|
De bevrijding
Liaison-officier J. T. J. Boxsem
a
26 October 1944 Zo ben ik dan liaison-officier geworden. Voorshands nog in burger, maar dat zal gauw veranderen. Bij het gemeentehuis staat een klein autootje dat het midden houdt tussen een vrachtwagen en een personenauto en dat, in voor ons ‘Arabisch”, een P.U. wordt genoemd. Een Nederlandse kapitein stelt zich voor. Hij zal ons bij onze bestemming brengen. Men had ons gezegd, dat we beter geen identiteitspapieren mee konden nemen, maar dat is niet waar. Daarom gaan we nog even langs huis om ons persoonsbewijs te halen. Ik kan Corrie nog even influisteren waar we naar toe gaan en dan begint de tocht in de richting van de Belgische grens. Via Reusel en Leuven komen we in Antwerpen. Wij kijken onze ogen uit naar alle lekkernijen, die wij alleen nog maar van horen zeggen kennen, maar die in België nog vrijelijk te koop zijn. Door de Scheldetunnel gaat het in de richting van Gent. Daar in een park van een buitenplaats is H.Q. Canadian Army gevestigd. Wij komen in een vreemde wereld. Het Hollands spreken moeten we nu maar afleren, we zouden er ook niets aan hebben, want niemand verstaat ons. Nog geen half uur zijn we in het kamp, of we zijn bepakt en bezakt met de volledige uitrusting van een Canadese officier. Praktisch en degelijk is dat goed, een heel verschil met wat we voor de oorlog hadden. We eten in de “mess” en smullen van de Canadese rantsoenen, die we tot op dien dag alleen maar in de veldkeukens hadden mogen zien. Alle mensen zijn vriendelijk en proberen ons zo goed mogelijk op ons gemak te stellen. Na het eten blijven we nog wat in de mess, drinken een borrel met een paar officieren en moeten vertellen van onze ervaringen in de bezetting. Die eerste nacht is niet zo best. We hebben geen veldbed en slapen op de koude harde grond op een grondzeil met een paar dekens. Nooit heb ik het zo koud gehad!
27 October De volgende morgen, 27 October, regent het. Job (Lieuwes) en ik worden in een open jeep gehaald door een jonge luitenant van 18 Canadian Armoured Car Regiment, de unit waarbij we worden gedetacheerd. Waarheen het gaat, weten we nog niet, dat blijft weer een verrassing. Hun Headquarters blijkt te zijn in een groot hotel in Le Coq sur Mer. Daar ontmoeten we een collega-liaison-officier, die al lang bij het regiment is. Hij komt uit West Indië, van hem leren we de eerste beginselen van onze toekomstige taak en ook horen we, dat het voorlopig rust is, maar dat je daar nooit zeker van bent. Enfin, dat leren in de loop der weken ook zelf wel.
Hier scheiden onze wegen en het zal een hele tijd duren voor ik Job weer zie, want hij en ik komen ieder bij een afzonderlijk squadron van dit pantserwagenregiment. Ik ga naar een ander hotel en leer mijn collega’s waar ik de eerstkomende maanden mee zal werken, kennen. Het zijn allen jonge kerels, ik ben de oudste van het stel. Ze hebben al heel wat meegemaakt vanaf de kusten van Normandië en vermeien zich nu in een zalige rust. Er wordt wat gebiljard, gepingpongd. Anderen schrijven brieven naar huis. ’s Avonds is het feest. Het drankrantsoen, dat iedere maand verstrekt wordt, is juist aangekomen en met behulp van Belgische likeur worden cocktails gemaakt. Het gebeurt echter op enigszins primitieve wijze. Een paar flessen worden geleegd in een grote melkbus, dan goed schudden en de cocktail is klaar.
