Krijgsgevangenkamp Prins Bernhard


                              De oprichter vertelt......


 

 

Ben Strik, alias Maggi, initiatiefnemer en oprichter van het krijgsgevangenkamp 

 Dhr. Strik


Beschouwing van de situatie.


D-Day was aangebroken, dag van ontschepen. In 1944 sloegen de Geallieerden, met enorme verliezen een bruggenhoofd in Caen. De stranden lagen vol doden van beide kanten. maanden werd er gewerkt om het bruggenhoofd vaste vorm te geven. Al het zware oorlogsmateriaal moest aan land worden gebracht om de Duitsers te verdrijven. Soldaten van alle bezette gebieden vochten mee. Vliegtuigen vlogen af en aan. Rusland begon aan zijn opmars. De Duitse legers werden langzaamaan terug gedreven. In Afrika kon Rommel geen stand houden. Onder druk van bombardementen, met vliegtuigen die opstegen uit Natal in Brazilie werd zijn weerstand gebroken. Italie begon te twijfelen aan Mussolini's avontuur met Hitler. Hitler's droom van de Germanen als superras begon te tanen.

Wij zaten steeds meer te luisteren naar de Engelse zender. Zou het dan toch eindelijk gaan gebeuren? We werden ongeduldig. De nazi's met hun onoverwinnelijk gewaande SS troepen werden steeds driester en gemener. In de concentratiekampen werden in de haast massaal gevangenen, vooral Joden omgebracht. Alle regels van mensenrechten werden met voeten getreden.

Ons werk van families bezoeken en post bezorgen begon even te haperen. Het werd allemaal veel te gevaarlijk. We bleven rond Haarle en Heeten hangen. toen kwam onder vreugdegehuil het bericht, dat de legers, die zich gevormd hadden op het bruggenhoofd met de opmars waren begonnen. De bevrijding van Frankrijk as begonnen en Parijs kwam in zicht. Na het begin van de opmars leek het erop dat de Duitse legers ineen zouden storten. Er was gebrek aan brandstof. Niet genoeg vliegtuigen om de grondtroepen te ondersteunen, het afweergeschut was grotendeels vernietigd en zweeg. De maandenlange bombardementen op Duitse steden had de weerstand gebroken. De twijfel sloeg toe, de soldaten van de Wehrwacht waren het allang zat. Ze zaten te wachten op een gelegenheid om de wapens neer te leggen.

Na de bezetting van Parijs, kriskrasten de Geallieerde troepen in recordtijd door Frankrijk en Belgie in de richting van de Elzas en de Ardennen, waar de Duitsers zich gingen verschansen. Nederland zou even links moeten blijven liggen had Montgomery tegen prins Berhnhard gezegd, die van koninging Wilhelmina de legervolmachten had gekregen. Hij wilde direct doorstoten naar Berlijn. Daarna zou Nederland pas aan de beurt komen. Prins Bernhard kwam daar tegen in opstand. Hij stond erop dat Nederland in de opmars naar Berlijn meegenomen werd. Montgomery en Bernhard lagen elkaar niet. Omdat hij van oorsprong een Duitser was en niet te vertrouwen? Toch kreeg prins Bernhard zijn zin. Hij gaf aanwijzingen, die jammer genoeg in de wind werden geslagen. Daarom liep het faliekant mis.

Montgomery besloot bij Arnhem duizenden parachutisten of te werpen. Die moesten de stad bezetten en de brug over de Waal beschermen tegen opblazen. Zo zou het landleger, dat onderweg was, vrije doorgang krijgen naar Noord Nederland. De Duitsers met wat ze nog over hadden aan halfgebakken voertuigen, begonnen massaal op de vlucht te slaan.

Heeten.

