Tweede Wereldoorlogervaringen
a
a

De familie Ruschkewitz - Kampdagboek

 

 

 Het kampdagboek van Ernst Ruschkewitz

De belangrijkste ontdekking bij mijn onderzoek naar het lot van de familie Ruschkewitz is wel het bestaan van een authentiek kampdagboek van Ernst.
Dit dagboek – een gedeeltelijk tevoren beschreven - adresboekje van 12 bij 6 cm met zwartleren omslag en met een alfabetindeling. Het is geschreven met potlood en het bevindt zich nu in het archief van de nieuwe synagoge van Würzburg.

Hoofdstuk 1 van deze studie is afgesloten met een verslag van de wijze waarop Ernst, Ruth en Jantje uit Bodegraven zijn weggevoerd. Het kampdagboek van Ernst sluit hier naadloos op aan. Hierbij zij opgemerkt, dat hier niet het hele dagboek is overgenomen. Slechts die delen die getuigen van de liefde van Ernst voor zijn gezin, zijn optimisme en zijn twijfels, zijn hoop en zijn wanhoop, de relatie met zijn lotgenoten. Het moge voldoende zijn. Met de gegevens uit dit dagboek zou samen met andere bronnen een hele roman geschreven kunnen worden, maar – ondanks de telegramstijl – zal het authentieke werkje, weliswaar vertaald, meer tot de lezer spreken dan de heroïek van een roman.

Dinsdag 17 november 1942. Vandaag vier weken geleden (= maandag 19 oktober) opgehaald en naar Gouda gebracht; dertien personen onder geleide naar Amsterdam, de Joodsche Schouwburg. Bekenden ontmoet, hartelijk ontvangen, maar slapen onmogelijk. Nog hoop. Twee dagen later met de trein naar Westerbork, een reis zonder problemen. Na aankomst een mars van anderhalf uur met bagage, Ruth en Jan mogen vanaf halverwege rijden op een wagen met koffers.

Donderdag (= 22 oktober): dag van beslissing, van alles geprobeerd en getroost. Hoop tot op het laatste moment, onbeschrijflijk slechte hygiëne.
Veel bekenden gesproken; ik moet huilen, Ruth is dapper, zoals altijd, Jan is heel timide maar wel lief. Bange nacht, om half 8 opgejaagd naar de registratie. Alles is verloren. Een mars in de regen. Troosteloos kruipen we bij elkaar langs de rails met alles wat we hebben. Tegen 11 uur (= vrijdag 23 oktober) staan we daar met 928 joden. De trein komt, maar rijdt te ver door, paniek. We veroveren een goede coupé, iedereen heeft een plaats. Bij ons zit een Groningse kelner met twee slecht opgevoede kinderen. Vrijdagmiddag verlaten we het gastvrije Nederland. Velen huilen, de bevolking zwaait. Daarna Bremen - Berlijn - Liegnitz - Cosel. Tien uur vertraging. Tegen 4 uur ‘s morgens: "Männer raus!" Kort afscheid. Nog kunnen we het niet geloven. We worden in rijen opgesteld, de trein rijdt weg met de vrouwen, de kinderen en de mannen boven 55 jaar. Wanneer zullen we elkaar terugzien? Wat heb ik in deze vier weken allemaal niet gedaan om te weten te komen waar ze zijn, tevergeefs!
De mannen jonger dan 55 moeten overstappen op vrachtwagens, ik lig onder koffers, mijn been breekt bijna! Een rit van een half uur, stoppen tegen 5 uur, zie barakken, wachtposten, schijnwerpers. Poolse joden maken de dienst uit. Ingeschreven, ingedeeld in verblijven. Dwangarbeiderskamp Annaberg, een doorgangskamp. Met 24 man – de meesten uit Groningen - op kamer 5, waar ik benoemd word tot kameroudste.
We zijn nu in het dwangarbeiderskamp Annaberg. Appel, eten halen, appel, barak schoon maken. Prachtig weer, schitterend landschap. In het kamp bevinden zich tien vrouwen, Pools personeel. Iedereen wordt kaal geknipt, maar als ploegbaas ontkom ik hieraan. Dit veroorzaakt wel erg veel problemen.

