De bevrijding


                                        J. T. J. Boxsem


We ontvingen een mail van mevrouw Joke Savalle met een hoofdstuk uit het dagboek van haar vader,Jochem Tijmen Jozeph Boxsem, geboren op 8 augustus 1912 in Winterswijk
. Dhr. Boxsem, werkzaam bij Philips heeft als liaisonofficier actief deelgenomen aan de bevrijding van Noord-Brabant en heeft zijn ervaringen op papier gezet.Voor de oorlog was dhr. Boxsem  onderwijzer op een lagere school in Loosduinen. Na de oorlog is hij officier van speciale diensten geworden.


J.T.J. Boxsem, liaisonofficier bij het 18th Armoured Car Regiment "The Manitoba Dragoons". Winter 1944


17 september 1944
Om 9 uur ben ik thuisgekomen uit de nachtdienst. ’t Is rustig geweest. Het LSWK is vrijwel op non-actief. Berichten komen er bijna niet meer. De grote spanning, waarin we sinds veertien dagen leefden, na die beroemde Dinsdag, toen we de wanorde van de terugtocht van de Duitse Nachschub zagen, wordt langzamerhand minder. Er zijn geen vliegtuigen geweest in de nacht. Alleen het doffe gedreun van de kanonnen aan de Belgische grens hebben we gehoord en als we op onze uitkijkplaats op de bovenste verdieping van één der “hoogbouwen” 1) stonden, zagen we het flitsen van het mondingsvuur.

De stad was nog stil, toen ik naar huis ging. Ik zal maar niet gaan slapen; ’t is jammer van de Zondag en Corrie vindt het zo vervelend.d Lekker wassen en scheren en dan vanmiddag maar wat rusten. Ontbijt, dan wat scharrelen met de kinderen.

Corrie met Joke op schoot. Marijke, Els en Joop Boxsem in de tuin
van de Stroobloemstraat in Eindhoven in 1944

Daarna luchtalarm. Niets bijzonders in deze tijd, maar toch even kijken in de tuin. Daar komen de vliegtuigen al, grote viermotorige bommenwerpers. Ze vliegen niet hoog. Prachtig gezicht toch, die knapen. Het zijn er veel. Ze vliegen in noordoostelijke richting. Eindelijk zijn de laatste over. Toch komt er nog geen signaal veilig. Tien minuten al en nog steeds alarm. De mensen kunnen niet naar de kerk. Een enkele gaat toch maar.

Nieuwe formaties komen aan. Ook zij vliegen voorbij. Intussen komen de eerste al weer terug een kilometer of drie meer naar het Oosten. Ze vliegen ook lager. Mooi is dat geregeld. De buurt krijgt meer belangstelling.  Ik sta al weer op mijn gewone plaats op de dienstkist onder het zolderraam. De Flak gaat zich nu ook weren, maar ’t zijn er niet veel meer. De meeste batterijen zijn blijkbaar al weg. Weer even rust uit het Zuiden. Dan nieuwe golven, lager dan de eerste. De verspreiden zich. De buurt wordt onrustig. Daar zie ik een rode lichtkogel en vlak daarna is er een dof geratel, ontploffende bommen. Ze vallen niet ver van de stad, in Noordoostelijke richting. De Flak leeft nog even op, zwijgt dan helemaal. Steeds meer vliegtuigen. Ik krijg dat rare, onzekere gevoel weer. Ik wil toch alles zien en wil toch ook de kinderen in het oog houden.

Dus ren ik heen en weer, naar de zolder, in de tuin, weer naar boven, dan naar de peuters, die met hun jasjes aan in de kamer zitten bij de schoorsteen, Joke in de wagen. Corrie zit te foeteren dat ik zo onrustig ben. Ze wil ook wel wat zien. Ik kan er niets aan doen, moet rennen om mijn zenuwen de baas te blijven.

