Tweede Wereldoorlogervaringen


Marinus Soeters


Marinus Soeters op een foto gemaakt in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort


Mijn naam is Marinus en ik ben geboren op 6 maart 1923 in Oosterhout en heb daar mijn hele leven ook gewoond.
Toen de oorlog uitbrak was ik 18 jaar en natuurlijk was ik bang voor wat er allemaal zou gebeuren. Niemand had kunnen voorzien, dat zo ongelooflijk veel ellende veroorzaakt zou worden door de Duitsers, die niets ontziend alles namen wat ze nodig hadden, inclusief mensen en die vooral wat later in de oorlog het masker lieten vallen en zich echt toonden voor wat ze waren.

Na de inval in mei 1940 werden al snel Nederlandse dwangarbeiders ingezet voor allerlei zwaar en gevaarlijk werk in de Duitse oorlogsindustrie.

Tijdens het uitbreken van de oorlog werkte ik in kartonnagefabriek Vandra in Oosterhout. De fabriek kwam stil te liggen en gedurende een periode van zes weken moest iedereen thuis blijven en diende te wachten op een oproep om het werk te hervatten. Toen die oproep kwam was iedereen blij dat ze weer aan het werk konden en was het net als of er niets was gebeurd. Op 8 Oktober 1940 werd ik beëdigd als assistent-jeugdleider van de Katholieke Centrale Jonge Wacht van het Bisdom Breda. In die hoedanigheid werd ik dan ook al snel benaderd door van Geel, een aannemer uit Oosterhout, die lid van de N.S.B. was en die mij vroeg of ik jeugdleider wilde worden bij de Nationaal Socialistische jeugdvereniging. Ik ben op deze verzoeken en de toenemende druk die werd uitgeoefend niet ingegaan en dacht in mijn naïviteit dat het hierbij wel zou blijven. Helaas was dat niet het geval.

Ik ben er stellig van overtuigd, dat mijn weigering om toe te treden tot een nazi vereniging de reden is geweest, waarom ik wat later werd uitverkoren om mezelf te melden voor werk in Duitsland.

Rinus Soeters, achterste rij links in Jonge Wacht uniform


In Augustus 1942 werden uit onze fabriek drie mensen aangewezen, die zich moesten melden bij het arbeidsbureau in Oosterhout. Johan van Gool, ikzelf en een andere jongen, wiens naam ik ben vergeten moesten gekeurd worden in het Bondsgebouw in de St. Janstraat te Oosterhout.
Hondsberoerd en lijkbleek kwam ik daar aan en was in de veronderstelling, dat ik wel afgekeurd zou worden. Ik had er alles aan gedaan om er zo ziek mogelijk uit te zien en dat was aardig gelukt. Ik voelde me echt doodziek.
In de veronderstelling dat ik wel zou worden afgekeurd ging ik naar de keuring, waar mij al snel duidelijk werd, dat ik niet de enige was, die zo te werk was gegaan. Iedereen die was opgeroepen zag eruit alsof ze ter plekke dood neer konden vallen.
Natuurlijk werden we allemaal goedgekeurd en kregen een gratis paspoort om mee naar Duitsland te reizen.

Op 10 september 1942 werd ik gedwongen op de trein gezet om te gaan werken bij de firma Krupp in Essen. Ik werd ondergebracht in het 'Fabrikslager', waar overigens maar weinig Nederlanders zaten, maar wel veel Polen en Russen. De omstandigheden waaronder we moesten werken waren zeer slecht en gevaarlijk. De accomodatie (barak) en het eten waren slecht. De werkdag begon om 07.00 uur en eindigde om 19.00 uur.

Ik werd tewerkgesteld in een fabriek waar onder druk hete stoom door leidingen geperst werd en hier vielen regelmatig doden en gewonden te betreuren, omdat de leidingen nogal eens ontploften, waardoor er hete stoom uit de leidingen ontsnapten en mensen die in de omgeving aan het werk waren gedood of levensgevaarlijk gewond werden.
Op deze manier kwam de enige Nederlander waar ik regelmatig contact mee had, een man uit Groningen (naam ben ik vergeten) om het leven. Hij werd getroffen door hete stoom tijdens een leidingbreuk en de druk van de stoom blies hem meters de lucht in.
Daarnaast was de hitte in de fabriek bijna ondraaglijk. Bijkomend waren ook nog de zware bombardementen die de Geallieerden uitvoerden op het Ruhrgebied om de Duitse oorlogsindustrie zoveel mogelijk te ontwrichten.
Ik kan me het bombardement van 9 en 10 december 1942 nog goed herinneren. Achteraf hoorde ik dat bij dit bombardement meer dan 1200 vliegtuigen betrokken waren.


