
|
juristen zullen ook nog napraten over Rauter's opwerping, dat het uitgesloten was, dat dit Hof hem zou kunnen veroordelen - doch dit alles speelt zich af buiten de sfeer, waarin het Nederlandse volk dit proces heeft gezien; het grootste deel van de rij, die zo geduldig iedere morgen vroeg stond te wachten om toegang te krijgen tot de publieke tribune, was gekomen om deze man, eens de tiran van ons land, te zien in zijn vernedering; een weinig verheffend motief, doch het heeft geen zin het te ontkennen.
Het valt te betwijfelen - en we behoeven daar niet rouwig om te zijn - of de behandeling van deze rechtszaak hun in dit opzicht bevrediging heeft geschonken. Daar was een president van het Hof (jhr. mr. P. G. M. van Meeuwen), die Rauter waarlijk niet agressief heeft behandeld; daar was mr. Zaayer, de procureurfiscaal, die aanmerkelijk minder heftig en sarcastisch was dan bij het Winterhulpgeval Piek; daar was de aan verdachte toegevoegde verdediger, mr. K. van Rijckevorsel, die, precies heeft uitgezocht of en in hoeverre Rauter verantwoordelijk was voor de onmenselijkheden die "men" op zijn rekening schuift. En ten slotte was er Rauter zelf, die weliswaar in zijn verdediging herhaaldelijk terrein verloor, die soms van agitatie stond te stotteren en menigmaal om zijn argumenten een hoongelach door, de zaal deed gaan, maar die, met name op de laatste middag, toch blijk gaf over een nog ongebroken initiatief te beschikken en wiens karakter na deze drie dagen terechtzitting nog altijd slechts beschreven kan worden met hoekige Duitse Buchstaben.
Rauter heeft zich in dit proces, niet, laten vernederen: zijn rechters zijn daar ook stellig niet op uit geweest, doch waren zij dat wel geweest, dan is het nog maar de vraag of, het hun gelukt zou zijn, want, om het eens heel gewoon uit te drukken, deze man heeft een dikke huid. Hij staat, nu het proces al weer lang en breed achter de rug is en wij de uitspraak van het Bijzonder Gerechtshof wachtende zijn, nog altijd voor ons als de Duitser, die nooit wil toegeven; gelijk de soldaten van de geisoleerde stellingen aan de Kanaalkust, die het bestonden door te blijven vechten toen de geallieerde invasielegers de overwinning practisch reeds, lang hadden behaald. Beseft deze SS-Obergruppenfuhrer, General der Waffen-SS und Polizei, dat hij ongelijk heeft gehad en verkeerd heeft gehandeld? Kon men hem maar eens geheel doorgronden, om het zeker te weten! We hebben hem uren zitten fixeren en beluisteren in de verdachtenbank, waar hij telkens weer overeind rees om de zaken even op zijn manier recht te zetten. En de eindindruk is dan toch wel, dat hij zichzelf in die jaren „Einzelhaft" zo vaak heeft voorgespiegeld, dat wat hij nu beweert de waarheid is, dat hij er thans ook zelf in gelooft.
Hij is blijkbaar bij Goebbels in de leer geweest en presteert het; nooit met kleine leugens aan te komen -- die merkt men op --- doch slechts met verdraaiingen van de feiten in het groot, en die overdonderen. Een ding vergeet hierbij deze Duitse officier, die tegelijkertijd toch ook weer verschrikkelijk naïef is: dat hij niet tegen zijn door propaganda verblinde landgenoten praat, maar tegen normale mensen: hij moet toch wel nog altijd iets vreemds, iets voor ons ondoorgrondelijks in zijn scherpe vogelkop hebben, om in volle ernst te blijven beweren, dat hij -- nota bene in zijn functie! -- niet wist wat er gebeurde met de Joden, die hij vervolgde en deporteerde.
Rauter is er in geslaagd, die laatste middag van zijn proces zijn „laatste woord", waar hij stellig dagen en nachten op gebroed heeft, met grote overtuigingskracht voor te dragen. Men moest terugdenken aan de heftige redevoeringen; welke talloze nazi's over bezet Europa hebben geschetterd, maar het is in deze rechtszaal gebleven zoals het ook toen was: iemand kan een schone theorie opbouwen om aan te tonen, dat sneeuw zwart is, en men geeft hem misschien toe, dat de argumentatie aardig in elkaar zit, doch tenslotte kan men er niet onderuit te antwoorden naar de werkelijkheid: ik zie sneeuw wit. De climax is wel bereikt, toen Rauter de rollen trachtte om te keren en zijn rechters een „voorstel" deed: hij zou zijn leven vrijwillig offeren om alles tussen Nederland en Duitsland weer goed te maken. Het woord is gesproken in dezelfde zaal, waar hij in voor hem glorieuzer dagen Feldmeyer installeerde - en met Duitse felheid zijn voldoening uitsprak over de SS-terreur.
Het heeft ons even geduizeld, omdat het altijd pijn doet, wie het dan ook betreft, te zien hoe een misdadiger zich verhardt en weigert zijn kop te buigen. Heeft hij niets van een geestelijke loutering doorgemaakt tijdens die eindeloze uren in zijn eenzame cel? Durft hij dan nog steeds niet de Jodenvervolging, de deportatie van arbeiders, de actie tegen de studenten, de jacht op radio's, de Silbertannemoorden en al het andere leed, dat hij bracht over ons volk, te erkennen als misdaden, waar voor een mens met de dood voor ogen toch wel moet huiveren? Wij zouden ons opgelucht gevoeld hebben, als deze militante kerel had kunnen huilen om zijn schuld. Hij heeft het niet gedaan; hij vertrok geen spier toen de doodstraf tegen hem geëist werd en hij is met dezelfde arrogantie, waarmede hij als officier kon optreden bij een inspectie, weer de rechtszaal uitgegaan, terug naar zijn cel. We kunnen slechts hopen, dat bij die tot het uiterste volgehouden pose toch het hart hem is samengekrompen van diep schrijnende spijt --- niet om hem vernederd te zien, maar omdat ook dit armzalig mensenkind straks verantwoording zal moeten afleggen van zijn daden. Ton Elias © Copyright Sion 2002 - 2013 Bron van dit artikel is het blad 'Katholieke Illustratie" nr. 9 dd. 22 april 1948. |