Zondag 1 november 1942
. Ik verblijf hier tussen vriendelijke mensen, enkelen uit Frankrijk, drie Duitsers, Heertje uit Amsterdam, een fijne kerel en het manusje van alles Witteboon uit Utrecht. Kamer 7 is de kleer- en schoenmakerij, daar zitten allemaal Polen. Zij nemen ook mijn pak in. ’s Avonds speelt de violist Weiss dansmuziek. Hij is onvermoeibaar.

Maandag 2 november 1942
. Vandaag is Jan jarig. Dit grijpt me aan. Ik bemachtig een sigaar, op zijn gezondheid opgerookt…

Woensdag 4 november 1942. Een groep van ongeveer 150 man moet ons verlaten, ik mag blijven, maar voor hoe lang? Wandluizen!

Donderdag 5 november 1942. Ik ben jarig (39). Van mijn ploeg krijg ik een sigaar. Naast mijn portie aardappelen heb ik ook nog een stukje worst gekregen; dat is mijn verjaardagsmenu, doet me denken aan vroeger! Maar niet alleen hieraan denken, ook aan Bodegraven en zo!

Dinsdag 10 november 1942. Met mij gaan 172 mannen naar Gleiwitz. Men zegt, dat we daar in fabrieken gaan werken. ´s Avonds moest ik afscheid nemen van Heertje. Dat viel me zwaar. We komen allemaal in één grote zaal; prompt zak ik door mijn bed. Weinig slaap gehad: om 3 uur gewekt. Appel, indeling, de ploegleiders hoeven hun eigen bagage niet te dragen, wat een geluk. Een mars van anderhalf uur naar Bergstadt, dan rijden naar Gleiwitz. Een mars door deze stad, richting Steigern. We komen Poolse joden tegen: onze voorgangers. Veel industrie, mijnbouw, enzovoorts. In het nieuwe kamp maken we kennis met onze joodse kameroudste. We hebben met zes man een kamer met echte bedden. Gieser is monteur, Mierkowsky kok en Katz schoenmaker. De meisjes vermaken zich snel met hun ‘schatten’ en bieden ons boterhammen met radijs aan. Heerlijk. ‘s Middags verblijf inrichten en besprekingen. Het eten hier is goed: koolsoep met kummel
.
Zaterdag 26 december 1942. Vandaag gedenk ik voor de negende maal onze (kerkelijke) trouwdag. ‘s Avonds tot 11 uur over Würzburg gepraat met de Doctor. Het was een mooie dag en ik heb alleen aan jullie beiden gedacht.

Woensdag 30 december 1942. Vijf centimeter sneeuw, niet zo koud als gisteren. Rustige dag. Alleen maak ik mij ernstige zorgen over Louis Cohen; hij verzwakt steeds meer en is niet langer in staat welk werk ook te verrichten. Negen mensen hebben water in de voeten.

Donderdag 31 december 1942. De verschrikkelijkste dag tot nu toe. Cohen viel en bleef ondanks al ons praten in de sneeuw liggen. Om twaalf uur is hij naar het kamp gebracht, maar tijdens het vervoer erheen is hij gestorven. De dokter probeert anderhalf uur lang de levensgeesten weer op te wekken, maar tevergeefs.

Vrijdag 1 januari 1943
. Het regent nieuwjaarswensen. Het klinkt als een refrein: "Spoedig thuis bij vrouw en kind!" Het sneeuwt en sneeuwt. Steeds zie ik Cohen voor me, die nu in de kolenkelder ligt. Maar ik ben daar niet meer heen gegaan. 35 Is hij geworden en hij laat drie kinderen na. Hij was een last voor de ploeg en ook voor mij, maar dit einde had niemand hem gegund.
Goed uitgerust, grondig gedoucht, gegeten - koolsoep met veel vlees erin - gelezen, patience gespeeld, gemani- en gepedicuurd, wat is zo’n rustdag toch heerlijk! Van aardappelen puree gemaakt; ik zou willen, dat Jan hiervan zou kunnen eten. Als hij maar genoeg te eten krijgt in zijn groei. Wat zal 1943 voor ons in petto hebben?