Daar is weer een golf. De vliegtuigen zwenken vlak boven ons huis naar links, in de richting van het vliegveld. Meteen vallen de bommen al, grote rook- en stofwolken rijzen op. Wat zou er gaan gebeuren? Zou de stad ook aan de beurt komen. Het is één gedonder van vliegtuigen. De kerk is allang vergeten. Eindelijk wordt het rustiger. Tenslotte wordt er veilig geblazen.
Corrie maakt koffie. Roelie gaat maar niet naar Zondagschool. Er zouden toch geen kinderen geweest zijn. Als de koffie net is ingeschonken, weer alarm. Geen bommenwerpers nu, maar jagers, veel en snel. Prachtige tweestaarters, de Lightnings, die dartelen in de lucht, zwenken en duiken ten Noorden van de stad. De koffie wordt vergeten, ik moet weer naar buiten. Even informeren, nee, in de fabriek is niets gebeurd, ook in de stad is geen schade, alleen in Zeelst, vlak bij het vliegveld.

Daar komen nieuwe formaties bommenwerpers; we krijgen het wel vandaag. Maar nee, geen bommenwerpers zijn het. De tweemotorige toestellen trekken zweefvliegtuigen. Een prachtig gezicht. Hoogstens 500 meter vliegen ze boven ons. De mensen kruipen op de daken. De jongens staan zelfs op de schoorstenen. Men zwaait met zakdoeken, we juichen. De trein verdwijnt in Noordelijke richting. Maar het houdt niet op. Steeds meer gliders en nu ook vrachtkisten alleen.

Plotseling een geschreeuw: “Valschermen in de lucht”. Ik vlieg weer naar boven. Ja, daar bij de IJzeren Man is de lucht vol wolkjes, zoals ik dat ook gezien heb in 1940 bij Ypenburg. Wild van enthousiasme worden de mensen. Er is iets op til, dat voelt men. Maar hoe en wat? Niemand durft er zijn oordeel over zeggen. Het is intussen middag geworden. Het eten was maar half klaar. Veel belangstelling hebben we er ook niet voor. Steeds weer komen groepen vliegtuigen voorbij op hun tocht naar het Noorden. Honderden jagertjes draaien en zwenken hoog in de lucht. Langzaam aan zakt het af en tegen de avond is het weer volkomen rustig. Alleen de kanonnen heel in de verte dreunen dof. We gaan maar vroeg naar bed, wie weet wat er vannacht nog gebeurt en wat de dag van morgen brengen zal.

18 september 1944
Om half zeven is het weer dag. Corrie moet naar boer Hol om melk. Zij gaat de ochtendkou in en ik sta op. Dan wordt er gebeld. Mevrouw Krans, hevig opgewonden, komt vertellen dt we moeten evacueren, want de Duitsers graven geschut in op de Floralaan. Er staan tanks in het bos. Ik ben als gewoonlijk erg sceptisch tegenover deze verhalen. Als het waar is, zal Corrie wel terugkomen. In de straat zenuwachtige stemmen. Mensen draven heen en weer. Daar gaat Cees met heel de schare voorbij. Hij is bang, dat de Tommies deze opstellingen zullen beschieten en dan krijgen we zeker wel wat mee. Ik ga eens kijken om de hoek. Ja, werkelijk, daar staan kanonnen en tanks. Bewoners van de Floralaan moeten de wielsporen in het zand uitvegen. Ik trek af, heb geen zin om knechtje voor de Moffen te worden. Een paar soldaten gaan met kippen naar mevr. K. om ze daar te braden. Corrie blijft lang weg. Zou ze er niet meer langs kunnen?

Wij eten maar vast. Eindelijk, daar is ze. Met melk voor de peuters. Ja, in het bos lagen de moffen, maar ze mocht toch wel passeren. Maar nu trekken ze weer weg. Wij zijn het met elkaar eens, dat je beter kunt blijven waar je bent. Er zijn maar weinig mensen naar hun werk. De bakker en de melkman gaan gewoon rond. Plotseling drie doffe slagen veraf. Driemaal gefluit en drie explosies. Artillerievuur over ons heen. Gaan ze komen? Even daarna nog eens en nog eens. Dan stilte. De kinderen zijn weer binnengehaald. Enkele Spitfires vliegen over. Anders niets. Het is half een geworden.

