tweede wereldoorlog, holocaust, hitler, bombardement rotterdam, wo2, wo2 documentaires, nederland in de tweede wereldoorlog
verzet in nederland, oorlogsverhalen, foto wo2, proces rauter, persoonlijke verhalen wo2, sion soeters, marinus soeters, wim viejou.
februaristaking, foto's tweede wereldoorlog. arbeidsdienst, razzia rotterdam, razzia lekkerkerk, flip linneman, grebbeberg, kamp vught
bombardementen, wo2 vliegtuigen, seys inquart, arbeidsdienst, mussert, jodenvervolging, holocaust, kamp westerbork, kamp amersfoort,
jan campert, neuengamme, hongerwinter,shmuel koopman,

 

 



Tweede Wereldoorlogervaringen


De Hongerwinter

Na de Spoorwegstaking van september 1944 werd naar het nog bezette deel van Nederland, geen voedsel en geen kolen meer getransporteerd. Doordat gas en elektriciteit niet voorhanden waren, was er geen licht, geen verwarming en geen gelegenheid tot koken. Met een mechanische zaklantaarn, een z.g. knijpkat, kon eventueel worden bijgelicht, maar velen behielpen zich met kaarsen en gingen, om te ontsnappen aan de snijdende kou en knagende honger, vroeg naar bed.

Vroeg naar bed om de knagende honger en bijtende kou te weerstaan.

Als er al een beetje eten in huis was, moest dat gekookt of verwarmd worden. Vaak gebruikte men daarvoor een oud conservenblik met een gat onderin, een wonderkacheltje. Daarin werden houtspaandertjes verbrand. Wegens gebrek aan brandstof werden de geteerde houtblokjes die tussen de tramrails waren aangebracht, weggehaald en werden bomen omgezaagd. In de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt werd hout gesloopt uit huizen waaruit Joden waren weggevoerd.

In het westen van het land leden de mensen veel meer honger dan in de rest van het land, met name in de grote steden was het probleem nijpend. Er waren nog wel een gaarkeukens waar eens per dag, op vertoon van een bonnenkaart, een pannetje waterige stamppot of soep van aardappelschillen kon worden afgehaald.

Veel mensen, met name vrouwen, fietsten of liepen naar het oosten of noorden van het land om daar met het beetje geld dat ze hadden, aan eten te komen, of om bezittingen (textiel, zilveren bestek, gouden ringetjes) te ruilen voor voedsel. Dergelijke tochten werden hongertochten genoemd. Veel boeren gaven onderdak aan mensen die over straat trokken. Die mensen worden hongerstrekkers genoemd. Sommige boeren maakten misbruik van de situatie en probeerden zich te verrijken.

Bielzen van de tramrails worden gesloopt om te dienen als brandstof.

De oorzaak van de Hongerwinter moet worden gezocht in Duitse represailles als gevolg van de Algemene Spoorwegstaking die na 17 september 1944 door de Nederlandse regering in Londen was afgekondigd. De staking viel samen met de grootste geallieerde luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis nabij Arnhem: Operatie Market Garden.

De Duitse bezettingsmacht blokkeerde alle voedseltransporten naar het westen van Nederland. De blokkade duurde zes weken en veroorzaakte in West-Nederland een hongerramp van catastrofale omvang.

In deze periode werd het zuiden van Nederland bevrijd. Omdat de frontlijn door Nederland liep, konden er ook geen kolen meer naar West-Nederland worden vervoerd. Doordat rivieren dichtvroren en omdat vervoer over land niet meer mogelijk was, werd het westen van Nederland van alle mogelijke hulpgoederen afgesneden. In het zicht van de bevrijding stierven door deze blokkade meer dan 20.000 Nederlanders de hongerdood.

 

Uitgemergeld maar levend de Hongerwinter doorgekomen.


Onderstaand het verslag van Dhr. Koopman, die de Hongerwinter en de hongertochten meemaakte en zijn ervaringen voor plaatsing op deze website ter beschikking stelde. 

Toen na wat later zou blijken de laatste winter van de oorlog aanbrak, het was inmiddels 1944, was er vooral in wat tegenwoordig de Randstad wordt genoemd, een enorm gebrek aan voedsel. De oorzaak daarvan was dat de Duitse bezetter nagenoeg alles wat er nog aan voedsel voorhanden was in Nederland opeisten voor hun militairen of naar hun eigen heimat overbrachten. Op straat kwam je die winter veel sterk vermagerde mensen tegen met opgezwollen armen en benen als gevolg van hongeroedeem. Een groot aantal daarvan stíerf in de loop van die winter van de honger. Deze laatste winter van de oorlog zou later de geschiedenis ingaan als ‘de hongerwinter’. Doordat tijdens de hongerwinter zoveel meer mensen overleden dan onder normale omstandigheden en door het feit dat het door de strenge vorst vaak moeilijk was graven te delven, werd een gedeelte van de stoffelijke overschotten in Amsterdam tijdelijk in de Zuiderkerk opgeslagen’.