Kort na dit bombardement heb ik een poging gewaagd te vluchten en ben op een trein vol met soldatenmeisjes gestapt en vanuit Essen richting Den Bosch gereden. Tot mijn verbazing heb ik Den Bosch ook bereikt, maar hier was mijn geluk wel op, want op het station van Den Bosch ben ik door SS' ers van de trein gehaald en overgedragen aan de stationschef, die mij zou overdragen aan de autoriteiten. Deze man kon het waarschijnlijk niet over zijn hart verkrijgen mij over te dragen, maar wilde toch ook niet de kans voorbij laten gaan een extra zakcentje bij te verdienen en na een bijdrage van 32 mark voor de Winterhulp mocht ik verder reizen. In Oosterhout aangekomen moest ik een onderduikadres zien te vinden, hetgeen mij op de zevende dag na mijn ontsnapping is gelukt. Ik kon onderduiken op een boerderijtje aan de Dongeseweg in het plaatsje Rijen vlakbij Oosterhout, waardoor ik ook regelmatig contact kon onderhouden met mijn familie. Deze werden regelmatig opgezocht door de Duitsers om te vragen of zij wisten waar ik was. Uiteindelijk werden zij dat beu en ik hoorde, dat indien ik me niet zou melden, mijn vader in mijn plaats op transport zou gaan om in mijn plaats te gaan werken in Duitsland. Zo werd ik gedwongen om me weer te melden en in mei 1943 werd ik weer op transport gesteld naar Essen.

Wederom na een zwaar bombardement waarbij vele slachtoffers vielen ben ik weer gevlucht, maar werd onderweg opgepakt door twee Duitse soldaten in een vrachtauto. Deze zouden me in Kleef overdragen aan de autoriteiten. Wetende wat me stond te wachten na deze tweede ontsnapping ben ik in het donker van de vrachtauto gesprongen en de grens overgetrokken.
In Oosterhout aangekomen kon ik weer terecht op mijn oude onderduikadres. Hier ben ik waarschijnlijk verraden, want bij een razzia werd ik hier opgepakt en werd naar de SD-gevangenis van Breda afgevoerd, waar ik zes weken in cel 200 gevangen heb gezeten in afwachting van verder transport. Uiteindelijk werd ik, samen met een aantal andere jongemannen, waaronder Rinus Smit afgevoerd naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort.

Mijn ontvluchting werd gedocumenteerd als 'Vertragsbruch'. Alsof er ooit een 'Vertrag' zou zijn geweest.

Ik weet niet precies wanneer ik hier ben aangekomen, maar als ik alles bij elkaar optel moet dat ergens eind augustus zijn geweest. Van deze periode weet ik niet meer zo heel veel, omdat het maar een klein onderdeel van mijn omzwervingen is geweest, maar het is ongetwijfeld een van de moeilijkste en schokkendste ervaringen geweest die ik in die periode heb meegemaakt.

De duur van mijn verblijf in kamp Amersfoort is mij niet meer bekend. Ik dacht dat het ongeveer drie maanden was. Bij aankomst moesten we ons melden voor het kampnummer en kleding. Ik was nogal nerveus en daardoor druk, hetgeen de bewaker niet aanstond. Ik werd door deze bewaker met een lange dunne stok afgeranseld. Dat was mijn eerste ervaring met het kamp Amersfoort.

Ik weet niet meer in welke barak ik heb gezeten en mijn kampnummer ben ik ook vergeten. Er zijn nog wel een aantal mensen die ik me kan herinneren. Zeker de twee mannen die in mijn barak zaten, Ben van den Berg uit Utrecht en een kapper die de gevangenen knipten, Peters uit Nijmegen. Deze Peters is later door de Duitsers opgehaald en doodgeschoten. De datum weet ik niet meer, maar wel, dat het de dag was, nadat hij mij geknipt had. Verder schiet me nog de naam De Jong te binnen, een gevangene, die ook bewaker was.

Het werk was zwaar, de dagen waren lang en het eten slecht en heel weinig. 's Morgens om 06.00 uur appél waarbij we in rijen moesten gaan staan, hetgeen met de nodige klappen en slagen gepaard ging. Als bij het afroepen van de nummers er een nummer niet was of niet op tijd antwoorden kreeg de hele groep een pak slaag. Om 07.00 uur werden we afgemarcheerd naar de Amersfoortse heide om bomen te rooien. Ik was dus werkzaam in een buitencommando genaamd het Holzschillkommando. De commandant van die groep was Willie Lages.

's Avonds ging de hele colonne weer terug en was het haasten om je wat te wassen en als je geluk had om wat te drinken.  Daarna was er een appél waarbij we met vier naast elkaar moesten staan en de zakken leeg moesten halen. De inhoud van onze zakken moest op de grond gelegd worden en we moesten vier stappen terug doen, waarna er iemand langs liep om te zien of er iets bijzonders bij zat. Als er eten of iets anders van belang in je zakken zat was de straf meestal afschuwelijk. Je kreeg stokslagen op je rug en achterste en meestal ook nog twee dagen in de Rozentuin. Daar moest je dan grammafoonplaatje draaien. Een vinger in je oor en een vinger in het zand moest je steeds weer rondjes lopen, een bewaker controleerde of je het wel goed deed. Dit ritueel herhaalde zich dan twee dagen lang en het was enorm moeilijk om vol te houden. Verder was het 's avonds luizen vangen en controle van je voeten. Deze moesten dan buiten het bed gestoken worden en weer liep iemand langs. Als dat niet naar de zin van de bewaker was, volgde weer een pak slaag met een stok, waarbij je dan zelf het aantal slagen moest hardop moest tellen. Ik herinner me nog een medegevangene, die bij plotseling opkomende diarree zichzelf had bevuild. Hij moest spiernaakt rondjes kruipen op de hei.

