Tweede Wereldoorlogervaringen
a
a

        De familie Ruschkewitz - herinneren en herdenken
a
a
Het is najaar 1940 in mijn geboorteplaats Bodegraven. Ik ben acht jaar en sta met een broertje Bert voor de etalage van de speelgoedwinkel van mijn oudoom Anton Stolwijk in de Van Tolstraat en we vergapen ons aan de onbereikbare heerlijkheden achter de ruit.

Plotseling valt er een schaduw over ons heen. We kijken om en zien een reus achter ons staan. Ik herken hem: de nieuwe buurman van oma Stolwijk, meneer Roskowits, die later Ruschkewitz bleek te heten, en naast hem zijn zoontje Jantje.

"Wat willen jullie het liefste hebben?" en hij wees naar de spullen achter het glas.

Ja wat? Zo plotseling mogen kiezen uit een Luilekkerland. Nee, niet de puzzel van duizend stukjes of de meccanodoos met die grote hijskraan of... die autoped met luchtbanden. Nee, ik koos voor een houten vuurtorentje met zes kleurpotloodjes erin. Mijn broertje koos nog simpeler: een hoesje in de vorm van een potlood met… zes kleurpotloodjes erin.

Samen stapten we de winkel in en daar kocht de reus deze cadeautjes voor ons. Natuurlijk vergaten we te bedanken. We vluchtten de winkel uit en hoorden nog alleen maar de huilerige stem van Jantje, die ook wat wilde.

"Nee, Jantje, jij hebt genoeg!"

Het was de eerste echte kennismaking met de familie Ruschkewitz die sinds oktober 1940 in Bodegraven woonde op de Noordzijde 104.

 

Ernst en Jantje in Den Haag.


Nee, heel veel van onze vrije tijd brachten we toen door bij oma. Moeder was zwanger en in februari 1941 werd mijn derde zusje geboren. Nu pas besef ik, waarom we toen zo vaak naar de Noordzij gestuurd werden. De Noordzij, voor ons de uitdrukking van de woning van oma Stolwijk, Ons verbanningsoord in zware tijden voor mijn moeder.

Nee, verbanningsoord mag ik niet zeggen. We gingen maar wat graag, want daar kon je avonturen beleven. Daar had je nog jonge ooms en tantes die best tegen een geintje konden. Bovendien had je daar de ruimte en schoon zwemwater in de Oude Rijn,die daar schoon was in tegenstelling tot dezelfde rivier achter ons huis, waar iedereen alles maar in smeet.

Maar de Noordzij had ook nog iets bijzonders. Daar woonde toen buurman Ruschkewitz en zijn zoontje Jantje. Van mevrouw Ruschkewitz kan ik me niets herinneren. Die bleef kennelijk erg op de achtergrond. Deze familie had iets aparts: het waren joden. En… het waren aardige mensen.

Als wij bij oma waren kwam Jantje vaak met ons spelen. Maar liever gingen we met hem mee naar zijn huis, dat grote, mooie huis met zijn zware lederen stoelen en kolossale kasten. Je mocht er met het fijnste speelgoed spelen in de mooiste kamer. Een mooie kamer hadden we thuis ook wel, maar daar mochten we nooit in want die gebruikte mijn vader om klanten te ontvangen voor het uitzoeken van een stof en het passen van een nieuw pak. Hij was namelijk kleermaker.

Jantje had van alles: meccano waar je een hele trein mee kon maken en wel duizend soldaatjes, Duitse en Engelse. Die zetten we netjes in rijtjes en dan, dan schoten we ze met een echt kanon ondersteboven. Jantje had ook scheepjes, allemaal oorlogsschepen gemaakt van op elkaar gelijmde plankjes van sigarenkistjes met kleine spijkertjes als kanonnen. De hele vloer was ermee bedekt en met het kanon kon je niet missen. Het was immers oorlog en de hele wereld hield zich met schieten bezig. We zagen er echt geen kwaad in.

Meneer Ruschkewitz deed met ons mee en genoot er kennelijk van dat zijn enige zoontje vriendjes had. Hij kwam trouwens ook vaak bij oma op bezoek en bracht daarbij een spel mee. Iedere keer speelde hij dat met mijn ooms. Soms deed mijn vader ook mee. Alleen: altijd won meneer Ruschkewitz. Na een uur waren de hotels en huizen op; die stonden dan in zijn straten. Wij vonden het maar gek, maar de ouderen niet: "Logisch, hij is immers een jood." Ja, dat hij een jood was wisten we. Je kon het later trouwens ook lezen, want toen droeg hij op zijn jas een grote gele ster en daarin stond in rare scheve letters het woord ‘jood’. Gek, als hij zijn jas uittrok, had hij op zijn colbert daaronder ook zo’n ster. Zou hij er ook zo een op zijn pyjama hebben, vroegen wij ons af.

