Tweede Wereldoorlogervaringen

a
Leen Hordijk


DE RAZZIA VAN ROTTERDAM 10 – 11 NOVEMBER 1944

Op 10 november 1944 stonden wij normaal op. Lodewijk en ik maakten ons gereed om naar kantoor te gaan. Vader maakte de boterhammen klaar voor ‘s middags. Sinds april 1944 werkte Lo bij M.van Marle Assurantiekantoor aan de Coolsingel en ik was kantoorbediende bij N.V. Electrotechnisch Bureau v/h P. Batenburg, van Oldenbarneveltstraat 152 in Rotterdam. We gingen niet gelijktijdig weg, want ik liep vaak naar kantoor en Lo fietste.

 

Bevel


Echter die morgen kregen wij een papier in de bus met een bevel voor alle mannen tussen 17 en 40 jaar dat ze zich moesten melden voor de arbeidsinzet. De mannen die in aanmerking kwamen moesten binnen blijven en wachten tot de Duitsers aan huis zouden komen. Degenen die bij huiszoeking nog in huis worden aangetroffen, zouden worden gestraft. Vader (50) en Lo (14) kwamen niet in aanmerking, maar ik, 18-jarige, was de pineut. De straten waren afgezet met gewapende soldaten. Op iedere hoek stonden wachtposten, de bruggen en tunnels afgesloten, de wapens van de politie in beslag genomen, de telefoon van de burgers was geblokkeerd. We wachtten maar af tot de Duitsers bij ons zouden komen. Aan onderduiken dachten we niet, waar zouden wij ons in ons kleine huis moeten verschuilen?

Het was een akelige tijd. Na Dolle dinsdag (5 september 1944) en de mislukte landing van de Geallieerden in Arnhem/Oosterbeek (17-26 september 1944) werden de Duitsers nerveus. De haveninstallaties in Rotterdam werden opgeblazen, veel ruiten in de huizen sneuvelden, ook onze grote etalageruit (29 september 1944), op 26 oktober 1944 werden ds H. de Jong en mijnheer van der Schee (directeur Charloise Volkshuis) gearresteerd en op 29 oktober gefusilleerd, de Spoorwegen staakten, represailles van de Duitsers waren aan de orde van de dag. In de weken voor de razzia waren 46 illegale werkers standrechtelijk doodgeschoten. Op 2 november was het Duitse verzet in West Zeeuws-Vlaanderen gebroken. Antwerpen was nu voor de Geallieerden bereikbaar.

 

Wegvoering


Om half vier ’s middags kwamen de Duitsers onze sigarenwinkel in. Wij stonden allen bij elkaar, vader, moeder, Bep, Jeanne en Lo en ik was het slachtoffer en moest buiten gaan staan. Moeder stopte me op het laatste moment nog een slof sigaretten toe, die later goed van pas kwam. En daar stond ik dan met mijn bundeltje kleren. Ik weet alleen, dat ik een witte ijstrui aan had, maar niet of ik een winterjas droeg of een regenjas. Ook niet wat er in mijn bundeltje zat, ik vermoed wat ondergoed en een deken en bestek met een pannetje. Samen  met andere mannen werd ik naar de R.E.T.-autobusgarage aan de Sluisjesdijk gebracht. Hier stonden al enige honderden mannen te wachten. Al gauw zag ik een paar vrienden van school: Gerrit Roukens, Kees Bobeldijk en Piet de Hoog. Van dat ogenblik af zijn we samen gebleven. In de avond moesten wij door de verduisterde stad in de regen, in colonne en onder bewaking naar een onbekend doel lopen. De stoet ging via de Wolphaertsbocht, Brielselaan, Putselaan naar de luchtbrug over het spoorwegemplacement, via de Oranjeboomstraat naar de Koningshaven (Nassaukade).