De enige glazen die er zijn, zijn limonadeglazen, maar daar lusten ze het ook wel uit. Ik moet natuurlijk ook meedoen; nu heb ik in vijf jaar niets meer gehad, ’t is dus te begrijpen dat ik voorzichtig ben. Dat helpt echter niet veel, want het duurt niet zo erg lang, of ik zie de zaak om me heen draaien. Ik kan me nog naar boven werken, vindt een toilet en kan de inhoud van mijn maag al gauw weer kwijt. Ik tuimel in bed en val in een vast slaap waaruit ik ’s morgens – 28 October- gewekt wordt door een oppasser, die me vertelt, dat het ontbijt klaar is. Er zijn echter niet veel mensen aan tafel, er blijken nog meer zieken te zijn. Ik laat het ontbijt met porridge (met room) en gebakken spek (hoe smaakt dat ook weer?) echter goed smaken en heb nergens last meer van. Het regent nog onafgebroken. Nieuws is er nog niet en ik zoek een kapper op, om mijn haar te laten knippen. Dat is er in de drukte der laatste dagen niet van gekomen.
Om elf uur is een bespreking van alle officieren, ze noemen dat een O-group. Het blijkt, dat we misschien vanmiddag gaan vertrekken. Alles wordt klaargemaakt, maar om twee uur wordt de zaak afgelast. Dan gaan we maar naar de ‘show’ een cabaretvoorstelling die voor de troepen wordt gegeven. Ik kan nog wel niet alles volgen, maar amuseer me toch best. Van één van mijn nieuwe vrienden krijg ik een hoeveelheid sigaretten, in Nederlandse distributietaal wel vier weekrantsoenen. Die avond is het veel rustiger dan gisteren. De drank is blijkbaar op. Er wordt thee gezet en er komen heerlijke koekjes en bonbons op tafel, geschenken van familieleden uit Canada.
29 October Zondagmorgen om negen uur is het afmarcheren. Ik krijg een plaats toegewezen in de ‘Hop’’, de Rode Kruisauto en voort gaat het onbekende verten tegemoet. We rijden via Brugge en Antwerpen naar Brasschaet, een oud Duits krijgsgevangenkamp, nog vroeger een Belgisch remontedepot. Daar blijven we voor vandaag. Het is intussen mooi weer geworden. Ik bemachtig wat warm water een spiegeltje en op het spatbord van een drietonner wordt een toilettafel geïmproviseerd en zo kan ik me eens scheren, ik merk dat ik langzamerhand in de kring wordt opgenomen. Ik praat maar veel met iedereen, ik vraag veel en dikwijls gekke dingen. Dat is het enige middel om gauw thuis te raken en om het Engels onder de knie te krijgen. Nog steeds gebeurt er niets, alleen vallen zo nu en dan V1’s ‘Boche-bombs’, zoals zij dat noemen, onprettig dichtbij.
De volgende morgen is het vroeg dag. We rijden in oostelijke richting en komen via Baarle-Nassau weer in Nederland terug. Wonderlijk, vier dagen geleden reed ik bij Reusel als burger over de grens, nu kom ik als militair weer terug en het lijkt wel, alsof er een maand voorbij gegaan is. Overal zie ik de sporen van de oorlog: vernielde boerderijen, stuk geschoten tanks. Mijn vrienden wijzen me op de kentekens, ’t zijn Poolse tanks. Overal waar zij vochten, zie je de overblijfselen, ze zijn roekeloos met hun materiaal. In Gilze wordt gestopt voor de middagrust. Even een gat in de grond, een blik water erop, benzine eronder en het water kookt in een minimum van tijd. Dan blikjes in het water, even koken en het eten is klaar. Afgunstig staan de kinderen er om heen. Eén dag geleden was de Mof hier nog. Zij weten nu pas, wat vrijheid is en voor hen is dat het fantastische eten van de Canadezen!
