
|
Het ruwe leven van iederen dag -
Zóó ontwaken, zoo werken en zoo leven duizenden en duizenden jongemannen in verscheidene landen; zoo brengen zij enige maanden, een half jaar, soms een jaar van hun leven door in de kampen van den arbeidsdienst.
Daar ziet hij, dat de man met de harde werkmansknuisten een persoonlijkheid is zooals hij, een mensch, die er óók een eer in stelt vakman te zijn, stoer te kunnen werken en goed werk te verzetten. Daar leert hij, dat oprechte kameraadschap mogelijk is, kameraadschap op grond van gezamenlijken arbeid aan éénzelfde doel, op grond van arbeidsgelijkheid en levensgemeenschap, tusschen hem en 'n jonge arbeider of een jonge boer. In de kampen leert ten slotte zoowel de student als de jonge handelsman de gemeenschap kennen, leighebben en dienen. Zij leeren er arbeiden mét elkaar; beoefenen sport, spel, zang, verdiepen zich gemeenschappelijk in de vragen van maatschappij en leven, verrichten werk, dat zijn nut heeft voor de gemeenschap van het heele volk -- en worden zoo binnengeleid in het leven, dat zij eenmaal als goede burgers van den staat moeten leiden. Zoo wordt er dus in den arbeidsdienst na gestreefd om ieders persoonlijken arbeid heel de gemeenschap van het volk te dienen.
De gedachte van den arbeidsdienst is het eerst opgekomen in het studentenmilieu, waar zij geboren werd uit het streven om -- niet alleen meer door het opzetten van breede debating-club-discussies tot diep in den nacht -- ook daadwerkelijk mee te arbeiden aan de oplossing van "het sociale vraagstuk" bij uitnemendheid: het vraagstuk van den armoede. Studenten trokken den boer op, om op het hoogtepunt van de Augustusmaand te helpen met het binnenhalen van den oogst. Zij begaven zich naar dorpen, die eenzaam en verlaten lagen, te arm om zich met behulp van betaalde krachten beter te outilleeren, om zulke dorpen uit hun isolement te verlossen door het aanleggen van een nieuwen weg of het verbeteren van een bestaanden of om hun de middelen tot grooter welvaart aan de hand te doen door kleine industriën en werkplaatsen op te bouwen. Zij stichtten kampen in de door oorlog of door bergstortingen of overstroomingen verwoeste gebieden om hulp te verleenen bij den wederopbouw. Zij noodden de bevolking van de streek, waar zij hun hulp verleenden, in hun kampen, om met hen de problemen van het dorp te bespreken, om hun eenig inzicht te geven in de maatschappelijke vraagstukken of om zichzelf vertrouwd te maken met de oude volksontwikkeling van de streek. Zoo besteedden steeds meer Zwitsersche studenten hun zomervacantie. Hun Silezische en later Engelsche kameraden volgden hun voorbeeld. Ook in Nederland trekken al verscheidene jaren verschillende studentengilden in hun vacanties den boer op, niet zoozeer omleidend en voorlichtend op te treden -- hetgeen, gezien het culturele peil van ons volk, over het algemeen minder nodig is -- maar veeleer om levendig contact te zoeken en vast te leggen met de groepen van een dorpsgemeenschap of het volk van gewest en land.
Uit het louter idealisme van de studenten, ontstaan als een geheel vrijwillige dienst aan de gemeenschap, bewezen door jonge menschen, die veel aan de gemeenschap dankten, werd de arbeidsdienst spoedig een middel om bittere nooden de bestrijden: nooden van de jeugd en nooden van de gemeenschap. de geesel der werkeloosheid heeft ook de jeugd getroffen. Bijzonder zwaar getroffen zelfs, omdat het gedwongen stilzitten en nietsdoen, het in bed liggen en straatslijpen dag in dag uit, op de jeugd een veel meer demoraliseerenden invloed uitoefende dan op den ouderen werkman. De jeugd kwam nit aan de vorming van eenige bekwaamheid toe, verloor den lust tot werken en gaf zich over aan gevoelens van haat en verbittering, niet het minst jegens degenen, die zij als de veroorzakers van haar ellende aanzag, en jegens de samenleving in haar geheel, die niet bij machte was om haar te helpen.