 

Ben Harleman en Ben Strik vanaf mei 1943 samen ondergedoken op de boerderij van Sweurning Bats Voorhorst, maar ook op zondag samen naar de kerk


Ook rond Heeten zochten soldaten hun heil in de vlucht of werden een prooi van de ondergrondse verzetstroepen. Iedereen geloofde dat het een kwestie van dagen was. Met Johny bepaalde ik onze strategie om in te grijpen in de chaos die aan het ontstaan was. Met hem en nog een oudere onderduiker zochten we tussen Heeten en Raalte in de avond een schietpositie met de revolvers en enkele geweren die we hadden in een greppel langs het weiland. In de hoop dat we Duitsers te pakken konden krijgen, die langs kwamen. Na uren in de greppel met de geweren in de aanslag, hoorden we ratelend over het asfalt iets naderen. Het bleek een colonne gesloten tanks te zijn, waar tegen onze geweren niets konden uitrichten.

Ik zei dat zachtjes tegen Joop en wilde het ook aan de andere makker in het donker haast niet te zien, zo donker was het, doorgeven. Hij was verdwenen. De volgende dag vernamen we dat hij helemaal van streek met gescheurde kleren was binnengevallen in de boerderij in Haarle, waar ik hem ondergebracht. Dwars door de weilanden, springend en vallend over greppels en prikkeldraad had hij de 5 km afgelegd om aan het dreigende gevaar, in zijn ogen, te ontkomen. Direct na de oorlog liep hij pronkend te vertellen over zijn heldendaden. Zoals velen dat deden, die hoopten er een goed baantje aan over te houden.

Ik gaf het niet op. Met Henk Reukers en Guus Tijhaar, schoolvrienden, die ik als laatste onderduikers had geplaatst in Haarle, besloten we een brug over het kanaal tussen Heeten en Raalte onder schot te houden. De 3 musketiers van Haarle. Het waren moedige kerels. Henk Reukers was politieagent. We gingen met geweren in de aanslag langs de dijk liggen. We hadden graag de brug opgeblazen maar hadden er geen materiaal voor. Dat deed ons pijn. Alles ging te snel. We konden er geen voorbereidingen meer voor treffen. Ook nu weer waren het een paar tanks, waartegen we niets konden uitrichten.

Op weg naar Heeten, waar onze fietsen stonden, liepen er verward twee Duitsers door de weilanden. We sommeerden ze te stoppen. dat deden ze graag. Ze waren gedeserteerd. Het werden onze eerste gevangenen. Door de snelle opmars van de geallieerden dachten veel Duitse, 0ostenrijkse en Italiaanse soldaten in Duitse dienst, dat de tijd gekomen was om het bijlt je erbij neer te gooien. Ze waren Hitler en zijn kliek allang zat. Ze vonden het een prachtige kans er tussen uit te knijpen en zo snel mogelijk hun uniformen uit te trekken. We brachten ze tijdelijk onder bij boer Berghuis. Daar waren Jan Weenink en Sjef van Rheden, die ik vaak gevraagd had in het verzet te komen, eindelijk bereid mee te werken. We hadden intussen nog een paar soldaten die ronddoolden gevangen genomen.

Ze hadden geen lust zich te verzetten. Uit Raalte wilde de verzetsgroep van Bernard Aa En Wim Albers nog een stel Duitsers en Oostenrijkers kwijt, die ze gevangen hadden genomen. Ik zocht naar een oplossing.

Ik had een goede vriendschap opgebouwd met de familie Kerkvliet, van oorsprong uit het Westen. Vier broers met een transportbedrijf. Om de dooie dood niet bang voor de Duitsers. Nu alles spoedig afgelopen zou zijn, helemaal zonder vrees. Ze verwezen me naar hun jongste broer, Jozef getrouwd met de dochter van een kleine boer met de bijnaam Rutertje, De Ruiter, waar ze bij inwoonden. Zijn boerderijtje lag in een kom verscholen achter de grote boerderij van Berghuis, waar Jef van Rheden en Jan Weenink al enkele jaren waren ondergedoken en we onze muzikale feesten hadden gehouden met onderduikers.