In de O-group horen we onze taak: In de steenfabriek bij Dorst verschuilen zich een 30-tal Nederlandse SS'ers. Aan ons de taak, die op te ruimen. Langzamerhand gaat het nu door de velden naar de grote weg Breda -Tilburg. Overal staat het geschut in stelling en ze staan er niet werkeloos. De grote weg is uitgestorven. Omgekapte bomen liggen kris kras over de weg. We rijden er omheen en bereiken eindelijk Dorst. Daar staan op de weg een paar Poolse tanks. Zij waren er eerder dan wij, de SS'ers zijn er tussen uit en ons werk was al gedaan, voor wij er aan te pas komen. Op de weg liggen een paar gedode Duitsers, vermorzeld door de Poolse tanks. Vreemd, het zijn ook mensen, maar op dat moment is het bijna een genoegen ze zo te zien. Ik moet kwartier zoeken voor de nacht en vind dat in het postkantoor. Alle bewoners slapen nog in de kelders; twee uur geleden waren ze nog onder Duitse bezetting, nu zijn ze vrij, maar ze vertrouwen het nog niet. Ze zijn nog bang voor de kanonnen, die overal om hen heen staat te schieten. Ik maak een goede nacht in het bed van de postdirecteur en ben op tijd weer present voor het volgende traject.
31 October Door de nog niet ontwaakte stad Breda rijden we weer in Zuidelijke richting. Ik weet dat de Westhoek van Brabant nog niet vrij is en dat de Moffen hier verbeten weerstand bieden om zoveel mogelijk materiaal over de Moerdijk te krijgen. Door Zundert en Rijsbergen komen we in Sprundel, waar we het eskadron moeten onderbrengen voor enkele dagen.
Ik word vooruit gestuurd om ruimte te zoeken. Een jonge kapelaan met de oranjeband om is me behulpzaam en weet een prachtige gelegenheid. De oude pastoor heeft de hele pastorie ontruimd en woont zelf in de keuken. Dat is een goede gelegenheid voor ons. Alle officieren met hun helpers vinden er onderdak en naast de pastorie is de school. Schitterend voor de troep. De Staghounds (onze pantserwagens) op het kerkplein en de rest van de colonne in de Dorpsstraat. Iedereen is tevreden, behalve de oude pastoor die liever zijn pastorie in eigen beheer had gehouden. Hij moppert en kijkt als een oorwurm. De huishoudster weet echter wel hoe ze haar pastoor moet aanpakken. De mensen zijn nu allemaal blij, ze zijn nu nog gul. Mijnheer Pastoor moet nu proberen zijn klokken, die de Moffen hebben weggehaald, terug te verdienen. Dat is een goed idee en Mijnheer Pastoor gaat er op uit. En met iedere tocht wordt zijn humeur beter. Het resultaat is beter, dan hij verwacht had. Het is vermakelijk de mensen te zien opkijken, als ze merken dat die Canadees een Hollander is!
De tweede dag in Sprundel komen twee jongens op me af. Of ik Eindhoven ken. En hoe,… ik woon er en mijn vrouw en de peuters zijn er achtergebleven. Ja, ze willen er naar toe. Ze zijn juist voor de bevrijding uit Den Haag in Brabant gekomen en zijn hier blijven steken. Ze willen naar Eindhoven om zich te melden als vrijwilliger. Den Haag ken ik ook, daar wonen mijn moeder en mijn broers. Hoe of ik heet. We maken kennis en de jongens zijn vrienden van mijn jongste broer. Een oude waarheid: “Wat is de wereld klein”. Ik geef ze een brief mee voor Corrie, ze zullen hem bezorgen. Later hoor ik, dat ze zes weken in mijn huis hebben gewoond. Vrijwillig dienst nemen was niet heel eenvoudig. In Sprundel blijven we tien dagen. Ik krijg er van alles uit de Officer’s shop: een trenchcoat, overhemden, handschoenen, dassen, schoenen, zodat ik er nu beter uit ga zien. Men zorgt voor een veldbed voor me, dat me na de hele oorlog en ook nog daarna trouw zal dienen. Ik draag nu ‘Pips’ op mijn schouders, zodat men kan zien dat ik officier ben.
