Tweede Wereldoorlogervaringen


                                 Cornelis Verbeek


Nadat ik in 1944, in het voorjaar, mijn eindexamen achter de rug had, werd al gauw duidelijk voor mij dat ik niet lang zou kunnen genieten van schoolvrije dagen in mijn ouderlijke woning. Ik had enkele dagen voor mijn examen al een oproep gekregen per post, dat ik naar een militaire keuring in Winterswijk moest. Die oproep betrof dienst in de Nederlandse Arbeidsdienst, de NAD.
Ik wist dat ik moest kiezen tussen de NAD of onderduiken. Deed ik het laatste, dan bestond er kans, dat mijn pleegvader, hoofd der lagere school, opgepakt zou worden als gijzelaar. We hadden bewijzen in onze gemeente, dat men dergelijke personen fusilleerde of naar een concentratiekamp stuurde, als bepaalde orders van de Duitse Overheid niet uitgevoerd werden.

 


In geen geval wilde ik de oorzaak zijn van mijn vaders dood, dus ging ik naar de keuring. Daarna kreeg daarna een oproep om me op een bepaalde datum aan te melden op Kamp 433 in Hilvarenbeek, Brabant. Nu wist ik al van tevoren, dat ik desnoods door de Bezettingsmacht in de toekomst naar het oorlogsfront gestuurd kon worden.

Ik herinner me het afscheid op het station Doetinchem als de dag van gisteren. Vader was lijkbleek in zijn gezicht toen de trein binnenreed. Het was net of ik al op weg was naar het front, ondanks dat ik pas 19 jaar was. Maar lang piekerde ik niet, de reis naar het onbekende lokte.

De reis naar Tilburg met de trein ging zonder moeilijkheden, dit was immers de stad die het dichtst bij Hilvarenbeek lag. De bus naar Hilvarenbeek ging niet of was geheel opgeheven dus moest ik de hele lange weg naar het kamp te voet afleggen. Na enkele minuten zou ik "arbeidsman" genoemd worden. Hoe zou ik er uit zien in mijn groene uniform, die gedachte ging door mijn hoofd, toen ik plotseling bij een groot bos kwam. Aan de kant van de weg zat
een jonge kerel in een droge sloot. Ik vroeg hem de weg naar het NAD-kamp. "Ja, dat is daar waar het bos ophoudt, maar waar kom je vandaan? Je verliest je vrijheid als je je aanmeldt. Ik kan je helpen als je mijn hulp aanneemt", fluisterde hij tenslotte. "Ik kan zorgen dat je verdwijnt, dat zou niet de eerste keer zijn dat iemand verdwijnt in deze vreselijke oorlog! Hier heb je een adres, daar je naartoe kunt als je in nood zit", zei hij en gaf me een briefje met een adres erop. Ik piekerde een ogenblik. Was hij een spion of een agent. Wonderlijk dat hij zo dicht bij het kamp zat. Tenslotte bedankte ik hem, ik heb zijn adres nooit nodig gehad en zocht de ingang van het kamp 433 NAD op en meldde mij bij de Wachtcommandant.

Ik was nog niet lang binnen de poorten van het kamp, voordat de haat in mij kookte, dat deze beulen ons landje in bezit hadden genomen en dat ze met ons deden was ze wilden. Mijn burgerkleding ging achter slot en grendel en ik kreeg een donkergroen uniform aan dat eens tot het Nederlandse Leger behoorde en door onze soldaten was gedragen, maar toen waren ze grijs…
Zo begon het leven in de NAD: exercitie, schreeuwen, vloeken en werken als slaven. 's Morgens werden we als het nog donker was door officieren uit onze bedden geschopt met laarzen die met ijzer beslagen waren, als we niet direct zelf wakker werden. Het eten bestond uit een stukje brood en watersoep en enkele bonen erin. Zo zou ik kunnen doorgaan, maar dat zou een veel en veel te lang verhaal worden. Wij moesten dezelfde liederen zingen in het Nederlands, die de Duitse Wehrmacht zong in het Duits. Omdat ik zo erg goed was in de exercitie, werd ik uitgekozen om als wachtman bij de poort te staan, het geen betekende dat ik wat meer en beter eten kreeg. En niet zelden kwam de gedachte in mij op om op de vlucht te gaan, ik diende immers niet mijn Vaderland, maar mijn vijanden. Ik stond immers op wacht met mijn blinkende spade aan mijn schouder. De vluchtgedachte kwam steeds weer op in mij. En mijn krachten werden iedere dag zwakker, ik ging razend vlug neer in gewicht.