Sjabbes 2 januari 1943
. In de keet heb de mensen toegesproken en met één minuut stilte Cohen herdacht, die vandaag begraven wordt. Ik heb verhoging, hopelijk ben ik morgen weer fit. Steinweg is met een auto meegereden naar Hindenburg. Op de terugweg zag hij een twintigtal joodse vrouwen naar huis terugkeren; ik kan me haast niet voorstellen, dat jij met Jan zo dicht bij me zou kunnen zijn!

Driekoningen, woensdag 6 januari 1943. Gisteren ben ik van een besneeuwde helling gevallen, mijn linkervoet verstuikt. Afschuwelijke pijn en ’s avonds rillen van de koorts. Vandaag kon ik amper in mijn schoenen komen. Eén zool is ook stuk. Ook kan ik nu geen klompen aan; de sneeuw plakt aan de zolen. Een rotdag. Over Cohen spreekt niemand meer…

Donderdag 7 januari 1943. Omdat we geen jam hebben, krijgen we afwisselend boter en margarine, niet gek; ik bouw er zelfs een voorraadje van op. Ook de broodvoorziening loopt nu beter. Ik heb maar één wens, dat het jullie net zo goed gaat als mij, naar omstandigheden tenminste. Alleen… als we maar eens een keertje van elkaar wat hoorden!

Maandag 11 januari 1943.Zeventien graden onder nul! Tegen elf uur rijdt dove Heinrich over mijn voet heen. Mijn rechter scheenbeen zit drievoudig geklemd, maar ik sta onmiddellijk weer op. Suntrop meent, dat ik naar huis moet gaan, omdat de pijn erger wordt en me moet melden bij de wacht, maar ik blijf, ook al kan ik het been bijna niet omhoog krijgen. Op bed viel ik onmiddellijk in slaap. Daarna pas heb ik gegeten. De toppen van mijn vingers lijken bevroren. Wat ben ik toch een schlemiel!

Dinsdag 12 januari 1943. Wat staat ons nog te wachten? Ik hoop, dat jullie het warm hebben en genoeg te eten krijgen.

Donderdag 14 januari 1943. Net zo koud als gisteren, maar plezieriger werk. De dag vloog om. Met mijn been gaat het nog steeds niet goed. De dokter heeft me een rustdag beloofd. Maar wie gelooft dit?. Gisterenavond heb ik Bloemendaal uit Rijswijk nog laten glimlachen gemaakt, maar vannacht is hij gestorven. De tweede in veertien dagen…
De kampcommandant zegt, dat men voorbereidingen treft om met onze vrouwen in contact te komen. Bovendien krijgen we vanaf maandag te eten in het kamp. Dat moeten we nog zien!

Zondag 17 januari 1943. Uitgeslapen tot 8 uur. Er gaat niets boven een vrije zondag. Sanders van kamer 11 sterft. Woensdag heb ik hem nog naakt gezien bij de dokter. Hierdoor verbaasde het mij niet. De man heeft al zijn eten geruild voor rookgerei en wilde dood. Nu liggen er twee doden in het kamp. Morgen worden ze begraven, tenminste… als de mestkar komt. Kort appel, dan liggen en lezen. Ik zou willen, dat jullie bij me waren. Iedere dag bekijk ik jullie foto’s. Het eten is goed en er zit veel vlees in; daarna weer soep. Twee uur bij de dokter moeten wachten. Je maakt daar van alles mee, vreselijk! Ik heb een bloeduitstorting in mijn knie. In Nederland zou ik twee weken in bed gebleven zijn. Vroeg naar bed.

Donderdag 28 januari 1943
. Door vermoeidheid en pijn geen zin om te schrijven. Een vrije dag wordt mij niet gegund. Slecht geslapen. Dooiweer, werken in de modder. Als ik maar eens meer kon zitten. ’s Avonds luizenparade, alles zit vol luizen, zelfs het badhuis.
 