Maar opeens stond het huis naast oma leeg. Helemaal leeg. Jantje was weg, meneer en mevrouw Ruschkewitz waren weg. Jantje was al eerder een tijdje weg geweest, maar hij was toch weer teruggekomen. Maar nu was iedereen vertrokken. De Duitsers hadden hen meegenomen...

De tijd nam zijn loop. Het was een spannende tijd. Veel Duitse soldaten die altijd interessante dingen deden. Engelsen die de spoorlijn bombardeerden en auto’s en treinen beschoten. Bommen die op huizen vielen, maar altijd de spoorlijn misten. De hongerwinter en de adressen waar wij kinderen uit ons grote gezin om de beurt mochten eten en uiteindelijk de bevrijding. De gele sterren zagen we toen al lang niet meer. Alle joden uit ons dorp waren weggevoerd.

Kinderherinneringen die bovenkomen bij het zien van een foto: Jantje Ruschkewitz tussen tante Truus en tante Alie Stolwijk met daarnaast mijn broertje Ton op de bank achter het huis van Noordzij 101 en de herinnering, dat deze Jantje met zijn vader en moeder zijn weggevoerd. Ze zijn nooit meer teruggekomen. Wat was er allemaal gebeurd daar op die Noordzijde van Bodegraven, dingen waar ik zo weinig van weet?

 

V.l.n.r. Truus Stolwijk, Jantje Ruschkewitz, Alie Stolwijk en Ton van Rossum.


Toch is het zo, dat de drie leden van het gezin Ruschkewitz de enigen zijn die ik op 4 mei persoonlijk kan herdenken, de enige oorlogsslachtoffers die ik persoonlijk gekend heb. Van onze familie en vrienden in Bodegraven en elders heeft iedereen de oorlog overleefd, behalve zij. Daarom wil ik er meer van weten. Ik wil deze mensen een gezicht krijgen voor mij en voor degenen die dit lezen.

Ik ben daarom een paar jaar geleden begonnen aan een onderzoek. Ik Ernst zijn gangen nagegaan van zijn geboorte tot aan zijn bittere einde, want hij was de vader van Jantje, ons vriendje in die bittere oorlogsjaren. Bitter, ja, maar dat beseften we als kind nog niet. Dat wordt je je later pas bewust.

Als kinderen werden wij niet geconfronteerd met het hoe en waarom van de verhuizing van de mensen en de nasleep ervan. Je hoorde hier dit en dat, maar het fijne… dat was zaak van de volwassenen.

Dit werd ons pas duidelijk in de memoires die de broer van mijn moeder - Oom Jan – heeft geschreven. Hij is een paar jaar geleden overleden en zijn zoon Kees heeft mij alles gegeven wat betrekking had op zijn contact met zijn buren op no. 104: de familie Ruschkewitz.

 

 Jan Stolwijk met zijn taxi

Oom Jan was werkloos geworden. Ten gevolge van de crisis werd hij ontslagen als automon-teur bij een garagebedrijf in zijn woonplaats en vond geen andere plek. Hij begon voor zich-zelf in een houten schuur naast zijn ouderlijk huis met fietsenreparatie. Hij ging ook fietsen verkopen en later kocht hij een tweedehand auto, een Ford, en begon naast zijn fietsen-zaakje ook een taxibedrijf. Hiervoor had hij telefoon nodig en zo kreeg oma’s huis een telefoonaansluiting. Al met al heel geschikt voor het levensonderhoud van de joodse buur- en zakenman Ruschkewitz, aan wie iedere maand door de bezetters meer beperkingen werden opgelegd.

Van mijn ooms en tantes op de Noordzij heeft deze oom Jan hierdoor wel het meeste contact gehad met de familie Ruschkewitz in hun Bodegraafse tijd. Hij heeft een uitgebreide levensbeschrijving nagelaten, waaruit ik het nodige kon putten om toe te voegen aan mijn eigen herinneringen en mijn bestuderen van andere bronnen.

De familie Ruschkewitz is in het najaar van 1940 in Bodegraven gearriveerd en had zijn intrek genomen in een groot herenhuis Noordzijde 104 met een groot erf erachter tot aan de Oude Rijn. De weduwe Breedijk - haar man was kort voor de oorlog overleden – bleef hier tot haar dood voorjaar van 1940 wonen. Vanaf dit moment stond het leeg..

Het was een grote woning met op de benedenverdieping 4 grote kamers en een aangebouwde keuken. Daarboven een even grote verdieping met even zoveel slaapkamers. Verder stond op het erf een kleine koe- en paardenstal waaraan gebouwd een zogenaamd boenhok dat uitkwam op de wijk, een van de zijtakken van de Oude Rijn.