 


's Nachts gingen we stiekem naar een bewaarplaats van groenten, aardappelen, uien en wortelen, om deze rauw te eten. Gelukkig werd niemand van ons gesnapt. Vele kameraden leden aan dysenterie en 's nachts droomde ik van de lekkerste gerechten ter wereld. Als ik dan wakker werd kwamen tranen van wanhoop in mijn ogen.
Zo ging de ene maand na de andere. Rondom het kamp met 2 m hoog prikkeldraad wemelde het van Duitse soldaten, die dag en nacht oefenden met hun automatische geweren. Wij hoorden geruchten, dat men van plan was om ons naar Duitsland te sturen en daarna naar het front! Ik was vast besloten om dat niet af te wachten, want ik wist dat dat het einde zou zijn van mijn leven!


Ik had een fijne en trouwe vriend gevonden in het kamp en we hadden beiden besloten om te vluchten, doch niet tegelijk. Op een maandagmorgen als allen in de eetzaal waren zou mijn vlucht geschieden. Het ergste was om door Tilburg te komen, want het was voor ons streng verboden om ons daar op te houden. Die nacht ervoor heb ik zeker niet veel geslapen en ik antwoordde niet of heel weinig op vragen van mijn kameraden.
Op de bepaalde morgen treuzelde ik met het zoeken van mijn email-beker enz., misschien merkten mijn vrienden iets. In de plaats pakte ik een tas met brieven en wat toiletartikelen, de onderofficieren schreeuwden en vloekten dat we allen voor afmarsch naar de eetzaal moesten komen en voor de barak in de houding moesten gaan staan. De afmarsch werd geschreeuwd en daar gingen ze, enkele harde commando's uit de eetzaal, daarna wat gebruis...

Zou iemand onze kamer controleren? Niemand kwam, nu zou het gebeuren. 2 Meter hoog prikkeldraad, dat is niet zo moeilijk als je naar vrijheid verlangt. Het was buitengewoon rustig in het bos, geen Duitsers te zien, net alsof het zo moest. Ik rende en rende, voor de zekerheid voorbij het Klooster, waarvan we eten hadden gekregen toen we daar in de buurt een vijver moesten graven en kruiwagens vol natte modder boven op een heuvel moesten storten. Zeker zou ik door de monniken geholpen worden als het nodig was. Maar ik rende verder naar de stad Tilburg en plotseling stond ik op het perron van het spoorstation. Geld voor een reisbiljet had ik niet, ik moest wachten tot het donker werd en proberen achter op een goederenwagen naar het Noorden te vluchten. Ik was overtuigd, dat het lukken zou. Bang was ik niet, ondanks dat ik wist dat de treinen vaak beschoten werden van uit de lucht. Niemand keek of zei iets tegen mij, men was gewend aan onze uniformen.