|

|
|
Het wapen van de Manitoba Dragoons |
De “’Manitoba Dragoons” (andere naam voor 18th Armoured Car Regiment) zijn fijne kerels, ik leer ze steeds meer waarderen. Ik hoor dingen waar ik vroeger niets van wist. Over Canada en zijn bewoners, hun leven en werken. Mijn blik wordt wijder en ik ben blij dat ik bij hen gekomen ben. De strijd om de Moerdijk gaat intussen voort. Wij kunnen niets doen, het terrein is ongeschikt voor onze wagens, de infanterie moet hier het werk doen. Steeds meer artillerie wordt ingezet. Typhoons worden aangetrokken en eindelijk is Brabant schoongeveegd.Dan treedt een nieuwe fase in. We worden bezettingsleger, maar in de goede zin van het woord. Ons regiment krijgt de bewaking en beveiliging van het gebied tussen het water van Hollandsch Diep vanaf Moerdijk tot Tholen – en de Mark. Dit zal wel winterwerk worden, want het ziet er niet naar uit, dat voor de winter nog een offensief zal worden ingezet.
Onze dagen in Sprundel zijn geteld. Ik moet er weer op uit om nieuwe kwartieren te zoeken. In eerste instantie vind ik die in een scholencomplex in het Liesbos bij Breda. Dat duurt echter maar een dag en dan gaan we het verwoeste West-Brabant in. Aan de vooravond hiervan ga ik naar een bespreking op RHQ (Regimental Head Quarters) en vind daar Job en ….Kelderman, die van de Amerikanen is weggehaald en bij D (= Dog) Squadron is geplaatst. Ik moet een ruimte zoeken in Standaardbuiten, maar dat is een heksenwerk, want bij dit gehucht lag een brug over de Mark, die de Moffen hardnekkig verdedigden. Er zijn dan ook geen onbeschadigde huizen meer in Standaardbuiten. Halverwege Standaardbuiten – Fijnaart staat een aardig huisje, wat niet gek zou zijn als squadron headquarters. Als we binnen stappen zijn de bewoners juist bezig de zaak uit te mesten. Want het lijkt wel een varkensstal. Stro een voet dik in de kamers, daartussen allerlei kledingstukken, resten eten enz. De bewoner uit zich in vrij ongekuiste taal over hun “bevrijders”. We overtuigen hem, dat het de Moffen zijn geweest, die, voor ze aftrokken de beest hebben uitgehangen. Aan de restanten van Amerikaanse sigaretten en blikjes weten we echter zelf wel, dat dat niet zo is. De Amerikaanse Infanterie heeft zich hier niet van zijn beste zijde laten kennen.
We bivakkeren tenslotte enkele dagen in een huis, waarvan alle ruiten defect zijn en trekken dan naar Zevenbergen. We konden daar niet eerder in terecht, omdat de brug over de Mark gesprongen was. Nu hebben de engineers een bayleybrug gelegd en kunnen we tot in de kom doordringen. Hier vinden we tenslotte een goede gelegenheid, waar we enkele maanden wel zouden kunnen doorbrengen. Detachementen worden geplaatst in Klundert, Noordschans en Rodevaart die er voor zullen moeten zorgen dat geen Duitse patrouilles van over de Moerdijk in ons gebied zullen doordringen. Erg afdoende is het scherm niet en na korten tijd worden we dan ook versterkt met O.D. die door de Canadezen ‘Orange Brigade’ genoemd wordt.
Deze mensen, goedwillend of fanatiek als ze zijn, bezorgen me toch een hoop last, omdat ik hun gebreken of slechte eigenschappen, hetzij moet goedpraten bij mijn Canadese Commandant, hetzij moet bepleiten bij Nederlandse instanties. Veel werk geven ook de bewoners, die om allerlei werkelijke of onwerkelijke redenen een reisvergunning naar de rest van Brabant willen hebben. De burgemeester van Zevenbergen is een zeer vriendelijk en zeer energiek man, waar ik veel steun aan heb. Ik maak me veel vrienden in Zevenbergen. Het leven gaat rustig door. Veel actie is er niet. De Moffen gooien zo nu en dan eens wat granaten over het Hollands Diep. Dat brengt dan soms nieuwe schade in het toch al zo geteisterde gebied. Zevenbergen zelf heeft een aanval van Typhoons te verduren gehad en toen de Moffen wegtrokken hebben ze eerst de kom van de gemeente met phosphorbommen in brand gestoken.
