
|
Practisch werd met den arbeidsdienst eerst een begin gemaakt, toen in het jaar 1925 de leiders van de Deutsche Freischar in Coborn bij Hannover een kamp stichtte om in gezamelijken arbeid en gemeenschappelijke beoefening van spel en zang elkander beter te leeren kennen en hun levensinzicht te verdiepen en te verrijken. Vijftig studenten werkten vanuit dit kamp op de gronden en in de bosschen van een oud kasteel zes uren in den ochtend besteedden, de rest van den dag aan studie, gedachtenwisseling en ontspanning. Drie jaren lang bleef dit het eenige kamp in Duitschland. Eerst in 1928 kwam er een tweede bij in Silezië, waaraan niet alleen studenten, maar ook jonge boeren en arbeiders deelnamen. Van dien tijd af werden regelmatig nieuwe kampen geopend, zoodat er wéér drie jaar later, ongeveer een dertigtal geregeld bevolkt was.
Intusschen brak de wereldcrisis uit, met voor den Duitschen arbeider en vooral voor den jongen arbeider noodlottige gevolgen. Honderdduizenden liepen doelloos in de samenleving rond. allerlei organisaties poogden zich over hen te ontfermen en ten slotte sprong de rijksregeering in de bres -- eerst met een decreet, waarbij aan de rijksinstanties voor arbeidsbemiddeling en steunverleening de bevordering van den vrijwilligen arbeidsdienst werd opgedragen en vervolgens met een tweede decreet, dat ten behoeve van deze bevordering een crediet van zestig millioen rijksmark beschikbaar stelde, een crediet, waaruit de kampen, uit de vrije organisaties voortgekomen, ruimschoots konden worden gesubsidieerd. dit alles bleef echter een tamelijk halfslachtig experimenteren.
De nationaal-socialistische had over den arbeidsdienst bepaalde denkbeelden. Haar stond deze instelling voor den geest als een school voor goede staatsburgerschap, een school, die het heele volk zou moeten doorlopen. Op iederen jongen en ieder meisje zou de plicht moeten rusten, éénmaal in hun leven een half of een heel jaar te arbeiden, niet om te verdienen, maar om te dienen, om, zonder de kans zichzelf te verrijken, mee te bouwen aan de volkskracht en het weerstandsvermogen van het land. Reeds in 1928 dienden de nationaal-socialisten bij den rijksdag een voorstel in tot invoering van een verplichten arbeidsdienst. Dit voorstel werd verworpen in naam van de gedachte aan het verdienen. De sociaal democraten vreesden, dat de arbeidsdienst den vrijen arbeid te zeer zou beconcurreeren en stemden het voorstel af.
Nadat echter de de nationaal socialistische partij aan het bewind kwam, namen de zaken een snel verloop. Kort na zijn benoeming tot rijkskanselier benoemde Hitler kolonel Konstantin Hierl tot leider van den arbeidsdienst. Hoewel aanvankelijk geleidelijk het verrichten van arbeid in dienst van het volk verplicht werd gesteld voor verschillende groepen uit de jeugd, werd toch van dat oogenblik af regelrecht op den algemeenen arbeidsplicht aangestuurd. In den herfst van 1934 besliste de Deutsche Studentenschaft, dat iedere jonge man, die tot de universitaire studie toegelaten wilde worden, eerst een half jaar in een kamp van den arbeidsdienst moest hebben doorgebracht. Hetzelfde werd in Württemberg van de nieuw te benomen leeraren en hoogleeraren gevorderd. In Saksen werd de bepaling afgekondigd, dat niemand, die in aanmerking wilde komen voor den overheidsdienst, den arbeidsdienst mocht hebben overgeslagen. De bedrijfsleiders werden er middelerwijl toe aangespoord dienzelfden eisch te stellen aan alle jonge mensen, die zij in hun dienst zouden nemen. Ten slotte werd op 1 juli 1935 de arbeidsdienst verplicht gesteld voor alle jonge mannen in Duitschland, die tot het vervullen van dien dienst waardig en in staat werden bevonden.
Deze beide begrenzingen; waardigheid en vaardigheid konden slechts een betrekkelijk gering aantal van deelname aan den arbeidsdienst uitsluiten; enkelen, die zich zoo zwaar misdroegen, dat zij zich tuchthuis, eerverlies of een bestraffing wegens staatsgevaarlijke handelingen op den hals haalden, Joden en hen, die geheel en al ongeschikt werden bevonden tot enigen arbeid. Het ging dus niet als met het leger, waar hooge eischen worden gesteld aan lichamelijke welstand; ieder, die maar even arbeid kon verrichten -- lichten kantoor- of huisarbeid desnoods -- kreeg de gelegenheid zijn land, de gemeenschap van zijn volk met de kracht van zijn handen te dienen.
De gemeenschap van haar kant nam tegenover de deelnemers aan den arbeidsdienst de verplichting op zich, hen te voeden, te kleeden (hun sterke werkpak, hun laarzen, hun uniform met de merkwaardige half-pet-half-hoed krijgen zij bij de intrede in het kamp), hen te huisvesten (zij wonen soms mooi in een oud kasteel aan den Rijn, soms in steenen gebouwen, meestentijds echter in houten barakken midden in den schonen, vrije natuur) en hun in geval van beroepsongeval of ziekte de noodige geneeskundige behandeling te doen geworden.
Op die manier heeft Duitschland een arbeidsdienst met een geregelde bezetting van rond de 250.000 jonge mannen, die zich het heele jaar door in de kampen bevinden, waar zij onder leiding van een goed geschoold, in speciale kampen opgeleid kader, niet alleen werken aan de verhooging van de bodemproductie -- het groote object van den arbeidsdienst -- doch ook en vooral aan de vorming van zichzelf tot een goed arbeider en een goed dienaar van zijn volk.
Tot een goed arbeider, dat is tot een man met een gezond lichaam, een goed en standvastig karakter, een man even besluitvaardig als wilskrachtig, die geconcentreerd weet te werken, gestadig zijn hoofd bij den arbeid heeft, die de waarde van een goed werktuig weet te schatten en met zijn werktuigen goed weet om te gaan. tot een goed dienaar van zijn volk, dat is tot een man, die de leden van zijn volk waardeert, kameraden heeft onder alle standen, die zijn land kent en de problemen, welke voor dit land rijzen; die voor de leiding van dit land eerbied en ontzag heeft.
Ver is dus de Duitsche arbeidsdienst in zijn ontwikkeling uitgegroeid boven den oorspronkelijken opzet van de eerste jeugdkampen, waarbij enkele studenten vrijwillig hun diensten leenden voor het herstel van verwoeste gebieden of het dienstbaar maken van de gemeenschap aan de jeugdige werklozzen; de arbeidsdienst wordt thans beschouwd als een der groote middelen tot opvoeding van het hééle volk....
| ||||||||||||||||||||