Plotseling zag ik iets dat mijn hart bijna deed stilstaan! 2 Officieren van ons kamp kwamen naar mij toe en schreeuwden: "Wat doe jij hier? Naam! Heb je permissie om hier te zijn?" Ik ga naar huis, zei ik. "Identiteitsbewijs, geboren in Den Haag, dus je gaat naar Den Haag?" Hij mocht dat gerust geloven, maar ik woonde daar immers niet. Toen begonnen ze opnieuw te schreeuwen en te vloeken: "Als je niet direct naar het kamp teruggaat, dan sturen we de SS achter je aan en dan reis je naar een concentratiekamp. En nu mars mars." Ik deed de militaire groet deze keer en sloeg de hakken tegen elkaar dat het knapte over het hele perron en verdween...
Ze deden het stomste wat ze konden doen toen ze mij niet volgden. Nu was ik weer vrij, maar wat nu?

Weg, vlug uit de stad, naar buiten in de bossen naar een boerderij in het hooi, zo ging het door mijn hoofd. Opeens bevond ik me in het centrum van Tilburg. De Heuvel heette dat, hoorde ik later!
"Wacht eens arbeidsman, hoe is het nu met jullie? Wat heb ik gehoord, wil men jullie naar Duitsland deporteren? En ben je vrij van het kamp in Hilvarenbeek?" Zonder te denken, dat deze vriendelijke meneer een spion of een Gestapoagent kon zijn, vertelde ik van mijn vlucht en de arrestatie op het perron. "Och mensen, hadden ze je al te pakken op het station? En wat denk je nu dan, wat ben je nu van plan?" Geen mens krijgt me nogmaals levend achter 2 m hoog prikkeldraad, ik zal proberen bij een boer onderdak te krijgen als onderduiker, zei ik.
"Dat lukt je niet, die willen geen onderduikers, dat hebben velen al geleerd!"
Opeens stond hij stil, keek om zich heen, net als kind dat kwaad doet en dat bang is om betrapt te worden. Plotseling stak hij zijn hand in de binnenzak van zijn colbert en ik dacht: is hij toch een Gestapoagent die zijn revolver trekt? En mijn hart begon weer harder te slaan. Ik zuchtte luid, toen ik zag dat hij een notitieblok en een potlood of pen uit zijn binnenzak haalde. "Hier ga nu naar straat die en die en bel aan op nr. 23 en geef dan dit briefje aan mijn vrouw en zeg dat ik om een half uurtje kom!"
Wij waren beiden erg bang, toen ik ging. Hij wist niet of ik werkelijk een "arbeidsman" was en ik wist niet zeker wie hij was, stel je voor dat ik in een val liep... Misschien was het toch beter om buiten de stad te rennen..... Ik wist met zekerheid, dat velen op die manier in een val liepen...

 


Het was net alsof een onzienlijke hand mij de weg wees naar het juiste adres op de aangegeven straat, maar dat adres stond niet op het papiertje! Ik las het briefje vele malen, terwijl ik in mijn hand verstopte. Er stond op: "Gien laat deze jongeman erin, ik kom om een half uurtje. Ben"
Later hoorde ik dat mijn "redder" op een afstandje stond te kijken om te zien, dat ik werkelijk naar het aangewezen adres ging en niet naar de Duitsers om hem aan te melden.
Ik kwam bij een mooie, grote winkel, een fotoatelier: B. ter Hoeve stond op het etalageraam. Ik belde aan de voordeur naast de winkel en een dame opende en nam mijn briefje, las het en keek vlug rond over het plein en fluisterde als het ware kom binnen! Zorgvuldig deed ze de deur achter ons dicht. Dat ze voor mij de deur sloot voor mijn a.s. dood, daaraan dachten wij geen van beide, maar later werd mij dat heel duidelijk!
Die mevrouw ging naar de telefoon en sprak met iemand. Ik was nog niet zeker of ze naar de politie of de Gestapo belde. "Ja, maar kom dan gauw en... wees erg voorzichtig" zei en legde op.

