
|
Het is vandaag 16 juni 2007. Terwijl ik in de vroege ochtend even na vijven, rustig naar het centraal station wandel gaat het al door mij heen en verlaat me nauwelijks meer tot ik om tegen tienen met het vliegtuig aankom in Warschau en met een bus naar het plaatselijke centraal station rijd: "Sobibor, Sobibor, Sobibor, Sobibor, Sobibor…." In gedachten zie ik, als ontelbaar vele malen hiervoor, de manier waarop opoe en opa op díé heilloze plek het leven op gruwelijke wijze is ontnomen.
Van de vliegreis naar Warschau herinner ik niets dan de uitzonderlijk vriendelijke manier waarop ik door de stewardessen bejegend ben. Achteraf vraag ik me af of L.O.T. inderdaad zo’n bijzonder gastvrije luchtvaartmaatschappij is, of zag ik er misschien zó gespannen uit dat de stewardessen mij op m’n gemak wilden stellen. Ook bij het verlaten van de luchthaven, wanneer ik bij een informatiepost vraag hoe ik het beste naar de stad kan reizen wordt ik door de informatrice, boven verwachting, opvallend prettig te woord gestaan. Zag ik er ook toen nogal triest uit of ben ik bevooroordeeld ten opzichte van de Polen… Voor mij zijn opoe en opa steeds het symbool van hét grote drama uit ‘de oorlog’ geweest, en nog steeds…Wanneer ik aan de familie denk zie ik heel vaak voor mij hoe juist zíj, samen, in wanhoop aan hun einde zijn gekomen, een beeld dat telkens terugkeert. Opoe en opa, twee oude mensen waarvan een aantal ontmoetingen met hen mij altijd bij zijn gebleven. M’n herinnering aan hen begint vanaf m’n negende jaar toen we vanuit Antwerpen, in verband met een mogelijk op handen zijnde oorlog terug naar Amsterdam kwamen. Opoe die steeds duidelijk aanwezig was en opa, de rust zelve, altijd dicht bij haar in de buurt. Ik denk niet dat het mijzelf ooit opgevallen is maar een van de vele familieanekdotes ging over opoe`s zekere dominantie ten opzicht van opa en hoe hij reageerde wanneer hem door opoe iets gevraagd werd en ze altijd een bevestiging verwachtte: "…vind je niet Levie…." Zei opoe dan, waarop opa steevast antwoordde: "…jazeker Debby je hebt gelijk…" ’t Is maar een simpele herinnering aan twee oude mensen die zeer sterk met elkaar verbonden waren…, wáren… Het centraal station van Warschau doet me enigszins aan dat van Amsterdam denken. Een ruime hal met kassa’s, grote informatieborden en eettentjes. Wanneer ik bij een van de kassa’s van het station een kaartje naar Chelm via Lublin wil kopen moet een jong koppel mij helpen de caissière uit te leggen wat ik wil omdat, net als de buschauffeur, zij geen woord Engels spreekt of verstaat. Door de hulp van het jonge stel weet ik nu in ieder geval dat ik in Lublin moet overstappen en ben verbaasd over de onverwacht lage prijs van het treinkaartje. De perrons liggen onder straatniveau en op weg daar naartoe passeer ik lange gangen met winkeltjes, en drommen passanten. Mijn trein vind ik op het 1ste perron die om half 11, met een kwartier vertraging, vertrekt. Het moet de eerste oud en nieuw’ zijn geweest nadat we in Amsterdam waren aangekomen dat we met ons gezin dit familiefeest, samen met alle andere in Amsterdam woonachtige familieleden, bijwoonden. Er was heel veel plezier, heel veel te snoepen en allerlei ander heerlijkheden te eten, maar het belangrijkste wat mij van die avond is bijgebleven is het feit dat opoe, na een soort polonaise, door drie of vier van haar zonen met stoel en al opgetild werd en midden in de kamer op een tafel geplaatst. Opa keek een en ander met lichte bezorgdheid aan, maar vreugde alom. In een van de coupé`s was nog een plaats bij het raam vrij en nam ik plaats tegenover een jonge vrouw die toen ik haar vroeg of we in een snel of stoptrein