Daar bleken rijnaken te liggen, die de Duitsers enige dagen te voren in beslag hadden genomen. Via een smalle loopplank liepen we loshandje het dek op, bij een luikopening moesten we via een ladder het ruim in. Het zal ongeveer tien uur in de avond geweest zijn. Alles ging stil in zijn werk, zonder geschreeuw. In het ruim was het stikdonker. Gelukkig was de vloer droog maar zwart van kolengruis na later bleek. We zochten een plaatsje en gingen op onze bagage zitten en wachtten maar af. Hoe laat we vertrokken, weet ik niet. We aten wat van ons brood en probeerden te slapen. Als we onze behoeften wilden doen, mochten we één voor één aan dek komen en konden dan om ons heen zien. We voeren de Lek op naar Vreeswijk en vervolgens door het Merwedekanaal via het Amsterdam-Rijnkanaal naar Amsterdam. In de avond van zaterdag 11 november kwamen we in Amsterdam aan en werden ontscheept in een grote loods van de KNSM. Er lag stro gespreid. Velen trachtten de slaap in te halen. Midden in de nacht werden we gewekt: erwtensoep! Vroeg in de morgen scheepten ze ons weer in en voeren we over het IJsselmeer naar Kampen. Soms hoorden we vliegtuigen over gaan, maar het verzet had aan Londen gevraagd geen aanvallen op deze schepen te doen, bleek achteraf. Laat in de middag van 12 november kwamen we in Kampen aan. De ontscheping ging op vrij ruwe wijze en men riep dat wij terroristen waren: iedereen die uit het luik naar boven kwam kreeg een tik met een stuk hout, het ging niet vlug genoeg. We waren stijf van het lange zitten en moesten met bagage uit de diepe ruimen klauteren. Ons nieuwe verblijf was de van Heutzkazerne. We kwamen op een kamer beneden te liggen. Onze kamer kreeg een gamel hutspot of iets dergelijks. Een soort hopman nam de leiding bij de uitdeling en stelde voor dat eerst de jongsten te eten kregen. Piet en ik waren de jongsten dus hadden we mazzel. We moesten ook vreselijk nodig naar het toilet, maar doordat men niet kon wachten op de doorspoeling, was de toiletpot gauw overvol en ontzettend vies. We overnachtten daar en werden de volgende morgen, maandag 13 november, weer ingescheept en voeren de IJssel naar Katerveer, van waar we verder moesten lopen naar Zwolle. In een lange colonne kwamen we in de middag op het station van Zwolle aan. De trein met personenwagens stond al onder stoom. Veel burgers liepen langs de trein om mensen voedsel of drinken mee te geven.

Per trein, Piet ontsnapt

Wij waren in de trein met onze groepje, toen we Piet ineens met een waterkan van iemand zagen wegrennen. Een paar Duitse soldaten hadden hem in de gaten en zetten de achtervolging in. We zagen Piet de kan weggooien en een steegje in schieten met de Duitsers achter zich aan. Achteraf is gebleken dat ze Piet niet te pakken hebben gekregen. Hij was snel over een hoog hek heen geklommen en had zich in een schuurtje verborgen weten te houden. Ik heb me daarna over Piets bagage ontfermd en wat er over was, later teruggegeven. Wij bleven met ons drieën achter en bezetten een toilet in de trein. De trein was overvol. Als iemand van het toilet gebruik wilde maken, gingen wij eruit. Toen de trein vertrok, keken wij goed uit om te weten of en waar we de grens overgingen. Bij Oldenzaal reden we Duitsland in en toen begon de eindeloze reis naar een doel, dat de Duitsers blijkbaar zelf nog niet wisten. Op spoorwegemplacementen stonden we eindeloos stil. Zo nu en dan reed de trein een stukje verder, maar stond dan weer een tijd stil. We kregen geen eten of drinken. Het regende nogal en konden zo via het bovenraampje regenwater opvangen. We wisten totaal niet waar we heen reden. Ergens op een station, ik meen dat het Essen was, werd de trein beschoten en zochten we dekking in de onderdoorgangen van het station. Na het alarm moesten we de trein weer in. Eindelijk na dagen konden we uitstappen. Midden in de nacht van vermoedelijk woensdag 15 op 16 november kwamen we in Mühlheim a/d Ruhr aan. Langs uitgestorven straten liepen we in het donker in colonne naar het Arbeitsamt in het centrum van de stad. Daar kreeg men te horen dat we in een barakkenkamp aan de Bülowstrasse moesten zijn.