Na een poosje hoorde ik een blijde mans stem in de keuken en een man met een blijde en vriendelijke lach drukte mijn hand. "Hallo, hallo, mijn naam is Jansen, ja we hebben dat allang gehoord, wat ze van plan waren met jullie kamp en jij vluchtte? Ha ha ha! Nu moeten we vlug je kleren verwisselen en ik neem je uniform enz. mee, je moet weten ik ben bakker en heb een grote, hete oven ha ha ha!"
Tranen van blijdschap kwamen in mijn ogen. Later hoorde ik dat nog een derde buur gezorgd had voor mijn burgerkleding, die ik nu weer aankreeg. Deze familie drukte de krant van Tilburg hoorde ik. Drie lieve families in het centrum van Tilburg op de Heuvel redden mijn leven, het was onbegrijpelijk en tegelijk wonderbaar. Wat was er veel gebeurd op deze dag vanaf het ogenblik dat ik over 2 m. hoog prikkeldraad klom.

Nog veel en veel meer gebeurde na deze dag op de Heuvel in Tilburg. Het was net of ik in een droomwereld terecht was gekomen en het verhaal is nog even lang als het stuk hier boven. Ik zal proberen in het kort het einde te vertellen.
Ik was daar een tijd op de Heuvel en het NAD-kamp in Hilvarenbeek werd ineens opgeheven, alle arbeidsmannen mochten hun burgerkleren weer aantrekken en verdwijnen. Men was vermoedelijk doodsbang dat de Geallieerde legers een nacht of dag het kamp binnen zouden komen met de gevolgen van dien.
Enkele arbeidsmannen uit het kamp kwamen naar Tilburg, naar de fotozaak, waar ik ondergedoken was, om hun foto's op te halen die ze daar besteld hadden. Een morgen riep mijn lieve gastheer: "Kees slaap je nog of ben je wakker?" Ik sliep in een groot atelier boven de winkel. "Kees hoor je me?" Ja meneer! "Hier zijn enkele van je kameraden uit het kamp, mag ik ze naar boven sturen?"  Neee, nee meneer, alstublieft niet meneer..."Ja, maar het kamp is vrijgegeven en ze mogen nu allemaal naar huis!" Echt waar meneer? "Ja ja.." En daar kwamen ze, de meesten kende ik, maar niet allemaal. Een stuk of 5 - 6 arbeidsmannen uit Hilvarenbeek kwamen naar mijn bed, ik wist niet wat ik zag, want ze hadden hun burgerkleren aan.

De commandant had in de eetzaal verteld, de dag nadat ik gevlucht was: "Arbeidsman Verbeek is gisteren op het station in Tilburg door onze officieren gevangen genomen en overgeleverd aan de SS, zo gaat het als men uit dit kamp vlucht, het concentratiekamp is zijn volgende woonplaats!" En toen een massa schreeuwen en vloeken!
Wat was het leuk hen te ontmoeten in een bepaalde vrijheid want ons land was immers nog bezet door de Duitsers. We vertrokken de volgende dag met een trein naar Nijmegen en verder naar onze woonplaatsen. Enkele weken later las ik in een ondergronds krantje, dat in het Zuiden des lands ook de stad Tilburg veroverd was door de geallieerde troepen en dat duizenden mensen op de straten van Tilburg jubelden over hun bevrijding. Ik kon wel huilen.....ik was te vroeg naar huis gereisd, die heimwee... Wij zaten een half jaar langer onder het Duitse juk en....ik moest nog een heel lang, half jaar graven langs de rivieren voor de Organisation Todt, als slaaf voor de overmacht tot april 1945, toen ook wij oorzaak kregen om te jubelen in Oost Gelderland!!!

Maar mijn helden, die drie lieve families op de Heuvel in Tilburg zal ik nooit meer vergeten, al is het nu meer dan 60 jaar geleden, dat ze mijn leven redden: het waren de Families: B. ter Hoeve, de Fam. Arts en Bakker Jansen op de Heuvel in Tilburg! LEVE TILBURG EN DE HEUVEL.

Van arbeidsman Verbeek..

 




 





© Sion Soeters 2002 - 2013








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home