Jozef was een tanige en sterke kerel van rond de 25 jaar. Als hij sprak onderbrak hij het altijd met grinnikend gelach met al zijn tanden bloot. Hij gaf altijd de indruk absoluut nergens bang voor te zijn. In een woord een vreemde vogel. Hij was net getrouwd. Ze hadden een kindje. Ik ging van Berghuis in de richting van het boerderijtje van Rutertje en kwam Jozef op het land tegen. We maakten een praat je over de gang van zaken in de oorlog. "Gelukkig", zei hij, "kunnen we die Duitsers eindelijk het land uit sodemieteren". Zo had ik mijn voorbereidingen getroffen voor mijn vraag. Hun boerderijtje gebruiken om de gevangenen onder te brengen. Het zou toch nog maar een paar dagen duren. Dan waren we vrij. De geallieerde legers rukten al op in Brabant, richting de Waal.

We liepen naar de boerderij, goed verscholen achter bomen in een laagte. Met er voor een diepe greppel, alsof het loopgraven waren. Een ideale plaats om onze gevangenen te verbergen. Ik maakte kennis met zijn vrouw en kind je. Rutertje zat bij het fornuis koffie te drinken. Zijn vrouw was gestorven. Hij moest uiteindelijk toestemming geven. Jozef was er maar bij ingetrouwd. Hij kende mij wel. Maggi was een magisch woord geworden. Dat was ook wel nodig bleek al snel. Toen we het gesprek na een kop koffie in die richting stuurden, wees hij de gedachte meteen af. Na veel heen en weer gepraat en overtuigingskracht van ons beiden ging hij schoorvoetend akkoord. De angst bleef te lezen in zijn ogen. Eigenlijk had hij, al op leeftijd, de boerderij in handen van Jozef gegeven. Met hem ging ik de deel op om te kijken hoe ze het beste ondergebracht konden worden. Net als Ben Harleman en ik, zouden ze boven de koeienstallen aan twee kanten in het hooi worden gelegd.

Het Krijgsgevangenkamp.

We begonnen meteen. Met Johny vroegen we bij boeren van onderduikers lakens, kussens en dekens te leen. Bij winkeliers in het centrum levensmiddelen voor een noodvoorraad. Zonder te zeggen waar het voor nodig was. Buiten Berghuis bleef voorlopig iedereen verstoken van informatie over wat we deden en waar we zaten om verrassingen te voorkomen.

We vormden een staf van vier man, Sjef en Jan, gewezen soldaten, werden belast met de militaire ordening. Ze bepaalden de dagindeling, Stelden een reglement samen. Zorgden voor de bewapening met de geweren en revolvers die we al hadden en nu werden buit gemaakt op de gevangen genomen soldaten. De SD uit Nieuwheten zou kunnen komen opdagen met hun herdershonden. Ik nam de foerage, de contacten naar buiten en de psychologische benadering van de gevangenen voor mijn rekening. We kozen de meest betrouwbare onderduikers uit om dag en nacht op toerbeurt de wacht te houden en met de gevangenen de boel schoon te houden. Dat werd Johny zi jn werk. Hij hield ervan op de voorgrond te treden en bevelen uit te delen. Dat werd zonder problemen door de onderduikers en gevangenen geaccepteerd.

De deel werd leeggemaakt en voorbereid op de komst van de gevangenen die elders door verzetsgroepen in bedwang werden gehouden. Enkele tientallen slaapplaatsen werden er op de hielen van de 2 kanten van de deel klaar gemaakt. Wat kastjes in de koeienstallen gezet om spulletjes en kleren in op te bergen. AIles werd tot in de puntjes voorbereid.