’t Wordt langzamerhand winter en ’s avonds zitten we bij de haard. ’t Leven is goed en rustig en wanneer niet af en toe meldingen doorkwamen van V2-‘s, die in het Noorden opgaan, zou je niet geloven dat er oorlog was. Uit Canada komen veel 'gift-parcels' en we smullen van eigengebakken cake, candy en vele andere lekkernijen. Cigaretten zijn er in overvloed. Soms is er even een incident. Een paar O.D.ers zien een gestalte met een Duitse helm op. Ze roepen hem aan en plotseling heeft er een een schot door de arm. Van de Duitser, zo hij er al ooit geweest is, geen spoor.
Er komen een paar man met een bootje over het water. Ze worden bij me gebracht en na een paar uur blijkt het, dat ze NSB'er zijn geweest, die met de Moffen uit Breda zijn meegetrokken en nu over het water zijn gezet, voor sabotage of wie weet waarvoor. Langs de rivier is een verboden zone, waar niemand in mag. Dat is voor velen teveel gevraagd, als je weet dat er voedsel ligt, terwijl dat in de rest van Brabant maar schaars is. Zo komen een paar mensen bij Noordschans over een terrein waarvan bekend is, dat er mijnen liggen. De sergeant van de O.D. loopt naar ze toe om ze te waarschuwen, is daarbij blijkbaar onvoorzichtig en stapt op een mijn. Hij verliest een been en wordt naar het hospitaal gebracht.
Kelderman is ongelukkig. Drie dagen zit hij met zijn squadron in Willemstad. Er zal juist een fles worden aangebroken, als de Moffen aan de overkunt van hun aanwezigheid blijk wensen te geven. Een granaat komt in het kwartier en Kelderman krijgt een splinter in zijn been. Hij wordt naar Antwerpen gebracht en zal later naar Engeland gezonden worden.
Het loopt tegen Sint-Nicolaas en de Canadezen bereiden zich voor om hiervan een uitbundig kinderfeest te maken. Uiteraard ben ik betrokken bij deze gebeurtenis. Ik zal nl. de goede Sint moeten uitbeelden. Vijftig kinderen uit de meest behoeftige gezinnen worden uitgenodigd en hebben een smulfestijn, zoals zo nog nooit in hun leven hebben meegemaakt. In die periode ben ik ook eens thuis geweest. Een auto van de O.D., benzine van het squadron, allerlei lekkernijen uit de keuken en uit de pakketten uit Canada maken dit bezoek tot een waar feest.
|

|
|
Corrie heeft een evacueetje Cees, die best met de peuters kan opschieten |
Overigens valt het niet mee thuis met de kokerij en de voeding. ’t Is nog niet best en je schaamt je eigenlijk een beetje dat je het zelf zo goed hebt en ze thuis zo stumperen moeten.Kort na Sint-Nicolaas komt er verandering.We gaan verhuizen naar Bergen op Zoom. Maar eerst wordt er nog een groot Regiments Dinner gehouden in Roozendaal, ter ere van de vertrekkende regimentscommandant Col Roberts. Het wordt een prachtig feest in het Oude Raadshuis van Rozendaal, dat met zijn eiken betimmering en fraaie luchters een geweldige indruk maakt op mijn Canadese vrienden.