Over deze jeugd kon de arbeidsdienst zich ontfermen. Te haren behoeve werden kampen ingericht, waar zij werk kon vinden, haar vakbekwaamheid kon ophalen, cursussen in algemeene ontwikkeling of in een speciale richting kon volgen, haar arbeidslust kon herwinnen en een meer hoop gevenden kijk op het leven kon verwerven. Zij vond in deze kampen de mogelijkheid verstijfde spieren weer lenig te krijgen, zij vond er timmermanswinkels, gelegenheid om te metselen, metaal te bewerken, het boerenbedrijf te leeren, bureauwerk te verrichten, zij vond er leiders, van wie zij iets konden leeren, zij werd er goed gevoed, goed gekleed en opgeleid in het waardeeren van gezond amusement, ver buiten het benauwende grootstads-milieu. Verfrischt kwamen zij uit de kampen -- zoekend weer naar arbeid, waarnaar zij opnieuw geleerd hadden te verlangen, en vaak ook dien arbeid weer vindend.
Maar niet alleen de nood van de jeugd, doch ook de gemeenschapsnood leidde tot arbeidsdienst. De eerste arbeidsplicht dankte daaraan zijn ontstaan. Hij werd ingevoerd in Bulgarije, kort na het beëindigen van den Wereldoorlog. Bulgarije had toen zeven jaar aan één stuk oorlog gevoerd en de verwoestende werking van den oorlog ondergaan. Het oorlogsvervoer had zware eischen gesteld aan de wegen en spoorwegen, die nauwelijks onderhouden, laat staan verbeterd of uitgebreid konden worden. De mannelijke bevolking was zoozeer door den oorlog in beslag genomen, dat de akkers waren verwaarloosd. Bosschen waren gesloopt om in de behoefte van materiaal te voorzien.
En het land was arm; de staatskas, waaruit de oorlog van zeven jaren was gefinancierd, kon onmogelijk meer worden aangesproken voor een hersstel van al die verwoestingen, door middel van normaal betaalden arbeid. Daarom wer een bepaling afgekondigd, die de jeugd -- in de practijk werd dat spoedig alléén de mannelijke jeugd -- de verplichting oplegde een tijd, een half jaar ongeveer, tegen verstrekking van levensonderhoud, den staat te dienen door de wederopbouw en de verdere economische versterking van het land.
Samenleven en samenarbeiden met andere standen, het dienen van den jongen arbeider door de volksgemeenschap, maar omgekeerd ook het dienen door den jeugdigen arbeider van de gemeenschap, deze drie gedachten deden den arbeidsdienst ontstaan. De bezieling van elk der drie gedachten is de gemeenschapszin. Dáárop legt met name de Duitsche arbeidsdienst dan ook speciaal den zwaren klemtoon. Door den arbeidsdienst moet de "gemeenschapsmens" gevormd worden, dit is; de goede staatsburger. De mensch, die zijn volk kent en lieftheeft, zal tenslotte bereid zijn zich daarvoor een offer te getroosten, het offer van een half jaar zwaren, gezonden handenarbeid, die -- goed opgevat -- eenheilzamen invloed uit moet oefenen ook op zijn zieleleven en verstandelijke ontwikkeling.
Na deze algemene inleiding hopen wij in enkele artikelen terug te komen op dezen dienst, zooals hij in eenige landen is georganiseerd. Op de eerste plaats komt dan wel de arbeidsdienst in Duitschland aan de beurt, omdat hij de meest volledig uitgewerkte instelling van dezen aard vormt, en omdat deze inrichting grooten invloed zal uitoefenen op den arbeidsdienst, die in April volgend jaar in ons land vermoedelijk zal worden opgezet.
|