Het bleek een verlaten krijgsgevangenenkamp te zijn met nog prikkeldraad eromheen. We wierpen ons op de houten kribben en sliepen doodmoe in. De volgende morgen, donderdag 16 november, konden we brood en surrogaatkoffie afhalen. ’s Avonds kregen we dunne koolsoep. We bleven in het kamp en verkenden de omgeving. We wilden voorlopig nog niet aan het werk gaan. Maar na een week kregen we geen eten meer als we geen werkgever hadden gevonden. Nu namen we maar een werk aan als puinruimer. (De halve stad lag in puin) .Maar het viel ons bar tegen in de kou en regen. We hebben geen steen aangeraakt en zaten de hele dag in een hokje. We spraken met een paar Russen en ook een Hollander, Piet Hordijk, van bakker W. Hordijk uit de Zuidhoek. Hoe die daar verzeild was, is me nog een raadsel. Van hen leerden we de eerste woordjes Russisch. Nicht verstehen = nej pannimaj. Terug in het kamp klaagden we bij de Lagerführer dat we geen goede werkkleding (kein Zeug) hadden. Gelukkig kwam een paar dagen later de bedrijfsleider (Meister) van de worstfabriek om mensen te werven. Maar op dat ogenblik was ik niet in het kamp; ik bracht juist een brief voor mijn broer Wim naar de brievenbus. Toen ik terugkwam, waren Gerrit en Kees door de Meister al aangenomen. Onmiddellijk ben ik naar het kantoor van de Lagerführer gegaan om te proberen of ik bij mijn vrienden kon blijven. Een jongeman, die daar ook stond voor inschrijving, sprak ik aan en vroeg hem of hij niet met mij ruilen wilde: hij twee pakjes sigaretten Consi en ik voor hem naar de worstfabriek. Hij vond het goed, want hij wilde ook niet bij zijn vrienden vandaan. Zodoende werd ik in zijn plaats ingeschreven voor de worstfabriek.

Worstfabriek

We moesten de volgende dag al naar de fabriek, waar we in een barak bij het fabrieksterrein gelegerd werden. Op dezelfde soort houten kribben als in het kamp sliepen we met twee boven elkaar en nadat we zelf de strozakken gevuld hadden, werden onze gegevens op kantoor vastgelegd en kregen we een pas en een prikkaart. De Meister zette ons allen aan het werk. Eerst werd ik aan de uitbeentafel gezet bij de metsers, maar toen hij zag dat ik linkshandig was, kreeg ik een andere baantje: de einden van plastic darmen samenbinden met touw, zodat die door de worstvullerij gebruikt konden worden. Ik kwam bij een Duitser te zitten, Alois Heisserer geheten, die in de eerste wereldoorlog al aan zijn been gewond was en daardoor mank liep. Bovendien was hij een erge astmapatiënt, maar geen Nazi. Hij leerde mij de handigheid van een stevige, goed aangetrokken knoop te leggen, zodat volle worsten er niet uit zouden vallen. De Meister was een felle Nazi evenals Herr Direktor Mentz. Nog hoor ik de schorre stem van de Meister roepen: “Komm mal her!” De dagelijkse werktijden waren van 6-18 uur, behalve ’s zaterdags tot 13 uur en ’s zondags vrij. ‘s Morgens om half zes kwam de Meister ons wekken: “Mal aufstehen!”. Wij schoten dan onze werkkleding aan, pakten ons eten mee en liepen naar de ingang van de fabriek. De kaart werd afgeprikt, een washand door het gezicht gehaald en gingen naar de werkplek. Kees Bobeldijk kwam met vele andere slagers aan de uitbeentafel te staan. Bij het aanvoeren van voeten van koeien en halve varkens wedijverde hij met de anderen wie de zwaarste last kon dragen. Gerrit Roukens werd in het slachthuis en de spekkelder geplaatst. Gerrit moest ’s morgens de halsslagaders van de gedode beesten openhouden en stond dan met zijn laarzen in bakken bloed. Omdat hij zwerende handen kreeg van het zout in de spekkelder, liep hij met zijn handen hangende voor zijn borst, waardoor hij de Pinquin werd genoemd. Toch hielden ze hem in ere, want hij wist grote stukken spek het terrein af te smokkelen naar de barak. Dat deed hij handig. Hij moest vaak de lege zoutzakken naar de afvalstortplaats brengen. Hij had dan een stuk spek achter zijn voorschoot en een stapel lege zoutzakken voor zich. Eerst bracht hij het spek weg in de barak, daarna ging hij naar de stortplaats.’s Avonds aten we dan spek en gebakken aardappelen, die we uit de loods naast onze barak pikten