Er komen mensen uit de stad. Ze gebaren, opgewonden. In de tuin staat Smit en beweert dat hij Amerikanen heeft gesproken. Ze zouden uit het Noorden in de stad zijn gekomen. Ik geloof dat natuurlijk weer niet. Dan krijg ik een “Camel” en laat hij mij een zilverbon zien met de Koningin erop. Gekregen van de Amerikanen. Ik moet nu wel geloven. Ik klim weer op zolder. Zijn er al vlaggen te zien in de stad? Ik zie er nog geen. In onze buurt zie je nog een enkele Duitser. Het is dus nog niet veilig.

Corrie kookt in de tuin op hout. Bij het raam Roelie met Joke op de arm


Er wordt weer maar half gegeten. We leven teveel in spanning. De hele middag zit ik op het dak. Daar kan ik een stuk van de landen achter het Ziekenhuis zien. Misschien ontdek ik daar de eerste Engelse soldaten. Maar alles blijft leeg. Ik heb me nog niet geschoren vandaag. Ik zal het nu maar doen. Net ben ik ingezeept of er is beroering in de straat. Marechaussee in de oude, door de Moffen verboden uniforms, met de witte koorden, stappen bij ons van hun fietsen. Of ze hun fietsen bij ons mogen zetten. Akkoord natuurlijk. Wat ze gaan doen? Duitsers uit het bos halen. Wel wat onvoorzichtig gaan ze, slechts met hun dienstpistool gewapend, het bos in. Even later klinkt gejuich. Daar zijn ze weer. Drie moffen tussen zich in, één heeft nog een panzerfaust in de hand.

Op de Aalsterweg schijnt intussen wat aan de hand te zijn. Geraas klinkt tot ons door en daarboven uit gejuich. Daar fietst iemand de straat in en schreeuwt: “De vlaggen uit, de Tommies rijden over de Aalsterweg. We zijn vrij!” Wonderlijke dingen gebeuren er. Iedereen wenst iedereen geluk. Vlaggen gaan uit. Een kring wordt gevormd, die steeds maar groter wordt en we dansen en we juichen en zingen Oranje Boven. We zijn vrij!”

“Die avond gaan we laat naar bed. Ik ben nog op de Aalsterweg geweest. Twee, drie rijen dik trekken de colonnes van het Britse leger door Eindhoven naar het Noorden. De Tommies lachen en zwaaien naar ons. Wij juichen tot we schor zijn. Corrie zal ook even gaan. Ze is al gauw weer terug. Ze heeft het niet getroffen. Juist toen ze aankwam kregen twee mannen ruzie om een paar gekregen sigaretten. Ze was er te dicht bij en kreeg een klap op haar oog, waarna ze maar weer huis toe ging.

19 september
De dag van de bevrijding. Het leven gaat zijn gang. Niemand werkt maar ik moet toch in dienst. In de hoofdpost heerst een vrolijke stemming. Belevenissen worden uitgewisseld. In Woensel is nog wel even gevochten. De hele stad is overstroomd met legerwagens en soldaten. Het maakt een geweldige indruk op ons. Tegen zoo’n kracht moet de Duitser het toch verliezen. We hebben het altijd gezegd, maar heel diep in ons hart heeft toch wel eens de twijfel geheerst. Nu we dit gezien hebben weten we het zeker. We krijgen extra Philiprak. Veel vet en veel vlees! We doen ons tegoed.

