Het verzet


                                          Ab Judell


Wat weten we nog van de mensen, die met gevaar voor eigen leven geprobeerd hebben om Nederland van de Duitsers te verlossen, die alles in de waagschaal hebben gesteld om de onderduikers van een veilig onderduikadres te voorzien, die ondanks de straf die erop stond onderduikers van bonkaarten voorzagen, die ondanks het gevaar voor eigen leven de geallieerde piloot hielp te ontsnappen aan gevangenschap, die ondanks de dreigende doodstraf de Joodse familie hielp om uit de concentratiekampen te blijven?

Weinig, heel weinig. De tanende belangstelling voor deze mensen, deze helden, die langzaam maar zeker in de anonimiteit verdwijnen is een duidelijk waarneembaar maatschappelijk verschijnsel.

Een Dodenherdenking, die is afgezwakt tot een herdenking van alle doden uit alle oorlogen. De slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog is hun eigen herdenking ontnomen, hetgeen een klap is in het gezicht van al diegene die hun leven in de waagschaal hebben gesteld om ons land te bevrijden van de nazi's. Of we nu praten over degene die zijn gestorven als gevolg van het oorlogsgeweld, zijn vermoord in de kampen, zijn geëxecuteerd vanwege verzetsdaden, of ondanks alles de oorlog hebben overleefd.

Boeken over hun daden zijn er genoeg. Meestal hopeloos geromantiseerd en weinig realistisch. Spannende oorlogsverhalen, waarin de verzetsheld vaak overwint en zijn taak kan vervullen. Maar hoe was het echt om in het verzet te zitten en dagelijks geconfronteerd te worden met het gevaar van verraad, arrestatie en zelfs executie door de Duitsers, die er regel van hadden gemaakt verzetstrijders vrijwel direct na het verhoor te vermoorden.

Blij verrast was ik toen ik een email kreeg van Dhr. Frank Jüdell, zoon van Ab "Bill" Jüdell, een verzetstrijder uit de Verzetsgroep "Den Haag", die in de Tweede Wereldoorlog een actieve rol in het verzet in Den Haag en Rotterdam heeft gespeeld.

Beiden waren we het er snel over eens dat we het verhaal van Ab op moesten tekenen en door zijn verhaal op het internet te plaatsen hem en de vele anderen te eren voor datgeen wat zij hebben gedaan.

Ab vertrok na de oorlog (1946) naar Suriname en nam na de onafhankelijkheid ook de Surinaamse nationaliteit aan. Ab speelde een prominente rol in het Surinaamse economische en sociale leven. Helaas overleed hij op 21 november 1983 in de leeftijd van 58 jaar. Zijn verhaal over zijn deelname aan de KP Den Haag vertelde hij in een interview aan de Surinaamse krant 'De Ware Tijd'.

Albert Jüdell (Bill, Alexander William van Es)

Ab Jüdell had een groot gevoel voor rechtvaardigheid. Hij was lid van de Haagse Knokploeg. Dat was niet het enige wapenfeit van Ab. Naast zijn betrokkenheid bij het verzet in W.O.II speelde hij een grote rol bij de oprichting van de Bevrijdingsraad van Suriname, onder leiding van Dr. Chin A Sen. De raad die was opgericht na de Decembermoorden (8 dec. 1982) en die sterk stelling nam tegen de dictatuur van Bouterse. Zijn strijd tegen het regime van Bouterse maakten hem in brede kring zeer geliefd en werd hij beschouwd als de grote inspirator achter het herstel van de democratie en de mensenrechten in Suriname, het land waar hij sedert 1946 woonde.


Alles van ons was illegaal, we hadden valse namen, we droegen wapens die we hadden gestolen en we braken in bij posterijen om aan geld te komen. We pleegden overvallen om aan rantsoenbonnen te komen en we overvielen politiebureau’s en gevangenissen om kameraden te bevrijden. We overvielen Duitse transporten om aan wapens te komen en met plastic kneedbommen en magneetmijnen saboteerden wij schepen en spoorlijnen.