In oktober ’44 was ik 13 jaar oud geworden en om tijdens de hongerwinter toch aan voedsel te kunnen komen gingen vader en ik, net als veel andere bewoners van de grote steden zoals dat toen werd genoemd, ‘de boer op’. Het was namelijk bekend geworden, dat veel boeren nog voldoende voedselvoorraad hadden en dat sommige van hen bereid waren een deel daarvan te ruilen voor schaarse gebruiksgoederen. Dus namen mensen die de boer opgingen alles wat in huis maar enigszins gemist kon worden met zich mee, in de hoop dit te kunnen ruilen voor voedsel. Zo gingen ook vader en ik nagenoeg elke week Noord Holland in op zoek naar boeren die bereid waren te ruilen’. Net als anderen namen vader en ik ook van alles met ons mee waar de boeren mogelijk belangstelling voor zouden kunnen hebben.

Als vervoermiddel hadden we allebei een oude gammele fiets zonder banden en reden dus op de kale velgen door het winterse Noord Holland maar kwamen na zo’n tocht steeds thuis met een voorraadje voedsel. Dat kon van alles zijn. Soms was het een paar kilo tarwe of door de boeren zelf gemaakte kaas, verschillende soorten kool, peulvruchten of wat we er verder aan eetbaars te bemachtigen was. Op die manier lukte het ons gezin gezond en wel door de hongerwinter heen te komen. Het gevolg was wel dat we aan het einde van de oorlog nauwelijks nog handdoeken en theedoeken in huis hadden en wat nog aan lakens en slopen overbleef, net als de dekens, tot op de draad versleten was.

 Op zoek naar eten met een fiets volgeladen met ruilgoederen.

Toen op een gegeven moment nagenoeg al ons linnengoed in de linnenkasten van de boeren was verdwenen moest vader op zoek naar andere ruilobjecten om aan eten te kunnen komen. Zo kon het gebeuren dat vader op een dag met een enorme hoeveelheid gemerkte lakens naar huis kwam. Deze bleken ontvreemd te zijn uit het gebouw van de voormalige Joodse Invalide aan het Weesperplein. In dit oorspronkelijk Joodse ziekenhuis werden, nadat de Joden gedeporteerd waren, moffenhoeren die met een of andere geslachtsziekte besmet waren verpleegd. Ik weet zeker dat vader de lakens niet zelf gestolen had maar ´heler’ was hij wel degelijk. Omdat vader in die tijd geen bron van inkomsten had, werd een deel van de lakens doorverkocht, om toch over wat geld te kunnen beschikken. Uit de overgebleven lakens verwijderde vader het ziekenhuismerk en konden we de lakens als ruilobject meenemen, als we de boer opgingen.

Een ander ruilobject, dat vader van iemand kocht, waren pakjes waspoeder. Het probleem echter was, dat later zou blijken dat de samenstelling van het spul de naam waspoeder helemaal niet mocht dragen. Hetgeen vader als waspoeder had gekocht bleek achteraf niets anders dan een mix van iets dat op schuurmiddel leek, gemengd met wit spul dat soda of zout moet zijn geweest. En dát zouden we, nadat we de eerste pakjes waspoeder voor eten geruild hadden, aan de weet komen…!

In het dorp Abbekerk liepen we een week na levering’ van het spul in alle onschuld het erf op van een boer waar we in ruil voor wat kaas en melk de boerin blij hadden gemaakt met een paar pakjes van ons wasmiddel. We hoopten daar nogmaals aan kaas en melk te kunnen komen in ruil voor waspoeder dat we bij ons hadden. Toen de boer ons echter zag aankomen hoorden we hem terwijl hij met een riek in z’n hand ons tegemoet liep roepen: "…vrouw kom gauw naar voren want die vent van die waspoeder is teruggekomen…!" Ikzelf had geen flauw idee wat er aan de hand was maar vader bleef versteend van schrik staan toen hij de boer met de riek in z’n hand dreigend op ons af zag komen terwijl de boerin woedend schreeuwde: "…vuile gemene oplichter…! Je hebt me belazerd met je zogenaamde waspoeder…, er vielen gáten in de kleren in plaats dat ze schoon werden…, schaam je, schaam je en maak dat je weg komt…! " En geschrokken als we waren zorgden vader en ik dat we zo snel mogelijk niet alleen van het erf maar ook uit het dorp wegkwamen. We voelden ons hevig gegeneerd, want wie zou er in dit dorp nog bereid zijn eten te ruilen met een oplichter…

Enige tijd later zijn we in hetzelfde dorp er toch in geslaagd weer het een en ander voor voedsel te ruilen. Ik weet niet meer waarvoor maar dat het ruilobject toen geen waspoeder’ was is absoluut zeker…

Later, kort voor het einde van de oorlog, zou het voor vader te gevaarlijk worden zich nog op straat te begeven omdat toen alle nog jonge mannen zonder pardon door de bezetter van straat werden opgepikt voor tewerkstelling in Duitsland. Daardoor ben ik in diezelfde periode nog een paar keer met m’n 15 maanden oudere zus de boer op gegaan, en ook toen kwamen we niet met lege handen thuis.






© Sion Soeters 2002 - 2013





 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home