Zo’n boenhok was aan de waterkant helemaal open, er was een stoep net boven het water en aan beide kanten van de stoep twee op zithoogte dichte banken, hetzelfde type wat men nu nog aantreft bij oude boerderijen. Het werd gebruikt om te wassen en te spoelen, melkbussen schoon te maken, groente te wassen en de zijbanken werden gebruikt om de te wassen goederen op te leggen of zetten.

Waarom zo’n uitgebreide beschrijving van deze wasgelegenheid? Omdat deze betrekking had op de allereerste kennismaking met de familie Ruschkewitz.

De dag na hun aankomst, een zaterdag, zagen wij vanuit het achterraam, de kleine Jantje in zijn nakie op die stoep staan en zijn moeder waste en boende hem tot hij glom. "Zoiets zichtbaar vanaf de openbare weg Je kan wel zien, echt mensen uit de grote stad!" Wat waren wij – dorpsbewoners – toch preuts!"

De eerste tijd was er trouwens nog geen peil op te trekken, wie er nu toch allemaal naast ons waren komen wonen. Omdat het huis zo groot was en alle Joden voor een bepaalde datum de kust hadden moeten verlaten, was er niet zo snel voor ieder een plaats gevonden. Direct ging het erom dat iedereen een tijdelijk onderkomen had om daarna in een wat rustiger sfeer naar een woning om te zien. Het gevolg was dat de buren, die een woning hadden gevonden, familie, vrienden en kennissen die nog niet zo gelukkig waren, voorlopig in huis namen en dat het aantal bewoners van no. 104 na een paar weken aanzienlijk geslonken was.

Zo moeten er in het begin wel tien gezinnen een onderdak hebben gevonden. Afgezien nog van een woonark, die in de wijk lag afgemeerd. Daarin woonde een groot gezin. In het begin hadden wij dan ook geen idee wie bij wie hoorde en wie nu eigenlijk onze nieuwe buren waren.

Wel maakten we al snel contact met de familie Hertzog, bestaande uit vader, moeder, tienerdochter en schoonmoeder. Hij was groothandelaar in steenkolen in Hamburg geweest.

"Als ik het overleef doe ik de Duitse staat een schadeproces aan" vertelde hij ons. Eind november was deze familie samen met de familie Ruschkewitz de enige bewoners in het grote huis naast ons.

Uit het levensverhaal van Jan Stolwijk: "De nieuwe buren kwamen zowel bij mijn moeder in de winkel als bij mij in de zaak. Zo leerde je elkaar nader kennen. Daarbij kwam dat Joden geen eigen telefoon en geen auto mochten hebben. Ze kwamen dus bij ons opbellen en maakten gebruik van mijn taxi. Zo ontstond er vriendschap en beide heren kwamen meerdere malen per week langs om met mijn broer Piet en mij te spelen. Veel werd er gekaart en leerde ik van hen nieuwe spelen zoals pesten, Amerikaans jokeren en een voor mij toen nog helemaal onbekend bordspel namelijk Monopoly" een puur Engels spel Met Engelse plaatsen en straten en Engels het geld.

Na enige tijd kwamen ze bijna dagelijks bij ons naar de Engelse zender luisteren, want zelf moesten ze – de volgende maatregel van de bezetter tegen de joden – hun radio’s inleveren. Een volgende maatregel was het inleveren van hun fietsen en daarna de verplichte Jodenster naast andere pesterijen: cafés, openbare gebouwen, treinen en bussen werden verboden terrein en ook gold voor hen een spertijd: van ’s avonds 8 uur tot ’s morgens 6 uur mochten ze niet meer naar buiten. Veel later gold dit voor iedereen, maar de joden moesten zich al vanaf begin 1941 aan deze regel houden!

Zo leerden wij beide heren kennen, ook hun karakter. Op een keer zei de heer Hertzog: "Als ik deze oorlog overleef, zal ik de Duitse staat aansprakelijk stellen voor mijn schade die ik heb geleden".

Maar de heer Ruschkewitz antwoordde: "Ik heb al veel genoten in mijn leven en zal al zeer dankbaar zijn als ik en mijn gezin het er levend afbrengen". Zo ruilde Ruschkewitz een oud radiootje met mij voor zijn eigen zo goed als nieuwe, maar Hertzog bood zijn toestel aan voor een zekere prijs. Hetzelfde probeerde hij, toen ze hun fietsen moesten inleveren, terwijl Ruschkewitz van mij een oud vehikel ruilde voor zijn eigen goede fiets."

Door deze kleinigheden nam de sympathie voor de heer Herzog zienderogen af, terwijl De heer Ruschkewitz steeds meer als huisvriend beschouwd werd.