Als dieven trokken we meestal ‘s nachts rond, want duisternis was onze vriend en beschermer. Iedere fout kon fataal zijn. Je werkte in het geheim en met primitieve middelen en er zaten soms verraders onder je eigen mensen. De vijand, de Duitsers en die verraders van de NSB waren sterk en hadden wapens. Ging er iets mis dan kreeg je zonder meer de kogel, maar meestal eerst nadat je gemarteld was om informatie los te krijgen. Ik heb dus vijf jaar onder immense druk aan het verzet deelgenomen en dat heeft onuitwisbare sporen op me achter gelaten.

Vandaag, ruim 41 jaar verder krijg ik daar soms nog nachtmerries van. Dan zie je voor de geest, je makkers die werden gepakt en doodgeschoten Dan zie ik weer die stille en bescheiden student Segundo "Boy" Ecurie van Aruba, die de dag voor hij werd opgepakt tegen mij zei: "Bill, als mij iets overkomt dan zoek je mijn moeder op Aruba op en vertelt haar hoe het is geweest". Boy werd de dag daarop opgepakt en gefusilleerd. Ik ben de belofte nagkomen en heb later zijn moeder opgezocht.

Frappant is het nu na 41 jaar, als ik weer eens met vakantie in Nederland ben en in het ouderlijk huis, in mijn oude bed slaap. Midden in de nacht stopt opeens een auto voor de deur en ik schrik wakker, badend in het zweet. In mijn onderbewustzijn ben ik teruggekeerd naar de tijd van het verzet, waar het stoppen van een auto voor je deur in negen van de tien gevallen een overvalwagen van de Duitsers was en je moest vluchten. Neen, die angst en spanning is mij altijd bijgebleven.

Ik was nog een schooljongen van een jaar of vijftien toen ik met het verzetswerk begon. Wij starten met een groep van zeven jongens uit mijn straat, allemaal in de leeftijdsgroep van 15 tot 17 jaar. Later, toen we een officiële knokploeg waren werd onze groep uitgereid met jongens uit andere delen van Den Haag. Van de oorspronkelijke 7 jongens uit onze groep hebben er 4 de einstreep gehaald. De andere zijn opgepakt en doodgeschoten. Een van de overlevende kon de druk niet meer aan en raakte psychisch gestoord door de constante druk.

Ik raakte al vroeg betrokken bij het verzet, eigenlijk al op de dag van de Duitse inval. Wij woonden bij het vliegveld en ik stond op het balkon naar buiten te kijken. Bij de duinen was een Nederlandse stelling. Opeens zag ik achter de duinen een stel Duitse soldaten kruipen. Ik snelde naar beneden en alarmeerde de Nederlandse jongens en zei ze naar het balkon te kijken vanwaar ik ze aanwijzingen zou geven. Vanaf het balkon schreeuwde ik en zwaaide ik met mijn armen, waarna de Duitsers het balkon onder vuur namen, zodat ik moest vluchten.

Gelukkig liep het allemaal goed af en de Duitsers werden gevangen genomen en afgevoerd. Na de capitulatie, vier dagen later, heb ik van een van de Nederlandse soldaten enkele revolvers gekregen, eentje daarvan heb ik de hele oorlog bij me gedragen.

In het begin van de bezetting was alles vrij rustig, tot op het moment dat de Joden lastig gevallen werden. Toen was het ons duidelijk, dat we iets moesten doen, we konden dat niet nemen. We vormden een groep en tuigden NSB’ers af, soms geholpen door drukkerij-arbeiders, die gebruik maakten van zware loden staven.

Bloedige anjeractie

Op de verjaardag van de prins besloot het Nederlandse volk de straat op te gaan met een witte anjer op de borst. De NSB’ers waren woest en plukten bij iedereen die ze te pakken konden krijgen de anjers van de borst.

Wij besloten ze een lesje te leren en gingen de straat op met een doos vol scheermesjes en maakte ze bij de mensen onder de anjes vast. Als de NSB’ers ze los probeerde te trekken sneden zij zich lelijk in de vingers. Het was een bloedige zaak en ze kregen ons nooit te pakken.