De privéwas werd eens in de week ingezameld en op een lijst bijgehouden. Het was mijn taak om bij terugkomst te controleren of alles er was. Meestal kwam het ontbrekende dan met een latere zending mee. Het wasgoed sleet ontzettend in de was, maar dat kon ons niet deren.

Bij luchtgevaar ging de sirene, en moest iedereen zich naar de schuilkelder onder de fabriek begeven. De schuilkelder was gesplitst voor Duitsers en Ausländer. De Duitsers zaten achter een ijzeren deur met grendels. In de eetzaal zaten de Hollanders bij elkaar rond een grote tafel. Al gauw hadden we door, dat je van leverworst snel misselijk werd. Metworst vonden we het lekkerst. In het begin klaagde de Meister dat er veel worsten in het magazijn op de grond vielen, en kreeg Alois een reprimande. De worsten die gevallen waren, kwamen later in de eetzaal op tafel. Met Alois kon ik goed opschieten. Hij schold zachtjes op de Nazi’s, die hij Verbrecher (misdadigers) noemde en had een vreselijke hekel aan de Meister. In de fabriek werkten alleen Duitsers, die afgekeurd waren voor het front. In de zaal naast onze kamer, stonden Russinnen aan de vulmachines. Die meisjes waren gedeporteerd uit Rostov aan de Don. Zij lagen in een aparte barak op het fabrieksterrein, (onze barak stond net buiten het fabrieksterrein) onder toezicht van de vrouw van de Meister. Op de fabriek werkten ook Franse en Belgische krijgsgevangenen, die met Alois goed bevriend waren. Zo nu en dan kwamen die met nieuwsberichten of maakten een praatje

Kerstfeest 1944

In de periode voor Kerst was Generaal von Rundstedt het Ardennenoffensief (16 december – 15 januari) begonnen, waarbij de Amerikanen volledig verrast werden. Herr Direktor gaf op Kerstavond een feestelijke diner ook voor alle buitenlandse arbeiders. Wij kregen dus ook een uitnodiging. Het uitgebreide diner op feestelijk gedekte tafels met glazen wijn werd besloten met rijst met bessensap. De sigaren en sigaretten, die op tafel stonden, werden al bij binnenkomst geconfiskeerd. De avond werd opgevrolijkt met het zingen van bekende liederen als Ketelbinkie en de Olieman. Aan het einde van de avond hield Herr Direktor een gloedvolle rede, hopende op de eindoverwinning van Duitsland, eindigend met “Heil Hitler”. Wij hielden ons doodstil en klapten niet en hadden onze eigen gedachten. Een paar dagen later kwam de vrouw van de Meister onverwachts in onze barak, terwijl wij aan het spekbakken waren. Ze was diep teleurgesteld, dat wij de fabriek bestolen hadden: ”Und Sie haben schon soviel bekommen!”. Maar ze heeft ons niet verklikt.