zaten, redelijk goed engels bleek te spreken. Verder een echtpaar en nog twee andere reizigers. Allen hadden enorm grote tassen bij zich waarvan een paar op de nog open zitplaatsen neergezet werden. De wel erg overjarige treincoupé was wat je noemt opgelapt’. De bekleding had een vreemde blauwe kleur maar was nog vrij nieuw en de kennelijk door aluminium vervangen schuifdeur rammelde aan alle kanten. Het raam van de coupé stond half open om frisse lucht binnen te laten maar dit veroorzaakte veel wind en nog meer lawaai. Alhoewel ik van tevoren al min of meer had besloten in Lublin te overnachten om de volgende dag terug naar Warschau te gaan, bekeek ik de toeristenkaart die ik bij me had nog eens en kwam tot de conclusie dat ik, wanneer ik in Lublin een taxi zou nemen naar Sobibor, ik misschien nog diezelfde dag terug zou kunnen zijn in Warschau. Ik besloot dit zeker te proberen. Mijmerend over hetgeen me nog te wachten zou staan als ik eenmaal in Sobibor zou zijn aangekomen besloot ik tevens de tekst met de namen van onze vermoorde familieleden, die ik thuis al opgesteld had, op de plek waar zij de hel ingingen luid en duidelijk op te lezen en niet slechts op te noemen. Er is inmiddels een zekere rust over me gekomen en probeer, m’n rugzakje stevig aan een van de draagbanden vasthoudend, wat in te dommelen. Om half 2 komt m’n trein in Lublin op het 4de perron aan. De perrons zijn duidelijk nog uit de communistische tijd en doen triest en zeer slecht onderhouden aan. Wel valt het me op dat het 1ste perron kortgeleden een geslaagde renovatiebeurt achter de rug moet hebben gehad. Wanneer ik de trap naar de uitgang neem en door de brede gang loop zie ik dat ook die betere tijden gekend moet hebben. Het ziet er ook hier armoedig en slecht onderhouden uit doordat overal aan de wanden tegels ontbreken en de vloer vol gaten zit. Wanneer ik buiten kom en me omdraai om het stationsgebouw te bekijken ben ik verbaasd. Het gebouw ziet er haast aantrekkelijk mooi, in tegenstelling tot de omringende gebouwen, licht en uitnodigend uit. Net als het 1ste perron is het stationsgebouw kennelijk pas kortgeleden opgeknapt. Vijf minuten later zit ik al in een taxi. Het was de tweede chauffeur die ik aansprak omdat de eerste, die echt geen woord Engels sprak of begreep, mij met z’n hand naar een van z’n collega’s verwees. Die bleek inderdaad enkele woorden Engels te spreken maar toch moest ik hem met handen en voeten duidelijk maken wat ik wilde. Uiteindelijk begreep hij mij, ik wilde namelijk van hem weten wat ik zou moeten betalen als hij mij naar Sobibor zou rijden, daar ongeveer een kwartier zou wachten, en mij dan terug zou brengen naar het treinstation in Lublin. Hij noemde me een prijs die duidelijk voor onwetende, buitenlandse toeristen bedoeld was maar het kostte toch weinig moeite een prijs overeen te komen die mij wel redelijk leek. Nadat de chauffeur een eindje verderop bijgetankt had gingen we in z’n overjarige Mercedes op weg naar de hel… Nog zo’n dierbare herinnering: opa zittend aan tafel in de achterkamer van opoe en opa’s woning in de Lepelstraat 74 één hoog, smikkelend genietend van een gebakken visje die op een krant voor hem lag. In m’n herinnering was dat altijd een gebakken bokking, en opoe zat dan meestal, tevreden toekijkend, aan de andere kant van de tafel. En dan was er in diezelfde kamer op de schoorsteenmantel die vierkante, rode wekker die op z’n kop stond omdat hij anders stil bleef staan. Het kwam me goed uit dat de, overigens sympathieke, taxichauffeur nauwelijks Engels sprak. Naarmate de taxirit voortduurt betrap ik me erop dat ik me steeds verder in mezelf terugtrek en nauwelijks belangstelling had