, de Venrayers volgen direct hun eigen weg. Daar staan we dan met zes Rotterdammers.

Bij de grens hebben de moffen ons gezegd, dat we ons maar moesten melden bij Villapark, waar men ons kan helpen om naar Rotterdam te komen. Dat vertrouwen we dus niet en aan de eerste de beste Venloenaar die we tegenkomen vragen we wat of dat voor een adres is. Het antwoord is dat dat het adres is, waar de SA gevestigd is en waar alle mannen zich moeten melden voor de "Arbeitseinsatz". Dus mooi niet melden. Na nader overleg besluiten we in de richting van de spoorbrug te gaan en te proberen daar over de Maas te komen, richting front. Optimisten! De brug is natuurlijk gebombardeerd en als we de spoordijk opklimmen worden we teruggebulderd. Dus moeten we ons heil zoeken in Venlo.







© Sion Soeters 2002 - 2013








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home