Bij een ontmoeting met Kotälla waarbij ik vergat te salueren en mijn kampnummer te roepen, werd ik aangevallen door zijn hond en moest voor straf twee dagen in de Rozentuin.
Rondjes lopen om mijn eigen vinger, die in het zand gestoken moest worden. Twee dagen zonder dak boven je hoofd in weer en wind, geen eten, soms een slok water.

Na deze periode van ongeveer drie maanden werd ik samen met ongeveer 30 andere op transport gesteld naar IG Farben in Neuss. Het was erg koud in die tijd. We kwamen in een kamp waar allerlei verschillende nationaliteiten tewerk waren gesteld, maar waar voornamelijk Russen en andere mensen uit het Oosten zaten.
Vluchten was er niet bij want de bewaking, zo'n man of twintig schoten vanuit de trein op alles wat zich langs het spoor bewoog. Bagage had ik niet, want ik had alle kleren aangetrokken die ik had, om te voorkomen dat ze gestolen zouden worden.

Transportbevel van PDA naar Wuppertal.


Bij IG Farben moest ik ruwe mortiergranaten zandstralen, 100 stuks per uur. Dit was gevaarlijk en zwaar werk, waarbij geen beschermende kleding of masker gedragen werd. Doordat mijn gezondheid steeds verder achteruit ging en ik regelmatig flauw viel tijdens mijn werk zorgde de kamparts ervoor, dat ik ander werk kreeg en ik werd belast met het laden van de mortiergranaten.

De omstandigheden waren ook hier heel erg slecht. Ook de bombardementen waren zeer hevig. Bij het bombardement dat plaats vond in de winter van '43-'44 en waarbij fosfor en kettingbommen werden gebruikt werd de hele fabriek platgegooid. Een beeld, dat ik nooit meer zal vergeten, is het beeld van een klein meisje, dat op de schuilkelder zat te spelen bij het luchtalarm voorafgaande aan dit bombardement.

In de paniek, die uitbrak na het luchtalarm, waarbij velen probeerde de schuilkelders aan de rand van het kamp te bereiken, was het niet mogelijk om het meisje te bereiken en haar de schuilkelder in te dragen. De schuilkelder kreeg een voltreffer en veel mensen in de schuilkelder werden dodelijk getroffen. Ik probeerde samen met drie andere mannen in de bomkrater om het rondvliegend puin te ontwijken. Na het bombardement bleek, dat het meisje door niemand de schuilkelder mee was ingenomen en dat zij ook door rondvliegende scherven en puin was getroffen en was overleden. De overgebleven gevangenen werden bij elkaar gedreven en op transport gezet.

Ik ging naar Dormagen, samen met van Veer, een Fries, ook weer bij IG Farben. Dit complex lag langs een belangrijke spoorverbinding en was dus dagelijks doelwit van intensieve bombardementen. Slapen was eigenlijk onmogelijk door het treinlawaai en de vallende bommen. Mijn werk bestond uit het schoonmaken van transporttreinen met een amoniakoplossing, uiteraard zonder enige bescherming.

Mijn gezondheid ging steeds verder achteruit en ik moest op een gegeven moment het werk opgeven. Hier heb ik twee weken in het kamp ziek op bed gelegen, hetgeen een ramp was, want wie niet werkte kreeg ook geen eten. Door de kameraadschap van medegevangenen kreeg ik toch soms een stuk brood en water. Tot ik weer sterk genoeg was om aan het werk te gaan.
 

Inschrijvingskaart in het ziekenfonds. Er werd premie afgedragen, maar van medische zorg was geen sprake. Niet werken was niet eten en betekende in de meeste gevallen de dood.

Op 6 maart 1945 werden we hier bevrijdt door Poolse troepen en moesten we allemaal weg uit Dormagen. Ik heb hier met een aantal andere mannen ongeveer veertien dagen in de omgeving dekking gezocht voor alle gebeurtenissen die plaats vonden. Bij een vriendelijke cafébaas kregen we soms wat te eten. Toen we het veilig achten zijn we aan de tocht naar huis begonnen. Onderweg werden we opgepikt door een Engelse vrachtwagen en moesten we weer naar een kamp, waar we al onze spullen in moesten leveren. Na ongeveer 2 weken mochten we hier ook weg en konden we met trein en bus naar huis.

Thuis aangekomen was er eigenlijk niemand die enige interesse toonden in al deze ervaringen. Je moest eigenlijk niet zeuren, maar gewoon snel werk zoeken om zo de hele familie te helpen met het vergaren van de dagelijkse maaltijd. Dit is het verhaal van mijn verwikkelingen gedurende de oorlog, dat ik na lang aandringen van mijn zoon uiteindelijk kon vertellen.






© Sion Soeters 2002 - 2013








 

 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home