Zondag 31 januari 1943. Vannacht is Bollegraaf uit Winschoten overleden. Hij heeft het langer uitgehouden dan we dachten. Voor hemzelf en voor ons en het een bevrijding. Om half acht opgestaan, een uur lang gedoucht en geen luis gezien. Appel met nummering. Ik heb nummer 183 gekozen. Ik draag het op mijn rug onder de ster. Wat kan het me schelen. Vroeg naar bed, maar slecht geslapen. Ik hoorde vandaag weer, dat het met de vrouwen goed gaat, dat zij ondergebracht zijn in kampen als de onze en dat zij iedere dag hun kinderen kunnen zien. ’s Avonds vond ik weer luizen, ik word er onderhand misselijk van.

Zondag 7 februari 1943. Om 6 uur opgestaan. Wasbarak-, kolen- en watercorvee. Daarna uitgerust, gelezen, gespeeld, heerlijk, maar in je vrije tijd steken zorgen de kop op, vooral om jullie. Mijn liefste wens is, dat het met jullie niet beroerder gaat dan met mij, dat jullie je redden kunt met eten en het warm hebt.

Maandag 8 februari 1943. Gisteren rond het middaguur stierf Chassen Hes uit Harlingen. Hij was jammer genoeg niet meer te redden. Grote ontsteltenis.
 
Dinsdag 9 februari 1943. (Hier zijn twee harten getekend met daarin: ‘9-2-43’ en ‘32’. Eronder: ‘Verjaardag van mijn vrouw Ruth. VRIJHEID wens ik je vandaag, vrijheid voor ons allen! Weet je nog van vorig jaar?’)
Met Groen op kamer 4 gaat het erg slecht; hij zei: "Ik haal de nacht niet, laat mijn hand niet los." Alsof ik hem zo redden zou kunnen redden. Je raakt ervan van streek. Er zijn hier echt nog wel goede mensen.

Donderdag 11 februari 1943. Mooi, zonnig weer, maar nogal modderig overal. Een glad verlopen dag, maar toch ben ik moe; ‘s avonds blijkt, dat ik verhoging heb, maar pas om negen uur naar bed, omdat ik corvee heb. Met Groen gaat het nu wat beter, maar jammer genoeg is er geen hoop mee voor hem. Mijn onderbroek is aan de achterkant gescheurd, nogal koud.

Vrijdag 12 februari 1943
. Een dag met hindernissen, maar het wordt altijd avond. Om half drie sterft Groen, voor hem een verlossing, het is de zesde van mijn ploeg.

Zondag 14 februari 1943. Half drie middageten, daarna lang appel. ’s Avonds dodendienst voor de arme Groen. Frank de postbode is met longontsteking in de ziekenbarak opgenomen, hopelijk komt hij er weer bovenop. Met postbode Frank gaat het niet goed. Weer een vulling verloren, mijn knie is erg gevoelig en mijn bevroren neus doet me scheel kijken. Ik ben een schlemiel! Maar over het van hier weggaan horen we niets meer, het waren loze geruchten.

Zondag 21 februari 1943. Met het been gaat het beter. Over Jan gedroomd, een flinke vent geworden. De gong bracht me terug in de rauwe werkelijkheid. Goed en overvloedig eten. Zo ’n rustdag is goud waard, zo gezellig was het tot nu toe nog niet.

Woensdag 24 februari 1943. De zieke Blom, de Mets en Polak zijn weggebracht. Het afscheid viel hun niet gemakkelijk.

Woensdag 3 maart 1953. Iedere dag dezelfde rotzooi (letterlijk: ‘Scheisse’).

Donderdag: dito.

Vrijdag: dito.

Sjabbes: dito.

Maandag 8 maart 1943. Heerlijk weer, aangenaam werk. Om ons kamp heen worden barakken gebouwd, draad getrokken, enzovoort. Komt er aanvulling? Mijn been is bijna genezen, alleen nog een beetje dik. Dokter Sachs is erg achteruit gegaan, wat ziet die man eruit!

Dinsdag 9 maart 1943. Erg moe (Voorjaar?). We eten noedels, ik ben helemaal vol. Weer praatjes over ons vertrek deze week, een nare toestand. Er wordt veel gebouwd en opzichter Ewers wil Kraus en mij hier houden.