De winter van 1944/45 was erg koud. Hard vriezen en veel sneeuw. Op Oudejaarsavond hadden wij een sneeuwbalgevecht met de Russinnen, waarbij wij en vele anderen meededen. De vrouwen probeerden ons goed te pakken te nemen en in te kochelen. We kropen over de grond en trokken ze aan de voeten omver. Het was de enige keer dat we zo’n vriendschappelijke ontmoeting hadden. We kwamen ze wel tegen in de fabriek, maar omgang buiten werktijd hadden we niet. ’s Avonds ontvingen wij mannen in de barak en schreven brieven naar thuis.

Op een dag in maart moesten twee Italiaanse ex-militairen en ik ’s avonds met een vrachtauto mee naar het woonhuis van Herr Direktor, dat op de derde etage in het centrum van Mühlheim lag. De Nazi’s trokken weg naar veiliger oorden. We moesten meubelen e.d. naar beneden brengen. Boven gekomen zagen we op een tafel vele aangebroken flessen sterke drank staan. Telkens als we boven kwamen, namen we een slok uit een van de flessen met het gevolg dat we al gauw stomdronken raakten Toen we naar de barak terug moesten, konden we niet meer gewoon rechtuit lopen. Een van de Italianen wilde telkens ergens op een stoepje gaan zitten en niet meer verder lopen. We moesten hem dan overreden om toch mee te komen. Vlak voor we de fabriek bereikten, moest ik enorm overgeven en was ik mijn dronkenschap kwijt. We sliepen in die tijd in de fabrieksschuilkelder. Gelukkig kon ik gewoon de ladder op om op mijn plaats in schuilkelder te komen.

Brieven

In de agenda van moeder vond ik enkele aantekeningen over de ontvangst van mijn brieven. Aan mijn broer Wim had ik geschreven of ik bij hem in Duitsland zou kunnen komen, maar dat raadde hij me af. Op 4 januari 1945 schreef ik mijn eerste brief naar huis. Ik was in de veronderstelling dat de post naar Holland niet zou functioneren, maar dat bleek een vergissing. De brieven deden er wel lang over, maar kwamen wel aan. De brief van 4 januari arriveerde op 10 februari en die van 10 januari op 16 februari. Die van 5 februari op 6 maart, dus ze deden er ongeveer een maand over. Op 17 mei 1945 vond ik een aantekening van moeder, dat met “Andries en Leen alles goed” is. Helaas is geen van de brieven bewaard gebleven.

Vrije tijd

’s Zaterdags haalden we boodschappen uit een buurtwinkel: kuch (Duits brood), havermout, suiker en margarine, ’s zondags gingen we vaak wandelen naar de stad of naar de Hollandse kerk voor schippers. Op een keer waren we getuige van een luchtgevecht tussen Engelse en Duitse jagers. We verdienden een loon als Hilfsarbeiter op de fabriek. Soms bezochten een Gasthof voor een biertje. Met Gerrit en Kees heb ik de film Die Zauberflöte” gezien. Ik was lid van de stadsbibliotheek geworden. Het dikke boek “Der Kampf um Rom” van Stefan Zweig heb ik toen in het Duits gelezen.


Rurhpocket


Einde maart kwamen de Geallieerden al dichterbij. Op een gegeven ogenblik was het Ruhrgebied geheel ingesloten. Op 6 Maart 1945 was de brug bij Remagen genomen en op 26 Maart drongen de Amerikanen bij Worms verder Duitsland binnen. Tenslotte mochten wij de fabriek niet meer in en moesten we in colonne onder bewaking van de Volkssturm naar een kazerne, ergens in een buitenwijk van Mühlheim. Maar het bleek, dat zij ons niet konden huisvesten, dus kwamen we diezelfde dag weer terug in onze barak. We hebben even getracht zelf onderdak te vinden en gingen naar een bunker vlakbij een groot spoorwegemplacement. De bunker was verlaten, alleen lagen er wat matrassen buiten in de regen. Voor één nacht hebben we daarop geslapen. Later moesten we naar een ander smerig barakkenkamp, waar de we onder de luizen kwamen te zitten. Overdag moesten de mannen tankwallen graven . Maar wij, als worstfabriekarbeiders, mochten het eten uitdelen, dat dan bij de worstfabriek gehaald werd en hoefden wij niet te werken. Als Duitse soldaten ’s morgens de mannen dwongen om te werken, sloegen ze onze kamers over.