Duitse druk neemt toe

Eind 1941, begin 1942 namen de Duitsers een heel andere houding aan. Razzia’s waren aan de orde van de dag, meer en meer Nederlanders doken onder, hetgeen veel werk met zich mee bracht. De Haagse knokploeg was een professionele knokploeg geworden. Het ging veel verder dan het aftuigen van een paar NSB’ers. Voedselbonnen en wapens waren belangrijker. De postkantoren en distributiecentra overvielen wij doorgaans net na openingstijd of vlak voor sluitingstijd, als de kluizen niet op slot waren.

Ook waren we actief bij de verspreiding van het nieuws. De uitzendingen van Radio Oranje en de BBC werden gestencild env erdeeld. Hier begon ik voor het eerst met het journalistieke werk. Ik hielp mee redigeren en verspreiden. De stencilmachines en het papier haalden wij van scholen en drukkerijen.

Wij verzorgden het in veiligheid brengen van onderduikers en het verstrekken van rantsoenbonnen en geld. Het onderbrengen van onderduikers was een riskante zaak. Werd je gepakt, dan was je het haasje. Over het algemeen mag gezegd worden, dat het Nederlandse volk uitstekend heeft gezorgd voor de onderduikers. Maar er zijn er wel geweest die ons probeerde te chanteren. Gaf je ze bv. 500 gulden en rantsoenbonnen, dan wilde ze de volgende keer meer geld en bonnen. Als je dat niet wilde geven moest je opnieuw op zoek naar een onderduikadres.

Een van de grootste problemen was wanneer een onderduiker overleed. De vraag was waar en hoe raak je het lichaam van de overledene kwijt. De meest praktische manier was de dode in een matras vast te binden en het matras ‘s avonds langs een verlaten weg of weiland weg te gooien.

Naarmate het aantal onderduikers toenam werrd ook de behoefte aan geld en bonnen groter. Het aantal verzetslieden steeg sterk, waarmee ook de behoefte aan wapens toenam. De overvallen leverden maar een beperkte hoeveelheid wapens op, dus moest de Nederlandse regering in Londen helpen. Een speciaal squadrom werd opgericht, dat gespecialiseerd was in nachtvliegen en droppen van containers. Dit vergde veel organisatie, er moesten lijsten met goederen gemaakt worden, dropzones moesten worden aangewezen en tijden moesten worden afgesproken.

Ondragelijke spanning

Een van de belangrijkste dingen bij de droppings was het vinden van geschikte terreinen waar de droppings met een zekere mate van veiligheid konden worden uitgevoerd. Veel droppings vonden plaats op de Veluwe en in Friesland. Als het bericht kwam dat een dropping in aantocht was, heerste er een nerveuze stemming. De pistolen werden geladen, zaklantarens gecontroleerd en kaarten en kompassen werden gecheckt.

In het aardedonker gingen we op pad dwars door de bossen naar de droppingsplaats. Seinlichten werden uitgeprobeerd en wachtposten werden weggezet. En dan was het wachten op het vliegtuig.

Als de zware motoren boven ons gromden flitsten de lichten aan en seinde de seinlichten "streep-punt-punt". Op zo’n 200 meter hoogte daverde de bommenwerper voorbij en de containers kwamen aan de parachute naar beneden. Dan was het snel de containers verzamelen, inladen in gereedstaande auto’s of begraven op geheime plaatsen.

De droppings waren heel belangrijk, de containers zaten vol met stenguns, munitie, handgranaten, pistolen, springstoffen, sabotagemateriaal, sigaretten, chocolade, suiker en beschuiten. Soms liep het bij een dropping verkeerd af. Containers die op een verkeerde plaats neerkwamen of we werden verrast door Duitse soldaten. Het liep dan op een gevecht uit. 