Dan een gerucht. Het wordt sterker. De mensen haasten zich naar huis. De vlaggen worden ingehaald. De Moffen komen terug. Hun tanks naderen uit Nuenen. Ik geloof het weer niet. Zoals ik meestal niet geloof. Maar de straten worden leeg. Enkele late feestgangers hollen voorbij. Het gaat schemeren. Dan vliegtuiggeronk. Ik zie ze tegen de avondlucht. Ze komen uit het Noorden, tweemotorige toestellen; het lijken wel….nee, het zijn…. Tegelijk schreeuw ik het al uit: “Moffen”. Niemand wil het geloven. Oranje lichtfakkels hangen in de lucht. “Bevrijdingsvuurwerk” roept er een. Dan is het er ook al, het vreselijke vuurwerk. Bommen gieren naar beneden, slaan ergens dichtbij in. Ik spring naar binnen, duik onder mijn bureau (op kantoor bij Philips). Jan H. duikt naast me onder de tafel met telefoontoestellen. Steeds maar weer hoor je de vliegtuigen ronken. Steeds weer het gegier van bommen en de explosies, gekraak, gerinkel van glas. Een half uur. Hoe lang nog. Eindelijk trekken de vliegtuigen af. De explosies blijven. Ploffende granaten, geweerschoten, geratel van mitrailleurs. We blijven angstig zitten. Jan H. probeert verbinding te krijgen met de gemeente. ’t Lukt. Zij weten het ook niet. In de Willemstraat zouden Duitsche tanks schieten. Wij horen het, vlak bij ons. Later blijkt het niet waar te zijn. In de stad zijn Engelse munitiecolonnes getroffen en die blijven nog lang na werken. Steeds nog ontploffende munitie.

Eindelijk durven we te voorschijn te komen. Het is nu helemaal donker, maar de stad is verlicht door de gloed van de branden, die overal zijn uitgebroken. Wij kijken elkaar aan, zijn gespaard. Rondom ons ravage. Kapotte ruiten, afgeworpen dakpannen. Enkele EHBO’ers komen zich melden. Er is ook al werk voor hun. In de Elisabethlaan is iemand getroffen. Zij gaan er op af en verlenen hun diensten. In Strijp is brand bij de papierfabriek. De motorspuit van Strijp kan het wel af. Ook op de Emmasingel is brand onder de toren. De complexen brengen rapport uit. Geen slachtoffers in het bedrijf. Veel glasschade. Enkele voltreffers. Wij denken aan onze familie. Hoe zou het bij hen zijn. Later in de nacht gaat een brandweerman er op uit om nieuws op te doen. Later komt hij met geruststellende berichten terug.
 
In de stad is het verschrikkelijk. Overal zijn de bommen gevallen. Overal brandt het. De gemeente vraagt assistentie voor de Nieuwstraat-Vestdijk. Ze kunnen het daar niet houden. We sturen er een motorspuit op af. Er moeten veel slachtoffers zijn. Als later de balans wordt opgemaakt blijken 198 mensen gedood te zijn. We beleven een onrustige nacht. We vertrouwen de Moffen niet. Als ze nog eens terugkomen? De tankaanval bij Nuenen blijkt intussen niet doorgegaan te zijn.

20 september 1944
Als het licht wordt en onze dienst er op zit, trekken we door de geruïneerde stad naar huis. Wat een chaos! De Moffen kunnen trots zijn op hun resultaat. In een ogenblik is de blijde, feestende stad veranderd en in rouw gedompeld. Als ik thuis kom hoor ik, hoe het daar gegaan is. In panische angst zijn de mensen het bos ingevlucht en hebben daar de nacht doorgebracht. Corrie kon dat natuurlijk niet met drie kleine peuters. En ze wilde het ook niet. Beter in huis getroffen, dat Joop me kan vinden, dan naar het bos waar je precies hetzelfde kan overkomen. Met de bewoners van nr. 24 zijn ze de enige achtergeblevene geweest in de straat.

Roelie

Roelie heeft matrassen naar beneden gesjouwd en zo hebben ze zo goed mogelijk de nacht doorgebracht. Deze nacht doet nog lang zijn invloed gelden. Nog verscheidene nachten trekken de mensen uit hun huizen weg. Nog weken nadien worden er ’s nachts straatluchtwachten georganiseerd. Alsof dit een volgende ramp zou kunnen voorkomen!