In Bergen op Zoom betrekken we een groot klooster. Hier zal het regiment een volledige rust krijgen. Lang zal ik er niet van profiteren want na enkele dagen trek ik weer naar Zevenbergen om assistentie te verlenen aan onze opvolgers aldaar, 62 Antitank battery. Zij hebben geen L.O. en daarom word ik er maar heen gestuurd. Als ik er enkele dagen ben, wordt er het overschot van een amerikaanse soldaat gevonden in de polder. Hij heeft er zes weken in een greppel gelegen, maar ziet nog volkomen gaaf. Een mortierscherf heeft hem gedood. Na een week verhuist de batterij naar Fijnaart. Ik ga weer mee, maar ben er nauwelijks of word weer opgehaald door de Manitoba Dragoons.
Ardennen-offensief Er is inmiddels weer iets gebeurd. Generaal Feldmarschall Von Rundstedt heeft volmaakt in ’t geheim zijn troepen geconcentreerd en heeft een offensief ontketend in de Ardennen. ’t Gaat helemaal niet best en veel troepen van het tweede Britse Leger worden van hun bewakingstaak losgemaakt en andere uit hun rustperiode gehaald. Zo moet mijn eskadron een plaats innemen langs de Maas, tussen Geertruidenberg en Waalwijk. Ik breng een nacht door in Oosterhout en ga dan naar Raamsdonkveer. Hier heb ik een heel onprettige tijd. Niet omdat het een onaangename, gevaarlijke positie is, want ik wist vooruit dat dat ook gebeuren kon. Aan de overkant van de Maas liggen nl. volgens inlichtingen een aantal valschermjagerdivisie’s gereed om bij het eerste teken van slagen van de Ardennenactie, door te stoten naar Antwerpen. We liggen met een eskadron tegenover de brug van Keizersveer. Achter ons een enkele brug bij Oosterhout. Verder afgesloten. Maar dat hindert me toch het meeste niet. Er is nog iets anders gebeurd in de week dat ik bij 62 A.T.T. btj was.
Ergens bij een onderdeel is een liaisonofficer betrapt toen hij met een zender berichten doorgaf aan de Moffen. Nu zijn er meer securitymaatregelen genomen en onze C.O, die toch al wantrouwend van aard is, houdt me nu overal buiten. Ik loop er maar zo’n beetje voor spek en bonen bij. Ik besluit daarom tenslotte overplaatsing aan te vragen. Direct resultaat heeft dit nog niet. Intussen is de spanning groot. Rondom ons stafkwartier is het huis van de burgemeester zijn brengunopstellingen. Een verdedigingsplan wordt gemaakt. Als we er enkele dagen zitten, meldt de OD, die de brug naar Oosterhout bewaakt, dat daar een paar geall. soldaten, maar die Duits spreken, bij de brug zijn en er naar kijken. Het blijken Poolse onderofficieren te zijn, die opdracht hebben, bij het minste alarm de brug te laten springen. Wij zullen dan in de val zitten. De bezetting wordt versterkt met 2 compagnieen Belgische fuseliers en een detachement commandotroepen. De laatsten doen raids naar de overkant, een verdraaid gevaarlijk karweitje. De fuseliers zijn van goede wil, maar nog niet zo best opgeleid. Bij een patrouilletocht stoten 2 patrouilles op elkaar. Een hevig gevecht ontbrandt. Enkele doden vallen aan weerszijden, voor het misverstand is opgehelderd. Enkele dagen later beginnen de Moffen het dorp granaten cadeau te geven, wat echter minder wordt geapprecieerd.
Kerstmis komt. In het Canadese leger is het de gewoonte, dat met Kerstmis aan de soldaten een Kerstmaal wordt aangeboden door de officieren. Ook hier aan het front gebeurt dat en het is een goed feest. Kort na Kerstmis is er ’s morgens om half zeven alarm. De Moffen komen! Een paar boten hebben zich van de overzijde losgemaakt. De artillerie komt in actie. We horen geweer- en mitrailleurvuur. Iedereen is in gespannen verwachting. Het loopt met een sisser af! Met Oudjaar ga ik naar Eindhoven. Oud en Nieuw thuis! De voedselsituatie is iets verbeterd. In Eindhoven hoort men nu geen kanongebulder meer. Alleen de vliegtuigen maken het nog rumoerig. Op Nieuwjaarsdag is er plotseling iets bijzonders. Veel vliegtuigen in de lucht. De afweer maakt er een heksenketel van. De Luftwaffe doet een laatste poging. Luchtgevechten boven de stad. Het is al gauw voorbij. Dit is de laatste maal dat ik Duitse vliegtuigen zie. Als ik in Raamsdonkveer terug kom, ligt er een opdracht van Kapitein Mauve. Ik moet me op 4 Januari mleden bij Army Headquarters met volledige uitrusting. Overplaatsing!