Het spel kon beginnen. De gevangenen werden aangevoerd en kregen hun plaatsen aangewezen. Duitsers, Oostenrijkers en ook 3 Italianen, die ik van de verzetsgroep uit Deventer kreeg aangeboden. De boerderij liep vol. Alles verliep op militaire wijze. Iedere morgen om 7 uur appel. Afgenomen door Sjef en Jan. Dat deden zij als sergeanten uitstekend. Het werk werd verdeeld. In groepjes werden ze onder curatele gesteld van onze onderduikers. Ze gingen het land op met Jozef. Op de eerste plaats werd er een tunnel gegraven, dwars door de hooimijt heen, de grond in, waarlangs ze in de greppel rond de boerderij, als het nodig mocht zijn, konden wegvluchten de weilanden in. Omdat het terrein erg golvend was, zou dat niet zo moeilijk zi jn. Disciplinaire problemen gaven de gevangenen niet. Als ze gepakt zouden worden, zouden ze als deserteurs meteen gefusilleerd worden. Met de Italianen gingen de anderen niet graag om. Een van hen, hadden de andere twee gezegd, had syfilis. Dat zette de boel een beet je op scherp. Goed. De zaken waren geregeld.

Er bleef een groot probleem over. Wie zou er gaan zorgen voor het koken? Dat konden we de vrouw van Jozef niet aandoen. Ik ging als de donder naar ome Harry Wesselink in Apeldoorn om een oplossing te forceren. Ik wilde hem vragen een van zijn dochters af te staan. Het liefste Aggie. Die was het vrolijkste en handigste. Ik vertelde aan hem en tante Jo waar we mee bezig waren. Dat leverde niet direct enthousiasme op. Er moest heel wat voor gepraat worden. Tenslotte, omdat ze inzagen dat ik helemaal in de knoei zou komen te zitten met onze gevangenen, ( ik was toch hun zoon?), gaven ze toestemming om de tweede dochter Iet mee te geven. Ze was iets ouder dan Aggie en die hadden ze thuis hard nodig om haar handigheid. De zaak was beklonken.

Ik had voor die tocht mijn DKW weer van stal gehaald met de laatste benzine. Bepakt en bezakt, Iet achterop, tassen voor me op de tank, reden we via Deventer naar Heeten. Gevaar was er door de verwarring bij de Duitsers op dat ogenblik niet. En wij maar denken: Het is in een paar dagen bekeken. Zo snel was de opmars van de geallieerden gegaan. Voor het zover was veranderde Iet nog eens drastisch mijn leven. Ze had op dat moment verkering net Henk Vulink, een schoolgenoot van mij. Ze werd met gejuich door iedereen ontvangen en werd met groot succes onze kokkin. Ze had helemaal geen gevoel van angst en paste in ons verzetspatroon.

De opheffing.

In totaal waren er 10 onderduikers voor de of lossing van de wacht. Het was nog een hele toer er genoeg over te halen dat werk te doen. Of de boeren wilden het niet, of de onderduikers waren er bang voor. Zo gingen er enkele dagen voorbij.

Bij Arnhem, kregen we druppelsgewijze door, ging het niet zo goed. Dat verhoogde de spanning in ons kamp. We zaten de hele dag bij ons clandestiene radiootje, intussen gekregen. De gevangenen werden natuurlijk niet van alles op de hoogte gebracht. We deden het voorkomen dat alles goed ging. Eten was er gelukkig genoeg. We kregen het van de boeren rondom. Iet kweet zich dapper van haar taak. Ik bewonderde haar. Stilletjes begonnen we intens van elkaar te houden.

Rondom in de greppels lagen een stel onderduikers altijd op de uitkijk. Zo nu en clan werd de SD gesignaleerd. Eenmaal kwamen ze met hun honden naar de boerderij van Berghuis, op geen 50 meter afstand van ons kamp. De boer gaf ze wat kaas en melk. Dat leidde ze af. Als ze gekomen waren, was het tot een gevecht gekomen. Wij waren niet bang voor de gevolgen voor het dorp. De oorlog zou toch snel afgelopen zijn!! Maar dat lukte niet erg.