Onze kamers waren eigenlijk opslagmagazijnen. We moesten improviseren. We sliepen op losse planken of lagen in de broodrekken. De hele nacht kon ik me dan niet omdraaien, omdat ik plat moest blijven liggen. Tot er een dag aanbrak, dat de Duitsers plotseling verdwenen waren.

 

Gezagsvacuum


We kregen niets meer te eten. Dus gingen we zelf eropuit We hebben toen knolrapen uit een veld gehaald en ze zo goed en kwaad als ging, gegeten. Er was even een gezagsvacuüm, een periode van anarchie. In het Russische kamp had men de Lagerführer bewusteloos geslagen. Die lag ergens langs de weg. Duitsers werden gemolesteerd en sieraden en horloges afgenomen. Een fabrieksmagazijn werd opengebroken. Daar lagen balen meel in opgeslagen. Iedereen pakte wat hij grijpen kon. ’s Avonds werd op kolenkachels in de barakken een soort pannenkoek gebakken. Die aten we, gaar of niet en kregen ’s nachts erge buikpijn en diarree van. De volgende morgen zag de hele omgeving wit van de papiertjes op de hopen drek.

 

Bevrijding


Op 12 april 1945 werden we bevrijd door het Engelse leger. We werden zo gauw mogelijk in een school gehuisvest en kregen biscuits, sigaretten en chocola. Lang zijn we daar niet geweest. De Engelsen gebruikten overvloedig de DDT-spuit om ons te ontluizen en op een dag werden we met vrachtauto’s naar Nederland gebracht. Aan de grens konden we het Duitse geld inleveren. Later heb ik nog een uitbetaling daarvoor gekregen. We kwamen in Steijl bij Venlo terecht in een groot klooster. Ook daar weer een korte tijd verbleven.

 

Nederweert


De volgende bestemming was het stadhuis van Nederweert. De burgemeester had de bewoners opgeroepen om tijdelijk iemand in huis te nemen, omdat Nederland boven de grote rivieren nog niet bevrijd was. Hierbij verloor ik Gerrit en Kees uit het oog. Ik kwam bij Lowie Moonen met zijn vrouw Nella en jonge kinderen Martien en Mia op de boerderij annex hoedenwinkel aan de Kerkstraat A53 terecht. Daar ben ik ongeveer zes weken gebleven. Overdag werkte ik met Lowie op het land en hielp hem met bieten en onkruid schoffelen, de stallen uitmesten, naar Weert te gaan met de Limburgse boerenwagen (twee grote wielen) met paard om veevoeder e.d. te halen. Ik maakte ook kennis met een meisje Mien Verdonschot, ging een keer in Ospel met haar dansen. Met Pinksteren plukten we langs de sloten lissen voor de R.K.-kerk.

 

Naar huis


Op 7 of 8 juni 1945 bracht een vrachtschuit ons naar Rotterdam. Via de Zuid-Willemsvaart naar ’s Hertogenbosch, via de Dieze naar de Maas, via de Merwede en de Noord naar Rotterdam. Op 9 juni 1945 schreef moeder in haar agenda: Om 7.45 v.m. Leen thuis. Ps 103:1 Op 29 mei  had mijn broer Wim vanuit Assen bericht naar huis gestuurd en moeder schreef in haar agenda : Ps 116:3. Op 17 juni arriveerde Wim in de Boergoensestraat 13b. Van 23 tot 25 mei was Andries thuis geweest. Het hele gezin was dus heelhuids de oorlog doorgekomen. Dank, dank den HEERE schreef moeder in de agenda.


Opgesteld door Leen Hordijk
Oss, 30 augustus 2010.






© Sion Soeters 2002-2013







 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home