Woensdag 10 maart 1943. Van Beem gestorven, de zevende al van onze ploeg. Lenteweer; ik wilde dat ik een vogel was, dan vloog ik naar jullie toe; ik zou jullie zonder twijfel vinden. Vierhonderd zakken cement bij de bouw open gesneden; ik zie er uit als een varken.

Vrijdag 12 maart 1943. De stemming wordt aldoor nerveuzer, 47 mannen staan op de lijst, ik niet. Dus ik ga van 120 man als enige ploegbaas mee? Iedereen wil hier blijven; morgen wordt er over mijn lot beschikt. Ik heb immers altijd op het laatste moment nog geluk gehad en jij ook!

 

 Dwangarbeiders aan het werk

Sjabbes 13 maart 1943. Weinig gedaan, alleen alles geprobeerd om hier te blijven. Ingenieur Fischer wil alleen maar vakmensen, omdat het grondwerk klaar is. De nieuwe vijftig man brengen hun eigen ploegbazen mee. Koch wil mij, Kraus en Bloemist hier houden, zeer verbazingwekkend, maar tevergeefs. Misschien is het wel goed ook! Kokernoot en Stam blijven, maar worden gedegradeerd. Met enige weemoed loop ik voor het laatst over de bouwplaats, ofschoon ik die toch vier maanden vervloekt heb, vreemde toestand.

Maandag 22 maart 1943. Ik heb Hans’ (de jongste broer van Ernst, overleden in 1989. Hij woonde in Zuid-Afrika. AvR) verjaardag niet vergeten en ook het begin van de lente niet. De onrust in het kamp en in het bijzonder in ons verblijf is niet uit te houden. Ik zat in barak 13, nu in 12; eerst met Polen, nu met Nederlanders!

Dinsdag 23 maart 1943. Het is avond, zeven uur. Over drie uur vertrekken we. We gaan met 135 man naar Blechhammer. Vanmiddag kwam het bericht. Om vier uur mochten we naar huis. Een kil afscheid van Koch en Suntrop, de laatste dagen waren niet te harden; uiteindelijk ben ik blij, dat we van hier weg kunnen.

Woensdag 25 maart 1943. BLECHHAMMER. Om 10 uur zijn we gisteren naar het station afgemarcheerd en om 1 uur kwamen we hier aan. We hebben ongeveer een uur gereden en dan ongeveer twee kilometer gemarcheerd. We zijn met 130 man ondergebracht in barak 11.
 
Donderdag 8 april 1943. Ons leven is totaal veranderd. Hier zitten we met 1500 man in een modern kamp, centrale verwarming, vier artsen, een tandarts, twee kampagenten, zes verpleegsters, 52 vrouwen en 90 man kamppersoneel. Voor het eerst lig ik met elf man in verblijf 11b met Witteboon, Kraus, Van de Stam, Kokernoot en – jammer genoeg – ook Pais senior en junior. Sinds gisteren zijn hier veertien Polen uit Frankrijk, ze brengen vuile voeten en luizen mee, ik krijg ze prompt, ofschoon ik mijzelf altijd zo goed verzorgd heb. Het jeukt verschrikkelijk.

Zondag 11 april 1943. Tot zeven uur geslapen; droog brood en koude koffie, dat is me in Gleiwitz nooit overkomen, langdurig appel en corvee. De tandarts heeft een tand van me verknoeid, afgebroken, niet zo leuk. Verder goed uitgerust, mijn karige ontbijt wordt goedgemaakt door goed eten en een extra portie (aardappelen met macaroni).

Maandag 12 april 1943. Half drie gewekt, soep in plaats van brood, een half rantsoen dus, de hele dag strozakken gevuld. Regen. Witteboon zit in mijn ploeg. Ik ben blij, dat ik hem kan helpen. Onze barak is door de pseudo-Fransen – dus Polen – zeer vroom geworden, vooral Bernstein. Wahl uit Antwerpen is een echte rabbijn. Twee nieuwelingen verlaten ons ’s avonds al met een ziekentransport, hieronder zeer tot onze verbazing Leefsma. Die zal ik niet meer terugzien, hij is op. Dat was hij eigenlijk al in Gleiwitz.

