Arbeidsdienst
a
a

                             Achtergrond arbeidsdienst
a

Serie over de arbeidsdienst, bestaande uit vier artikelen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een weekblad werden gepubliceerd. De artikelen vormen een mooi staaltje van propaganda voor de Arbeidsdienst. Het eerste artikel is een kennismaking met de arbeidsdienst, het tweede artikel beschrijft de arbeidsdienst in Duitsland, het derde artikel gaat vooral over het werk en het vierde artikel beschrijft het NAD-kamp in Tilburg.

De Nederlandse Arbeidsdienst was een overheidsinstelling, die oorspronkelijk niet nationaal socialistisch van opzet was, maar waarvan al zeer snel het kader samengesteld was uit nazi gezindten. Het werd een semi-militair apparaat volgens Duitse opzet, dat bij het gros der Nederlanders allerminst gezien was en feitelijk alleen diende als wervingscentrum voor dienst in het leger van het Derde Rijk.

Het devies “Ick Dien” van de NAD werd al in 1933 door het Verbond voor Nationaal Herstel van Generaal Snijders gebruikt. De slagzinnen van de NAD waren: ‘Eerbied voor den Arbeid’ en ‘door arbeidsvreugde tot levensvreugde’. Aanvankelijk bestond de NAD uit vrijwilligers, maar op 1 april 1942 werd hij verplicht gesteld voor alle jonge mannen van 18 tot 23 jaar. Vanaf die datum werden bepaalde categorieën verplicht opgeroepen. In 1943 moest zelfs een gehele jaarlichting (1925) eraan geloven.

 


Naast marcheren en exerceren, was het de bedoeling dat de Arbeidsdienst zich zou gaan bezig houden met grondwerken, wegenbouw, bosbouw en grondbewerking. Graven van sloten en greppels, versterken van taluds, plaatsen van duikers, dammen (voor het afsluiten van sloten, enz.), ophogen van dijken, onderhoud van watergangen, draineren, ontginning, onderhoud plantsoenen, aanleg en onderhoud van grasvelden, moestuinen (onderhoud, aanleg). Hiervan is echter weinig terecht gekomen. De werkzaamheden ‘beperkten’ zich tot het ontginnen van heide gebieden en het rooien van aardappels ten behoeve van de voedselvoorziening. Later moest er worden gewerkt voor de Duitsers, zoals zovele Nederlandse mannen.


Marsch- en Orde- oefeningen, zo werd het exerceren door het kader genoemd. De oefeningen waren geen doel, doch middel om een doel te bereiken. En dat doel heet ‘tucht’. “Tucht heeft als morele grondslag de innerlijke overtuiging van de enkeling, dat hij zichzelf, ter wille van de belangen van de gemeenschap, ondergeschikt moet maken, ondergeschikt aan de leider van die gemeenschap, want tucht eist de uitschakeling van de eigen wil en het zich volkomen ondergeschikt maken aan de wil van de leider. Deze oefeningen zijn het middel bij uitnemendheid om soldaten van de Arbeid te vormen”. (Ick Dien).

Vanaf begin 1942 werden arbeidsmannen geronseld om dienst te nemen achter het Duitse Oostfront in de Gruppe Niederlande im Reichsarbeitsdienst. Vierhonderd mannen van de Nederlandse Arbeidsdienst meldden zich als vrijwilligers voor het werk aan het Oostfront. Na hun zes weken durende opleiding werden zij op 6 mei 1942 in het kamp Eeze, bij Steenwijk, in aanwezigheid van de Reichs-Arbeitsführer Hierl, op de Führer beëdigd. Begin juni 1942 vertrokken zij naar Rusland.

Na een werkzaamheid van ruim vier maanden achter de linies aan het Oostfront keerden enige weken geleden een vierhonderdtal Arbeidsdienstmannen, behorende tot de Reichsarbeitsdienst doch afkomstig uit de Nederlandse Arbeidsdienst terug in het vaderland. Een groot deel hunner zal als kader terugkeren in de oude gelederen, de overigen zullen binnenkort naar huis vertrekken’. Commandant van de “Arbeitsdienstgruppe Niederlande” was Arbeitsführer Hekman. ‘Het initiatief tot de inzet in het Oosten kwam uit de gelederen van de NAD zelf. De oproep vond bij velen weerklank, duizend man melden zich en na selectie en voorbereiding vertrok dan deze groep’. (Noordooster, zaterdag 14 november 1942).

Op 19 juli 1943 stond een tweede contingent klaar. Bij het vertrek werden de ruim 500 mannen in Steenwijk geïnspecteerd door generaal-arbeidsleider De Bock.

Bij de oprichting van de Arbeidsdienst werd Breunese tot waarnemend commandant aangesteld. Hij stond onder toezicht van een hoge functionaris van de Reichsarbeitsdienst, General Arbeitsführer Bethmann. Invloed van de NSB op de Arbeidsdienst diende geweerd te worden, de scholing moest meer een Grootgermaans karakter krijgen. Breunese wilde ook van de Arbeidsdienst een onpolitieke organisatie maken, maar werd in toenemende mate met Duitse pressie geconfronteerd. Toen Bethmann het kader van de Arbeidsdienst wilde zuiveren en de Hitlergroet wilde invoeren was voor Breunese de maat vol. Op 1 augustus 1941 nam hij ontslag. Als opvolger werd luitenant-kolonel L.A.C. de Bock aangesteld. Na het vertrek van Breunese werd de ideologische tendens in de Arbeidsdienst steeds sterker. In allerlei officiële uiteenzettingen en verklaringen over het wezen van de Arbeidsdienst vond meer en meer de nationaal-socialistische terminologie ingang. De toenemende politieke invloed in de Arbeidsdienst bleek ook uit de zuivering van het kader dat na het vertrek van Breunese plaatsvond. Een verhoogd aantal leden van de NSB en de Germaanse SS werd opgenomen, zowel in het hoger en middenkader als in de leiding van de kampen. Uiteindelijk bestond het kader in de herfst van 1943 voor een kwart uit NSB’ers en SS’ers, nog altijd een grote minderheid. Deze minderheid was echter absoluut geen eenheid. ‘Goede’ elementen in de staf van de Arbeidsdienst wisten beide groepen herhaaldelijk tegen elkaar uit te spelen.