Arrestatie

Ab Judell werd in 1943 gearresteerd. Over zijn arrestatie verteld hij het volgende:

Mijn arrestatie was een ongelukje. De Duitsers hielden een razzia en ik liep gewoon in hun fuik. Ik was net 18 en die avond met mijn knokploeg op stap geweest en kwam laat thuis. Mijn moeder was natuurlijk bezorgd, maar ik vertelde dat ik met vriende was uitgeweest en ging naar bed. Een uur of twee later werd ik door Moffen en NSB’ers hardhandig gewekt. Ik moest me aankleden en zij doorzochten mijn kamer. Ik kan je vertellen, dat ik als knaapje van amper 18 op mijn benen ztond te trillen en ik plaste bijna in mijn broek. Een van de Moffen doorzocht mijn nachtkastje en vond daarin mijn algebra schoolschrift.

Dat heeft me eigenlijk gered, want hij werd zo in beslag genomen door de algebratekens, waarvan hij dacht dat het een gecodeerde boodschap was, dat hij niet verder zocht en dus ook mijn revolver die achterin het laatje lag niet vond.

De Moffen namen me mee naar het politiebureau van Loosduinen en werd duchtig aan de tand gevoeld. Later werd ik samen met anderen overgebracht naar de gevangenis van Scheveningen, ook wel het Oranjehotel genoemd. Voor de poort van het Oranjehotel schopte zo’n kleine rotmof me ondersteboven. Misschien omdat ik van alle gevangenen het meest op een Jood leek.

In het Oranjehotel werd ik urenlang ondervraagd, maar bleef alles ontkennen, ik wist niets van de ondergrondse, niets van onderduikers, helemaal niets. Ondanks dat er geen greintje bewijs tegen me was, werd ik toch naar kamp Vught gestuurd.

Kamp Vught: poort tot de hel

 

Ingang van KZ Herzogenbusch.


Het concentratiekamp Vught was de poort tot de hel. Een incident kort na mijn aankomst in het kamp heeft me tot in mijn ziel gesneden. Mijn eerste eten bestond uit wat vieze aardappels in de schil gekookt en een kommetje rode koolwater. Ik kreeg het niet door mijn keel en gooide het door het raam naar buiten. Tot mijn grote verbazing zag ik enkele van de gevangenen de aardappels oprapen en met een rotgang naar binnen werken. Dit incident greep me diep aan, omdat het hier niet ging om kleine jongens, deze mensen stonden hoog op de maatschappelijke ladder, maar moesten vernederende dingen doen om in leven te blijven. Ik heb later nooit geen aardappels weggegooid, want ik barstte zelf van de honger.

Twee dingen zijn me uit Vught bijgebleven. Het eerste was een medegevangene, die lollig wilde zijn of een beetje gestoord was geworden riep ‘s nachts in de zaal ineens: "Balletje gehakt, zes centen maar. Balletje gehakt, zes centen maar". Als ik tegenwoordig een bal gehakt zie, denk ik meteen aan deze knaap.

Het tweede voorval dat mij geestelijk heeft gesterkt was het zien en horen van een kookploeg bestaande uit Joodse meisjes. Deze meisjes, die wisten dat zij het er niet levend vanaf zouden brengen, lieten zich er geestelijk niet onder krijgen en elke morgen kwamen zij zingend langs. Het liedje dat zij zongen ben ik nooit vergeten. Het was het liedje "ouwe taaie, jippie jippie jee". Het gedrag van deze meisjes gaf me hoop en de wil te overleven.

Op een zekere dag werd ik vrijgelaten en hoorde dat mijn kameraden enkele Duitsers hadden omgekocht.

Het verraad

Na Vught keerde Ab terug naar zijn knokploeg. Het liep inmiddels tgen 1944 en het optreden van de Duitsers tegen het verzet was heel hard. Het verzet verloor in die tijd ook veel mankracht.

De Haagse verzetspleog was naar Rotterdam gegaan, omdat de grond hen te heet werd onder de voeten. Daar namen zij deel aan diverse acties, die slechts ten dele succesvol waren. De grootste klap voor de verzetsgroep uit Den Haag was de arrestaite van een aantal leden van deze groep. Op 5 november 1944 verloor Ab Judell een van zijn beste vrienden. De 22 jarige Arubaanse student Boy Ecury werd gearresteerd terwijl zij waren gedetacheerd in Rotterdam.