Dinsdag 13 april 1943. De eerste warme dag sinds lange tijd, stro afgeladen, heel veel met de auto gereden, de dag vloog om. 132 Zieken zijn naar Annaberg gebracht, hieronder velen die ik ken.

Zondag 9 mei 1943. Gisteren tot half twaalf en vandaag tot half twee gewerkt. Als je met dit mooie weer de groene natuur ziet, denk je minutenlang niet eraan, dat je gevangen zit. Kleine geitjes doen me denken aan de twee beestjes van Jan; ach, wat zou ik er veel voor over hebben om hem te zien. Er worden hier vijftig vrouwen verwacht. Ik hoop, dat jij hier niet bij bent, want anders zou Jan er niet bij zijn. Alleen de gedachte hieraan is onverdraaglijk. Morgen is het 10 mei, de ellendige dag waarop ons ongeluk begon (= 10 mei 1940 de inval van de Duitsers. AvR).
 
Zondag 16 mei 1943. Zeven Poolse vrouwen zijn hier aangekomen. Een van hen vertelde mij over vrouwenkampen waar de vrouwen acht uur werken en goed behandeld worden. Zij mogen hun kinderen elke week een half uur zien. Oudere vrouwen zorgen voor hen. Ik wens dat het waar is.
 
Zondag 6 juni 1943. Vandaag moet ik steeds maar aan Jan denken, ik verlang erg naar hem. Kon ik hem maar een paar minuten bij me hebben, dan zou ik hem dooddrukken! Maar eerst zou ik ontluisd moeten worden; ik ben bezaaid met steken. Ik schaam me voor mezelf, maar wat kan ik er aan doen? Veel geruchten, als het allemaal waar was, ach, voor een deel, dan zouden we snel weer bij elkaar zijn. Hoe lang nog?

Zondag 20 juni 1943. Ik kreeg een Monopolyspel, jammer genoeg niet compleet, bij voorbeeld geen dobbelstenen, maar daar vinden we nog wel iets op.

Zaterdag 3 juli 1943. Weer een nieuwe maand en nog geen einde. Het is koud en het regent veel. Je loopt te rillen, terwijl het toch zomer is. Er zijn hier nu 1851 joden. In Nederland worden van de Joden alle radio’s in beslag genomen. In Den Haag woont geen enkele Jood meer.

Dinsdag 13 juli 1943. Landing op Sicilië, offensief in het oosten. Demeren is beter, eindelijk. Ik krijg een blauw hemd, wat krap, maar wel schoon.

Maandag 19 juli 1943. Tot nu toe heb ik me niet met de meisjes bemoeid. Ik was dan ook verbaasd, dat Maja me zei, dat ze mij wel aardig vond. Zij werkt in het magazijn en beloofde mij – nadat ik toestemming gekregen had van de chef – dat ze zou proberen mijn rugzak op te sporen. Maar hoe lang we ook zochten, gevonden werd hij niet. Ik was boos. Op iedereen, alleen niet op Maja. Maar ook die kan me gestolen worden. Ik heb alleen maar jullie.

Sjabbes 24 juli 1943. Wat toevallig, dat Ritter Kay Hofmanns uit Bodegraven kent en natuurlijk ook Jan Stolwijk. Als ik maar wist hoe jullie het maken. Oma en Mats, leven die nog? Je hoort hier veel, maar je wilt niet alles geloven. De oorlog duurt niet lang meer. In september is alles misschien voorbij en dan? Komen we er gezond uit? Is alles voor niets geweest? Jullie foto’s liggen hier voor me. Ik heb ze al honderd maal bekeken en ik ken elk detail ervan. Toch kan ik er niet genoeg van krijgen.

Maandag 26 juli 1943. Gisteren zijn er 600 Polen aangekomen, waaronder 200 vrouwen en kinderen. Toen ze op de appelplaats werden ingeschreven, dacht ik plotseling: Als jullie daar eens bij waren? De Polen vertellen verschrikkelijke dingen. Alles in mij komt in opstand, als ik hen geloven zou. In Italië is de Duce afgetreden, een stap in de goede richting.