Van deze man is later een brief teruggevonden die hij gestuurd had aan zijn broer Hans in Zuid-Afrika. Hieruit blijkt, dat hij in de eerste tijd ondanks de beperkingen, toch gelukkig geweest is. Enige twijfel aan het waarheidsgehalte hiervan is gerechtvaardigd: met de censuur van de post naar het buitenland moest men wel degelijk rekening houden.

Jantjes 'Omi'


Hier volgt een fragment: ‘Wij leven nu al meer dan een jaar hier op het platteland en hebben deze keuze nooit betreurd. Het leven hier heeft in verschillende opzichten vele voordelen en voor Jan is het een waar eldorado. Hij wordt eerdaags vijf en is een flinke kerel. Hierdoor houdt men hem voor zes- of zevenjarig. De hele zomer heeft hij vrijwel niets anders gedragen dan een zwembroek en klompen en hij is haast niet uit het water te krijgen. Achter onze boerderij stroomt de Oude Rijn, een aantrekkelijk water, dat in de winter een prachtige ijsbaan vormt en als geschapen is voor roeien en vissen. Jan is op een keer, toen Ruth en ik niet thuis waren, bij het vissen in het water gevallen, maar is op eigen kracht weer aan land gekomen. Hij vertelde, dat hij zo’n grote vis gevangen had, die hem in het water had getrokken. Zijn opvoeder trok zich hier niets van aan en legde hem voor het eerst van zijn leven over de knie om hem een paar tikken op zijn achterste te geven. Onze kano is zijn grootste trots: ik heb voor Jan een extra zitje laten maken en wij hebben erin schitterende tochten gemaakt over de stroompjes en de meren. Met behulp van een zonnescherm hebben we zelfs gezeild. Hoe hoger de golven, hoe meer plezier de jongen had...

Maar verderop in deze brief blijkt meer van zijn angst: Ondanks dit zijn we vol goede moed en ook aan deze oorlog zal eens een einde komen. Ja, wat er dan gebeurt, God weet het, en het is nutteloos daarover nu te piekeren. We zijn nog jong en zullen dan waarschijnlijk vanaf de grond moeten beginnen. Dit jaar is ontzettend snel gegaan, want het zat vol avonturen. Je hebt er geen idee van, wat we allemaal heeft meegemaakt en ik ben bang, dat we zelf niet beseffen, wat er allemaal nog voor ons ligt..."

Zijn vrouw Ruth schrijft in haar deel van de brief: "Zoals wij hier leven zijn we echte plattelanders geworden. Ernst loopt thuis rond in een oud hemd en een opgelapte broek."

Deze brief dateert van 1941, maar een jaar later was de toestand haast onhoudbaar geworden en de mogelijkheden om niet gedeporteerd te worden werden steeds kleiner. De familie Hertzog was zelf plotseling verdwenen; hun dochter - een studerende tiener - was als eerste ondergedoken. Haar ouders hadden hun sterren afgedaan en waren met de trein naar Rotterdam gereisd. Van hieruit trokken ze naar een onderduikadres, waarschijnlijk in Zeeland. Zij hebben de oorlog overleefd.

Maar de heer Ruschkewitz probeerde zichzelf en zijn gezin te redden onder andere door zich te laten dopen in de Hervormde kerk in Bodegraven, maar een volgende maatregel hield in, dat dit door de bezetter zo’n bekering tot het christendom niet langer een grond vond voor vrijstelling van wegvoering. Toen werd hij benoemd tot afgevaardigde van de Gemeente Bodegraven in de Joodse Raad en dacht zo aan wegvoering te ontkomen.

‘Onderduiken? Was er dan geen mogelijkheid voor hen? Ja, achteraf had de familie bij ons thuis op de winkelzolder kunnen onderduiken. Hoewel… kort na hun wegvoering hebben we nog wel twee keer Duitse inkwartiering gekregen op deze zelfde winkelzolder en wat zou er dan gebeurd zijn?

Je durfde dat risico niet te nemen en zij hebben het nooit gevraagd en wij hebben het nooit aangeboden. Nogmaals wij kenden ook de gevolgen van het ophalen van Joden niet in hun ware proporties. Hoop op een goede afloop was alles wat ons bezig hield. En wij hoorden wel steeds welke gevolgen hulp aan Joden voor hun helpers had, de bezetters lieten dat wel tot ons doordringen.

Lafheid dus? Eigen hachje? De angst voor de bezetters zat er bij ons goed in. ‘Iemand die Joden verborgen hield, liep de kans om samen met de Joden op transport te worden gesteld.’ Zo werd het ons verteld.






© Sion Soeters 2002 - 2013









 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home