voor hetgeen er onderweg te zien is. Mijn gedachten volkomen gericht op het doel van m’n reis, m’n vermoorde familieleden, en speciaal op opoe en opa. Zonder ooit die hel echt meegemaakt te hebben weet’ ik precies hóé juist zij aan hun einde zijn gekomen. Vele, vele malen heb ik dit beeld al voor ogen gehad en het is alsof ik er persoonlijk getuige van ben geweest. Alhoewel ik nog nauwelijks weet wat nachtmerries zijn en nog maar uiterst zelden droom, ben ik een paar weken geleden in een droom ook zelf dáár en op dezelfde wijze aan mijn einde gekomen… Links voor me zie ik in de bosachtige omgeving een open plek met wild gras met een smal zandweggetje en begeef me op het pad. Terwijl ik er langzaam overheen loop zie ik aan beide kanten kakikleurige borden met een plattegrond van wat eens het vernietigingskamp was en begin de tekst te lezen die erop staat. Terwijl ik lees realiseer ik me opeens waarom ik juist dít kákikleurige T-shirt heb aangetrokken en zeg: "Zien jullie de kleur van m’n shirt…," en terwijl ik even m’n T-shirt aanraak: "…we hebben nu een eigen leger en dit is de kleur van óns eigen leger…" Ik ben blij en treurig tegelijk. Treurig omdat ik weet dat dit de plek is waar tenminste 15 van onze familieleden op gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht…, en blij omdat het gevoel bij me opkomt hier even heel dicht bij ze te kunnen zijn. Alhoewel ik het als een soort heiligschennis ervaar krab ik toch drie van de kleine kiezelsteentjes waarmee de asheuvel is afgedekt, los. Een voor Borah, een voor Loek, in wier naam ik hier ook sta, en een voor mezelf. Achteruitlopend ga ik de treden weer af en begin dezelfde weg die ik al ging terug te lopen terwijl ik doorga hard en duidelijk m’n tekst met de namen uit te spreken en kadiesh te zeggen. Was het zeven maal of acht, misschien wel tien of twaalf keer of meer. Ik bleef herhalen en herhalen tot ik bijna weer terug was op de plek waar de taxi stond te wachten. Mijn 26 op zo gruwelijke wijze vermoorde familieleden zullen altijd een deel van mijn leven zijn en zullen voor altijd in m’n herinnering blijven voortbestaan. Ik heb het gevoel iets’ gedaan te hebben wat ik ter ere van onze dierbaren móést doen. Het voelt als een soort afronding, een soort einde van een rouwproces waarvan ik weet dat dit in werkelijkheid nooit tot een einde zal kunnen en mogen komen. Maar toch… Terug in Lublin moet ik zoals verwacht een paar uur wachten voordat m’n trein naar Warschau vertrekt en kom daar om even na 10 uur aan waarna ik op zoek ga naar een hotel. Moe maar zeer voldaan omdat ik precies heb kunnen doen wat ik me had voorgenomen, slaap ik bijna onmiddellijk, na een lekkere douche, in. Amsterdam 23 juni 2007. Op deze plek in Sobibor wil ik jullie vandaag mede namens Borah en Loekie gedenken: opoe, opa, ome Coenie, tante Jaantje en hun kinderen Borah en Ireentje, tante Rachel ome Harrie en hun kinderen Louike en Zussie, tante Marietje, ome Max en hun kinderen Floortje, Loekie en Boortje, ome Barend, tante Trees en hun zoontje Loekie, tante Clara en haar zonen Loetje en Appie, ome Maurits, tante Jettie en hun zoontje Loekie, en ome Iesie zijn vrouw Marietje en hun zoontje Loekie, allen vermoord in Sobibor, Auschwitz of K.D.O. Fürstengrube, en ome Samuel die omgekomen is als krijgsgevangene van Japan in dezelfde periode. Jullie allen leven nog steeds in onze gedachten en zullen voor altijd in onze gedachten blijven voortleven. Bij deze beloof ik jullie te zullen proberen ook Auschwitz en indien mogelijk K.D.O. Fürstengrube te zullen bezoeken om ook daar Kadiesh te kunnen zeggen voor onze dierbaren die door de nazi’s uit het leven zijn weggerukt. Kadiesh
|