Vrijdag 30 juli 1943
. De politieke en kampgebeurtenissen stapelen zich op. Zeer opwindende uren bij het samenstellen van de vrouwentransporten; ik denk daarbij steeds aan jullie; heeft men Jan ook bij je weggenomen? Ik durf het niet te geloven. Ik hoop met alles wat in me is, dat je Jan bij je hebt. Hoe zouden we hem anders terug kunnen vinden?

Woensdag 4 augustus 1943. Vandaag heb ik met Max Bolle lange tijd gepraat over de berichten van de Polen. Hij heeft zich er sinds acht maanden bij neergelegd, dat zijn kinderen niet meer leven; wel heeft hij nog hoop voor zijn vrouw. Ik wil het eenvoudig niet geloven, dat onze jongen vermoord is. Wat moet ik zonder jou beginnen na de oorlog; ik ben slechts een half mens, als ik jullie niet meer heb. Nee, het kan niet waar zijn, ik blijf hopen tot aan het einde!

Zondag 15 augustus 1943. Van Stam krijg ik geen hoogte. Hij ijlde, dat hij op een 25-jarig huwelijksfeest was met goochelaar en trompetmuziek. Weet je, dat wij spoedig tien jaar getrouwd zijn? Dat zou ik graag samen vieren, kan me niet schelen waar.
 
Donderdag 26 augustus 1943. Iedere dag een dode, onder hen Plukker, Röllecke en de luizenkoning Bas Hirschberg uit Breslau. 190 Man ligt in de isolatie en iedere avond komen er meer bij. Woon nu samen met Ems, Bolle en Sanders, tien man op 11/1

Sjabbes 11 september 1943. Nog altijd vakantie; maar gisteren had ik nachtdienst met een paar storingen, daarna tot twee uur ’s middags geslapen. Na een jaar weer eens Monopoly gespeeld. Alles wordt ontluisd; de commissie besluit, dat wij maandag weer aan het werk gaan, maar slechts in ploegen van twee- tot driehonderd man. Italië heeft gecapituleerd. Politieke gesprekken zijn verboden.

Zondag 19 september 1943. Ik leer Erwin Hirschberg uit Breslau kennen, een fijne, rustige man. Neem hem op in ons verblijf en in de ploeg. Als we behouden in Nederland komen, maak ik bij hem een goede kans. De filmbranche heeft me altijd geïnteresseerd. Ach, was het maar zo ver. Maar het gevoel uitzicht te hebben op een baan en niet meer steeds hoef te reizen, maakt me blij. Het is alsof ik Hirschberg al jaren ken, zo sympathiek is hij.

Zondag 10 oktober 1943. Jom Kippur avond. Jom Kippoer avond. Heb niet gevast, zoals vele anderen, in plaats daarvan niet gerookt. Gisteren moesten we allemaal buiten vóór de keuken eten, want vasten wordt hier als sabotage beschouwd. Alex verscheen woensdag uit Annaberg en zette grote ogen op: "U leeft nog! Bij ons heeft men u allang dood verklaard." Ik weeg echter nog 180 pond en ben op de wond in mijn rechter been na helemaal gezond.

Dinsdag 19 oktober 1943. Vandaag is het een jaar geleden, dat we gevangen genomen zijn. Kwam het hierdoor, dat ik gisteren koorts had? Is het de herinnering? Vandaag voel ik me beter, maar ben nog erg slap. Het weer is na wat koude dagen heerlijk; mijn jas is te zwaar. Alles duurt te lang; ik heb er schoon genoeg van, wie niet op deze wereld? Jan wordt binnenkort zeven, als hij nog leeft. Is hij bij jou? Dit houdt mij steeds bezig. Als het niet zo is, dan is het hopeloos om Jan terug te vinden. En dan? Niet aan denken...

Maandag 1 november 1943. Een schaafwond aan mijn rechtervoet, veroorzaakt door mijn schoen, is een etterende ontsteking geworden en mijn been is behoorlijk opgezwollen. De maand begint goed en Jan is morgen jarig. Zeven jaar geleden waren wij in Amsterdam bij dokter Hirsch. Wat had jij gelijk met naar Buenos Aires te willen; wat waren we toch schlemielen!