Het gebrek aan ervaring met wapens brak Joop Traag op. Hij ging naar de WC met zijn revolver in zijn broekzak, zonder de veiligheidspal af te sluiten. Bij het gaan zitten op de WC viel zijn revolver uit zijn zak op de horde grond en ging af. De kogel ging dwars door zijn buik. In alle haast hebben we hem naar het ziekenhuis in Deventer gebracht, waar ze de kogel gelukkig zonder zware problemen konden verwijderen. Joop is niet meer in Heeten teruggekomen. Hij slaagde erin met succes achter de linies te komen toen de Duitsers met hun tanks toch standhielden bij Arhem.

Daar liep het radicaal mis. Waar prins Bernard voor gewaarschuwd had. Achter de waterlinie bij Arnhem waren de Duitsers in staat hun tankdivisies, na de massale vlucht weer te hergroeperen.

Het leger van de geallieerden werd opgehouden. De parachutisten, werden in een huis aan huisgevecht in de pan gehakt of gevangen genomen. De spanning was te snijden bij het luisteren naar de radio. Het zal toch niet waar wezen? Waar moeten we dan met onze gevangenen heen? Het werd inderdaad een debacle. Erger had het niet kunnen zijn. Arnhem werd geevacueerd. Logisch dat de familie van onderduikers hun heil zochten bij de boeren van hun jongens. Ze werden gastvrij ontvangen. Met de overtuiging, dat al was het ook misgegaan met de parachutisten en het leger te laat bij de Waal in Nijmegen kwam, het binnen een paar dagen afgelopen zou zijn, wat niet het geval was. De Waal werd tot mei het jaar erop de scheidinglijn. De evacues bleven tot het einde van de oorlog in Heeten en ook een beetje in Haarle. Wij zaten met onze krijgsgevangen in de val.

We deden een beroep op de verzetsgroepen van Raalte en Deventer om het kamp zo snel mogelijk te ontruimen. De Italianen gingen naar hun adres in Deventer. Die we uit Raalte gekregen hadden werden ondergebracht, waar ze na het gevangennemen gezeten hadden. Twee ervan werden kort daarop gepakt en op de markt van Raalte doodgeschoten. Er bleven 2 Duitsers over. Mijn lieve Iet Wesselink, de kokkin, werd direct in veiligheid gebracht naar Apeldoorn.

Het verzet in Heeten, onder leiding van Reekers de veldwachter oefende pressie op ons uit om gevaar voor de bewoners af te wenden. Putten lag vers in het geheugen. De Duitsers in hun angst zelf de dupe te worden, waren begonnen er op los te moorden. Het was er op of er onder. In Apeldoorn werden lijken op de hoeken van de straten op de trottoirs gelegd om afschrik in de boezemen. Het was een afschuwelijk gezicht.

Opperwachtmeester Reekers


In het kamp werd de hele boel opgeruimd om elk spoor van aanwezigheid uit te wissen. De onderduikers die de wacht hadden gelopen gingen hun Arnhemse familie ontvangen op de boerderijen. De wapens werden elders ondergebracht. Op de 2 Duitsers na.

Jan Weenink en Jef van Rheden lieten me gewoon met de twee zitten. Eerst wilde ze niet mee doen in het verzet en toen het einde nabij leek te zijn, trokken ze zich terug in de boerderij van Berghuis, vlak er naast en deden alsof alles voorbij was. Jozef Kervliet bleef me steunen. Ik mocht met de 2 op de boerderij blijven. Boer Rutertje, was daar op tegen. Hij stond doodsangsten uit. Of hij bij veldwachter Reekers geweest is, weet ik niet. Die kwam me opzoeken. "Maggie", zei hij tegen me, "je bent te goed bekend geworden. Probeer a.u.b te verdwijnen en elders je werk voort te zetten. We kunnen nu geen problemen in het dorp hebben." Ik heb geantwoord dat ik mijn best zou doen de Duitsers onder te brengen. Maar welke boer zou daartoe genegen zijn?