Achteraf bleek de leider van de knokploeg Rotterdam Zuid, Kees Bitter een verrader te zijn, die zijn eigen leven wilde redden door andere te verraden. Door zijn toedoen stierven o.a. Boy Ecury en Bernard Cramer. Kees Bitter werd later door de KP Rotterdam geliquideerd.

Tegen de bevrijding was Ab ingedeeld bij de Speciale Brigade en nog later bij de Stoottroepen, die hielp bij de ‘crossings’ en later bij het treffen van voorzieningen voor een ordentelijke overgang als de Duitsers zich overgaven.

De oorlog voorbij

Op advies van Prins Bernhard ging hij met een recommendatiebrief voor Gouverneur Brons naar Suriname. Hij kwam daar aan in oktober 1946 samen met Joop Sletering. Judell koos hier voor de journalistiek en werd vertegenwoordiger van het ANP in het Caraibisch gebied. Toen het ANP werd omgedoopt in het SNA werd hij directeur.

Je vergeet het nooit

Den Haag 6 mei 1945. De Duitsers hebben gecapituleerd en Nederland is bevrijd. Duitse SS-mannen hebben zich als burger gekleed en houden zich schuil in de woningen. Hier worden zij met opgeheven armen uit de woningen gehaald. Op de wagen in uniform met helm op en pistool in de hand is Ab Jüdell, alias William van Es, rechts staat zijn ordonnans Leen Weerwag.


De oorlog in het algemeen en de verzetsjaren vergeet je nooit. De ellende, de misdaad tegen de Joden, de constante spanning en angst staan diep in je geheugen gegrift.

Ik denk vooral aan de drie koeriersters die een cafeetje binnengingen en hun jassen over de koppels en pistolen van de Duitsers hingen om ze even later zo mee naar buiten te nemen. Ik kende een Joodse familie die drie jaar ondergedoken heeft gezeten van enkele vierkante meters, onder de grond nog wel. Ik denk aan de mensen die onderduikers innamen. Ze speelden met hun leven, want als ze werden gepakt werden zij en hun familie afgevoerd. Ik denk ook aan de verraders in ons midden. We hebben ze uit de weg moeten ruimen. Daarbij hebben we enkele fouten gemaakt. Het was niet makkelijk om een vijand te doden, laat staan iemand uit je eigen gelederen. Maar het was oorlog en de belangen van tientallen anderen die van jou afhankelijk waren stonden op het spel.

Je deed je plicht, aldus Ab Judell. Ab Judell is overleden op 21 november 1983 in de leeftijd van 58 jaar. Ab ontving een indrukwekkende lijst met onderscheidingen. Zo was hij Officier in de Orde van Oranje Nassau, drager van het Nederlandse Oorlogskruis en drager van het Verzetsherdenkingskruis 1940 – 1945.

Met deze website hopen wij hem en al zijn kameraden die in het verzet hebben gewerkt te eren en hen een plaats te geven die hen toekomt, zodat wij nooit vergeten wat zij voor ons geriskeerd hebben.

Weerzien

Ab Jüdell over zijn wapenmakkers:
Na de oorlog ging ieder zijns weegs. Ik ging naar Suriname. In het begin hoorden we via derden nog wel eens van elkaar maar dat verflauwde. Ik ben een paar keer terug geweest in Nederland en dan ontmoette ik nog wel eens een wapenmakker.
De prettigste ontmoeting gebeurde in 1960. Ik zat met een paar vrienden wat te drinken in een officiers sociëteit die op de Spanhoek was gevestigd. Een dame en haar man kwamen binnenstappen. Met een verrukt kreetje "Ha Billy" vloog ze me om de nek en van mijn kant klonk een gebrul: "Ha, die Ellis".
Zij was Ellis Maassen, een van de drie dappere koeriersters die met mij hadden gediend in de Haagse Knokploeg.
Ze had de oorlog overleefd en was getrouwd met Loek van Putten. Loek was destijds de eerste directiesecretaris van de Surinaamse Bank. Het spreekt voor zich, dat wij heel wat oude herinneringen hebben opgehaald.





© Copyright Sion 2002 - 2013


Bron: De Ware Tijd 1981










 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home