 

Waarnemend commandant Breunese.


In tegenstelling tot de arbeidsvrouwen (zij waren allen vrijwillig toegetreden) bevonden zich onder de arbeidsmannen maar heel weinig pro-Duitse elementen. De arbeidsmannen werden onder toezicht van de Nederlandse Heidemaatschappij ingezet bij ruilverkavelingsprojecten, later ook bij de oogst. Hun prestaties waren in de regel gering. Tot 1944 werden zij niet ingezet om werkzaamheden voor de Duitsers te verrichten. Weliswaar werd er in algemene zin in de kampen veel propaganda gemaakt voor het nationaal-socialisme, maar daar bezweken slechts weinigen voor. In de meeste kampen werd de order dat er collectief geluisterd moest worden naar Max Blokzijls radiotoespraken, genegeerd. De stemming in de kampen werd zo, ondanks de pogingen daartoe van de bezetter, niet of nauwelijks beïnvloed door de politiek. Eventuele activiteiten van nazigezinde kaderleden werden door die van andersdenkende kaderleden meestal geneutraliseerd. Als nationaal-socialistisch vormingsinstituut is de Arbeidsdienst dus mislukt. Dit blijkt ook uit het feit dat slechts een klein aantal vrijwilligers zich in het verband van de Arbeidsdienst voor de Oostinzet meldde: 300 man in de zomer van 1942. In 1943 werden 25.000 man voor de Arbeidsdienst opgeroepen; slechts 600 van hen meldden zich nu aan voor de Oostinzet. Al met al was de Arbeidsdienst voor veel afzwaaiende verplichte arbeidsmannen niet louter een slechte ervaring geweest. De Arbeidsdienst had zelfs twee punten van aantrekkelijkheid: hij bood de gelegenheid om aan de Arbeidsinzet in Duitsland te ontkomen en verder was, bij de voortdurende verslechtering van de levensmiddelendistributie, het goede eten in de arbeidskampen van grote betekenis.

De anti-Duitse stemming in de kampen was Bethmann een doorn in het oog. Hij probeerde deze de kop in te drukken door allerlei maatregelen van De Bock te eisen, waaronder het verplicht brengen van de Germaanse groet (dat is de Hitlergroet zonder het uitspreken van de woorden ‘Heil Hitler’) en het ondertekenen van een nationaal-socialistische geloofsbelijdenis door het kader. De Bock had dit steeds tegengehouden. Toen op 31 augustus 1943, de verjaardag van koningin Wilhelmina, in tal van kampen het Wilhelmus was gezongen en bovendien op De Bocks verjaardag op 14 september in het stafkwartier een toast op de koningin werd uitgebracht, eiste Bethmann dat er hard werd ingegrepen. De Bock liet kort daarna (11 oktober) een schrijven rondgaan waarin hij de Germaanse groet voor het hele kader van de Arbeidsdienst verplicht stelde. Binnen de Arbeidsdienst ontstond hierdoor grote deining. Deze nam nog toe toen begin november bleek dat men schriftelijk verklaren moest voortaan de voorgeschreven groet te zullen brengen. Een kwart van het kader nam ontslag, de andere kaderleden probeerden de groet zoveel mogelijk achterwege te laten. Aan die groetcrisis werd door de illegale pers veel aandacht besteed; ook de kerken protesteerden bij Seyss-Inquart. Een en ander droeg ertoe bij dat van de lichting die in het eerste halfjaar van 1944 moest dienen, 20% niet kwam opdagen. In juli 1944 had Seyss-Inquart aan het hoofd van de Reichsarbeitsdienst geschreven dat volgens zijn informatie 99% van de arbeidsmannen anti-Duits was. Seyss-Inquart was van mening dat daarom de Arbeidsdienst drastisch moest worden ingekrompen. Vanaf de lente van 1944 was al ongeveer een derde deel van de Arbeidsdienst ingezet om allerlei graafwerk voor de Wehrmacht te verrichten. Seyss-Inquart wilde daar regel van maken. Slechts een kleine, zuiver nationaal-socialistische Arbeidsdienst zou dan overblijven. Augustus 1944 escaleerde de situatie verder: Bethmann gaf opdracht tot het invoeren van de Hitlergroet in de dienst. Deze opdracht werd gevolgd door de eis op 1 september 1944 dat 1800 man van de Arbeidsdienst moest worden ingezet voor het graven van loopgraven. De Bock weigerde hieraan mee te werken. De anti-Duitse kaderleden gaven aan de leiding van de kampen van de Arbeidsdienst door dat ze onmiddellijk de kampen moesten ontruimen wanneer het gevaar dreigde dat nieuwe afdelingen van de Arbeidsdienst bij werk voor de Wehrmacht zouden worden ingeschakeld. Dit gevaar werd niet afgewacht: op Dolle Dinsdag (5 september) stroomden de kampen leeg. Aan het einde van Dolle Dinsdag waren bijna alle arbeidsmannen en was driekwart van het kader verdwenen. Op 6 september werd De Bock door Bethmann afgezet en vervolgens werd het restant van de dienst bij allerlei werk voor de Wehrmacht ingeschakeld.







© Sion Soeters 2002 - 2013


 








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home