Dinsdag 2 november 1943. Liefste jongen, ik wens je slechts één ding, dat je bij je moeder bent, dan zal jou het hele jaar aan niets ontbroken hebben. En zo zal het ook weer worden als we weer samen zijn. Ik zou er alles voor over hebben om te weten waar jullie zijn en hoe jullie het maken. Hoe lang nog?

Woensdag 3 november 1943. Mijn been is genezen, niet meer zo dik en uitgerust ben ik ook.
 
Vrijdag 5 november 1943. En zo word je veertig jaar! Als begroeting sneeuwt het. Martin heeft een gelukwens op mijn plank gelegd, toen ik sliep. Gratsch, Abraham en Herr schenken me brood, het mooiste cadeau, smaakt ook droog prima, want er was gisteren geen margarine. Om 9 uur kregen we noedels, slechts vier lepels, maar de smaak was prima, ook al waren ze koud. Mijn hiel is nog erg dik, maar is niet meer zo pijnlijk.

Vrijdag 26 november 1943. Berlijn is verwoest en ontluisterd. Honderd Poolse joden komen onder leiding van Gebet uit Gleiwitz naar Krause. De aardige Nebel is aan tyfus gestorven. Dokter Simons is voor straf overgeplaatst. Er is ingebroken in de aardappelenkelder en er is brand geweest in een barak. Koud en winderig, licht werk, overmorgen vrije zondag!

Zondag 5 december 1943
. Vandaag is het Sint Nicolaas. Weet je nog hoe Jan gezongen heeft? Vader zou vandaag zeventig zijn geworden. Er gaan geruchten, dat de joden uit het oude Duitsland vanaf 1 december mogen schrijven en brieven en pakjes ontvangen, opnieuw hoop, maar ik ben sceptisch geworden tegenover zulke Sireneklanken.

Donderdag 23 december 1943. Iedereen spreekt hoopvol over Kerstmis: een heel brood, honing, macaroni met geschilde aardappelen en vlees.

Zondag, tweede kerstdag, 26 december 1943. De tiende verjaardag van ons huwelijk heb ik me anders voorgesteld, daarom zullen we het elfde dubbel vieren!
 
Woensdag 12 januari 1944. Vreemd, dat je je hier meer zorgen maakt over het lot van je dierbaren dan over dat van jezelf!

Maandag 17 januari 1944. Ik weeg nog steeds 180 pond, valt me mee. Strijd in Polen. Iedereen wacht op de invasie, die maar niet komt.

Woensdag 9 februari 1944. Ruth, waar ben je? Hoe is het afgelopen jaar met je gegaan? De laatste keer wenste ik je de vrijheid en dit jaar? Hoe lang nog? Ik ben ziek, griep, neusverkoudheid en oorpijn. Mijn stemming is navenant. Zou tante Louise nog leven?

Dinsdag 15 februari 1944. Hundert uit Wenen is op de bouw vermoord door de Oekraïner Uljanoff. De reden was een woordenwisseling over water halen. De dader is gepakt, een opwindende dag. ‘s Avonds is er een kind geboren, een jongen!

Vrijdag 18 februari 1944. Ziekentransport met 77 personen, onder hen twaalf vrouwen. Bar koud.

Dinsdag 22 februari 1944. Gisteren zijn er opnieuw 42 vrouwen vertrokken naar Peterswaldau in de Sudeten. Het was voor hun geliefden een heel smartelijk afscheid. Nu zijn er alleen nog maar mannen en kinderen in het kamp. Het is erg koud geworden.

Maandag 28 februari 1944. Eindelijk ben ik o.k. Barackenchef geworden, geen nachtdienst meer, enzovoort. Het is niet zo koud meer en ik ben ontluisd. Mijn spullen zijn eindelijk gerepareerd. Stemming is goed.

Vrijdag 3 maart 1944. Er gaan geruchten, dat er vanaf de 15de burgergevangenen naar hier komen. In België schijnt het dat daar alle joden zich melden bij de Zweedse ambassade. Het jochie is gestorven in de armen van zijn moeder.






© Sion Soeters 2002 - 2013









 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home