Zwerftocht.

Ik bleef nog even met de 2 gevangenen op de boerderij. Zonder bang te zijn voor de toekomst. Ik had het gevoel dat er een engel op mijn schouders zat. We leefden samen op de deel. Kookten en wasten voor ons zelf. We lieten voorlopig zo min mogelijk ons gezicht zien. De berichten dat het mis ging met de geallieerden maakten me onrustig. Ondanks het verlof van Jozef, voelde ik dat we niet langer op de boerderij konden blijven. Het ging nu ook om het leven van de oude baas, de vrouw van Jozef en de baby, be pressie uit het dorp nam toe.

Ik had intussen met de 2 Duitsers een goede vriendschap opgebouwd. Het waren toffe kerels. Soldaten van de Wehrmacht. Ze vertelden dat ze altijd de pest aan Hitler hadden gehad. Maar wat moest je? Of vechten of doodgeschoten worden en dat ze protestant waren. We besloten weg te gaan en te zoeken naar andere mogelijkheden. Ik gaf ze beiden een revolver. Dnt zou niet gevaarlijk zijn. Ze hadden mij nodig om in leven te blijven. Zonder mij waren ten dode opgeschreven.

We besloten om onze veiligheid in de omgeving te waarborgen, de SD agenten in Nieuw Heeten op te ruimen. Dan had niemand er meer last van. Met wat kleine spulletjes gingen we op weg naar de pastorie van de dominee, waar de SD met hun honden hun intrek hadden genomen. We zouden doodgewoon aanbellen. Bij het opendoen zouden mijn nieuwe vrienden ze aanspreken in het Duits en een smoes verzinnen om binnen te mogen komen. Zo gezegd, zo gedaan. We gingen erheen. Een afstand van rond de 6 kilometer dwars door de wei landen.

We gingen koelbloedig naar de deurbel. Vastbesloten ze van kant te maken. Tot onze verbazing opende de dominee de deur. Hij vertelde dat na de omslag bij Arnhem, ze als hazewinden met hun honden waren vertrokken. We maakten onze verontschuldiging en gingen op weg naar het protestante Schoonheten. Dat was bij me opgekomen toen ze me verteld hadden dat ze protestant waren. Een katholieke boer zou niet zo gemakkelijk een protestante Duitser onder zijn hoede nemen. Een protestante onderduiker zou nog kunnen. Zeker geen Duitse protestante soldaat. Dat zou ook te grote gevolgen kunnen hebben als het mis ging. Schoonheten lag goed verborgen in het landschap. Het waren maar een tiental boerderijen. Zou ik daar slagen? Als dat niet het geval zou zijn, waren mijn mogelijkheden een oplossing voor ze vinden uitgeput. We gingen naar een grote boer, die woonde aan een zijpad van het provinciale weggetje dat door het dorp liep. We vonden ze beiden op de deel.

Ik knoopte een praat je aan om te weten te komen hoe ze over de oorlog dachten. Nog geloofde men dat de oorlog niet lang meer zou duren. Dat geloofden zij ook. Het werd een goed gesprek. We gingen naar binnen voor een kop koffie. Zijn vrouw was de vriendelijkheid zelf. Nog wisten ze niet dat mijn maat jes Duitsers waren. Die hadden niet deelgenomen aan het gesprek. Dat kwamen ze te weten toen de boerin aan de twee vroeg:" Hebben jullie geen honger?" Uit het voorzichtige antwoord kregen ze door dat het geen Nederlanders waren. We gingen aan tafel en kregen wat te eten. We waren er aan toe.