Maar de Moffen komen niet meer terug. Tenminste niet meer zo als die verschrikkelijke nacht. En het leven herneemt zijn loop. Op de Floralaan komen tanks van de Royal Scottish Guards. Ze krijgen enkele dagen rust. Twee soldaten worden bij ons ingekwartierd. (Bill en Hank).

Bevrijders met Elsje op de arm

Wij ergeren ons aan dat soort Nederlanders, dat de hele dag loopt te schooieren om sigaretten, chocola of blikjes. Wij ergeren ons ook aan die soldaten, die voor zes zuurtjes een gulden durven vragen! Ook de oorlog gaat verder. Het gaat niet zoals wij dat zouden wensen. De fronten zijn weer vast gelopen. In Best zitten de Moffen nog. De luchtlandingactie bij Arnhem is niet geslaagd.

Op een vroege ochtend, we liggen nog in bed, horen we plotseling een vreemd geluid. Het onafgebroken geronk der vliegtuigen gaat al aan ons oor voorbij. In drie dagen hadden de Tommie’s het vliegveld zover hersteld, dat jagers er zonder bezwaar op konden landen en starten. Daardoor was de lucht boven Eindhoven het onbetwistbaar gebied der R.A.F. geworden. Maar nu horen we een fluitend geluid en daarop metalen knallen. Later blijkt dat er juist om de hoek, op de Floralaan, een aantal scherfbommen gevallen zijn, midden in de openluchtkeuken der Tommies. Twee kleine kinderen gedood, een paar soldaten gewond.

Dat gebeurt nog een paar maal nadien. Het zijn de risico’s van de oorlog, maar het maakt dat onze stemming er niet beter op wordt. We gaan kankeren op de Tommies, dat ze niet harder opschieten, dat ze ons geen voedsel brengen, dat … ja wat al niet. Als we weer eens zo zitten te mopperen bij Advokaat, zegt hij opeens: “Waarom doe je zelf dan niets, je zit hier maar te zitten, doe dan ook wat voor de bevrijding van ’t Noorden”. Ik loop een beetje korzelig de straat op, zie een aanplakbiljet dat juist is opgehangen. “Vrijwilligers gevraagd om als verbindingsofficier met de geallieerden op te trekken. Inlichtingen …. Ik loop tegelijk verder, stap het bureau binnen en geeft m’n naam en adres voor verdere inlichtingen.

Ik zal er wat van horen. Enkele dagen later, op Maandagmorgen brengt een padvinder een briefje. Of ik ’s middags op het gemeentehuis wil komen, waar de Kolonel De Broekert inlichtingen zal geven over de toetreding als verbindingsofficier. Ik ga er naar toe. Op het Gemeentehuis zijn meer reserveofficieren. Ook Lieuwes van nr. 6 en Kelderman verderop uit de straat. Ik heb van Coxie blancovolmacht gekregen. Ze weet wel, als het moet, houdt ze me toch niet thuis. De Kolonel de Broekert is een oude bekende. Hij was in 1940 op dezelfde staf, waar ik was ingedeeld. Hij vertelt, wat er van ons gevraagd wordt. Hoe we betaald worden en hoe er voor ons gezin gezorgd zal worden is nog erg vaag. Dat moet nog geregeld worden. Maar de geallieerden hebben ons nodig. En het avontuurlijke trekt ons. Lieuwes kijkt me eens aan. Er moeten vier mensen zijn voor den Canadese unit, die Donderdag al weg gaat. Zullen we? Vooruit dan maar. De formaliteiten worden vervuld en even later gaan we naar huis om onze resp. vrouwen voorzichtig op de hoogte te brengen van ons zeer aanstaande vertrek. Dat is nog niet zo eenvoudig, maar Corrie is in dat opzicht geweldig. Ze vindt het verschrikkelijk, maar ze weet ook dat het moet, en dat het bovendien uitstel van executie zou zijn. Ook op de zaak moet nog van alles geregeld worden. Het gaat echter allemaal van een leien dakje en Donderdag 26 October ga ik om twee uur naar het gemeentehuis, waar we worden opgehaald. Ik ben weer militair.

 





© Sion Soeters 2002 - 2013








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home