Naar 4 Can.Arm.Div. Met de jeep word ik naar Tilburg gebracht. Geen Army-headquarters. Die zijn verhuisd naar Turnhout. Daar zijn ze ook al niet. De verhuizing is niet doorgegaan. Weer terug naar Tilburg. In een kazerne zit inderdaad Maj. Mauve (juist bevorderd). Ik moet een paar dagen in Tilburg wachten en ga dan met hem naar Ulvenhout, waar HQ 4 Can.Arm.Div. ligt. Ik word aan die staf toegevoegd. Hier blijf ik voor de rest van de oorlog. De staf zal juist verhuizen naar Vught. Dat gebeurt dan ook de volgende dag. Er is nog steeds geen actie en dus blijft het ook voor mij erg kalm. Het Ardennenoffensief is doodgelopen. Iedere morgen horen we het laatste nieuws op de ‘conferensi’ (?), zoals dat heet.
Na een week word ik overgeplaatst van Main Div naar Rear Div. dat is een ander gedeelte van het Hoofdkwartier. Deze houdt verblijf in Boxtel. Daar ontmoet ik een wonderlijk mannetje, Capt Clark, waar ik de rest van de oorlog een zeker soort antipathie tegen zal houden. En hij tegen mij. Waarom? Dat is moeilijk te zeggen, we passen niet bij elkaar! Gelukkig ontmoet ik ook anderen en de lui, waar ik me het meeste mee zal moeten bemoeien, zijn de mensen van 221 Civil Affairs Detachment, Major Stubbs, Major Hayes, Capt Wilson en Capt Avery. Met hen zal ik verder lief en leed delen, in de trenches liggen, over de Rijn trekken, VE day vieren, ja wat niet al!
Voorlopig van dit alles echter geen sprake. We nestelen ons in ’s-Hertogenbosch en blijven daar zes weken. Zes weken van niets doen afwachten. Ik zie er verschillende films, die in Nederland eerst in 1947 te zien zullen zijn, we gaan naar shows, die door verschillende variétégezelschappen worden gegeven. We juichen bij interdivisionele bokswedstrijden. Er zijn dansavonden, waarop iedereen zich buitengewoon amuseert. Als we na een show onze dames, nichtjes van onze hospita, naar huis brengen per 15 cwt, krijgen we plotseling op de Orthensedijk enkele salvo’s van de moffen aan de overkant van de Maas. Bill Avery heeft vergeten de koplampen uit te draaien! In Den Bosch hebben we veel last van V1’s. Onafgebroken vliegen ze over de stad in de richting van Antwerpen. Dat ze daar niet altijd aankomen is een tweede. Op een goede dag tijgen we naar Udenhout, waar zo’n apparaat het instituut van debielen etc. bijna heeft vernield. ’t Is fantastisch wat voor schade één vliegende bom kan aanrichten. De schildwacht van 10 C.I.B. headquarters had een enerverende ontmoeting met een V.1. Midden in de nacht ziet hij zoo’n apparaat in glijvlucht op zich afkomen. Binnen enkele ogenblikken zal het tegen het gebouw ontploffen het resultaat laat zich slechts raden. Maar nee, enkele meters voor de gevel begint het mechanisme weer te werken en het gevaar is geweken. 3 Kilometer verder wordt een klooster vernield!

© Sion Soeters 2002 - 2013
|