Ik vertelde ze wat over mijn werk in de omgeving en wat er allemaal gebeurd was. Over het kamp Prins Bernard. Hoe het ontstaan was en hoe we het weer opgeheven hadden. Dat zij als protestanten overgebleven waren na het onderbrengen van de rest, allemaal katholieken. Dat ze niet meer terug konden naar het leger. Dan werden ze absoluut van kant gemaakt. Dat was n.l. al met twee gebeurd, die het verzet in de Villa bij Raalte had verborgen. Ze werden ontdekt en op het marktplein gefusilleerd. Dat beroerde het gemoed van beiden

Of de protestante Duitsers niet voor een paar dagen, misschien weken, bij hen konden worden ondergebracht. Ze waren zeer anti Hitler. Beste kerels, die ik absoluut vertrouwde. Gewend aan boerenarbeid en dat kon dat nuttig voor ze zijn. Ik zou ook wat geld en bonkaarten achterlaten

Het leek wel een wonder. Ze gingen meteen akkoord om ze op te nemen. Voor mij was het of de hemel openging. Een geweldige opluchting. Ik weet niet hoeveel rozenhoedjes ik gebeden heb om God en Maria te bedanken. Ik was tot het einde van de oorlog niet meer in staat ze te bezoeken. Daarna veranderde mijn leven zo ingrijpend dat ik, jammer genoeg, niet meer in staat ben geweest informatie over ze in te winnen.

Ik ben nog even bij veldwachter Reekers langs gegaan om hem goedendag ze zeggen. Als ook bij Ben Harleman. Ik zei dat ik eerst naar Apeldoorn ging en dan wel verder zou zien. Zeker ging ik langs bij zijn familie aan de Bloemheuvellaan. Jef en Jan bij Berghuis wilde ik niet meer zien. Ze lieten mij met de rotzooi zitten.

35 jaar later.

35 jaar later lieten ze het bij Martin van Amerongen van de Groene Amsterdammer voorkomen alsof zij het gevangenkamp hadden ingericht. En dat het Prins Bernard heette. Leuke vondst. Uit mijn relaas is goed op te maken hoe het in werkelijkheid ontstaan is. Joop Traag was intussen in een bootje de linies gepasseerd in de buurt van zijn geboorteplaats Zevenaar. In april 1945 zou hij gezeten op een Canadese tank met de bevrijdings-troepen Arnhem binnenrijden.

Op een damesfiets ben ik naar Apeldoorn gereden. Vooral om mijn vriendin Iet Wesselink te ontmoeten. Oom Harry wilde dat ik bij hen bleef. Dat deed ik even. Tot ik op de fiets op de Deventerstraat ineens mijn NSB baas Speelman op de fiets me tegemoet zag komen.. Ik maakte me uit de voeten. Hij reed achter me aan en bleef maar roepen:"Bennie! Bennie! Stop!" wat ik natuurlijk niet deed. Met een rotvaart ben ik er vandoor gegaan.

Dat bracht me de overtuiging bij, dat ik uit Apeldoorn moest verdwijnen. Waar nog bijkwam dat mijn moeder, die Duits gezind was, er woonde. Piet, mijn broer zat in de Wehrmacht. Ook hem wilde ik absoluut niet ontmoetten.

Ik nam contact op met kapelaan Reinier Beckers, ondergedoken in Didam vanuit Scheveningen waar hij gevangen zat vanwege het Legioen van Sint Victor.

Hij vond een boer aan het spoor bereid me onderdak te geven. Hij heette Lucassen. Ik ging naar Jan Noteboom om nog eens van naam te veranderen en van professie. Dit maal ging ik te boek staan als student Theologie. Op de fiets ging ik naar Didam om mijn avonturen voort te zetten.

Alleen wil ik nog vertellen dat kort daarop het verzet het Gemeentehuis in Apeldoorn in brand stak. De Duitsers hadden om het namenregister gevraagd om meer mensen naar Duitsland te sturen. Dat werd met de brand voorkomen.

Wat me veel verdriet deed, was me te moeten scheiden van mijn geliefde Iet. Ik was erg veel van haar gaan houden.




© Copyright Sion 2002 - 2013

 








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home