Tweede Wereldoorlogervaringen


Gevangene 4491 - J.P. van der Bel


 

 J.P. van der Bel

Eingesperrt…

Und zum letzte sag' ich dir, dasz du eingesperrt bist...... En triomfantelijk. zich bewust van de waarde zijner woorden en met een veelzeggend gebaar naar zijn pistool, keek de Duitsche luitenant van de Sicherheits Dienst mij aan, aan het einde van zijn betoog, waarvan ik alleen deze laatste woorden onthouden heb. Van het politie-bureau, waar ik “even bij den majoor moest komen", werd ik eerst naar 't kamp Ommen gebracht en den vol­genden dag gingen we met z'n achttienen, onder bewaking van SS beulen per trein van Ommen naar 't concentratiekamp Amersfoort. Wat zou de toekomst ons brengen?

 De barakken in kamp Erica in Ommen

Hoe lang zouden we in Amersfoort moeten zitten, voordat we weer. ergens anders heen gebracht zouden worden? En hoe zou de behandeling zijn? Het waren allemaal vragen, die we ons stelden en waarvan niemand, onzer een antwoord wist. De tijd zou 't ons vermoedelijk wel leeren. En inderdaad, de tijd leerde het ons. Amersfoort, het concentratiekamp in Nederland, dat bekend stond als het slechtste. Amersfoort, het concentratiekamp, dat meer berucht was, dan beroemd. Amersfoort, van waar bijna iedereen naar Duitschland ging en vaak als SS-frontarbeider zelfs naar Riga.

Kunt U begrijpen lezer, hoe 't ons te moede was, toen wij ons entree maakten in dat oord van verschrikking? Maar 't gaat hier niet om ons geval. Hier gaat het om de behandeling en het kamp­leven in het algemeen. En dus over de bijzonderheden.

 
Aankomst in het Concentratiekamp.

 Op weg naar Kamp Amersfoort


Na plm. een half uur geloopen te hebben van 't station naar het kamp, kwamen we via een grooten verkeersweg aan een hek van prikkeldraad, waarin een doorgang was, waar zich een slagboom bevond met een wachthuisje, waarin 8 SS-soldaten de wacht hiel­den. Nadat onze begeleiders hun papieren hadden getoond en zij een kwinkslag met hun confraters hadden gewisseld, waarin wij schandelijk bespot werden, konden we binnen de omrastering verder trekken. 't Viel op, dat er overal borden stonden, waarop was te lezen, dat er onmiddellijk zou worden geschoten, als men ‘zonder' geleide liep en aan een aanroep geen gehoor gaf. Of onze vrijheidsberoovers ook bang waren, dat we er tusschenuit gingen! We liepen door een lange laan en na ongeveer 7 minuten kwa­men we opnieuw bij een prikkeldraad omrastering. Weer dezelfde formaliteiten met de wacht, waarbij we zeer critisch werden opge­nomen en de tweede omheining was gepasseerd. Nu waren er geen obstakels meer die ons tegenhielden en wij marcheerden nu netjes in marschorde, regelrecht naar het kantoortje van onze beulen, wat later afdeeling 3 zou blijken te zijn.

Dit kantoortje stond vlak bij een dubbele prikkeldraad-omrastering van plm. 4 meter hoog, waar­tusschen rollen van genoemd draad, van plm. 75 cm hoog. Over­klimmen was hier dus onmogelijk. We keken verder en zagen achter de genoemde afrastering,vele honderden mannen, welke gevangenen bleken te zijn. We stonden dus voor afdeeling 3 en een van onze begeleiders ging naar binnen. Even later kwam hij naar buiten met een persoon in Duitsch uniform, die later een Pool bleek te zijn: Kothálla! -- De man, Katella, zooals wij hem noemden, wiens naam later zoo vaak met angst en vreeze werd uitgesproken. Een klein mannetje, met een paar gouden tanden in z'n mond en een gummistok in rechterhand, waarmee hij bij iedere kans die hij kreeg rake klappen uit­deelde. Hij schreeuwde ons iets toe in een raar Duitsch taaltje en de man die vooraan stond, had zonder vorm van proces al een houw met de gummistok te pakken, omdat hij hem niet direct begreep. "Du Schweinhund", voegde hij er aan toe en ging weer naar binnen.

Nu kwam een gevangene naar buiten, die blijkbaar op het kantoor als klerk dienst deed,'en deelde ons mede, dat we elk een nummer kregen, dat we goéd' moesten bewaren. Voorts moesten we onze ringen, portemonnaïes, horloges, kortom alles wat van waarde was, gereedhouden om binnen af te geven. Een voor een moesten we naar binnen en werden we ingeschreven door enkele burger kantoorbedienden, die in betrekking waren bij de S.D.; na­tuurlijk landverraders!Nu werden we gezamenlijk in den rozentuin gebracht. De rozen­tuin is een afgescheiden stuk van de ruimte van het terrein, waár we zooeven'de vele gevangenen zagen; ongeveér 50 meter lang en 3 meter breed, parallel loopend met, en geplaatst tegen de omraste­ring. Die afgescheiden strook, dus "de rozentuin" genaamd,' werd gebruikt om gevangenen te straffen en te laten boeten voor over­tredingen, die zij tijdens hun verblijf in het kamp begingen en waar­voor zware straffen werden uitgedeeld door de onderdrukkende bloedhonden.

Als er nieuwe gevangenen kwamen, werden zij een paar uren in den rozentuin gezet, opdat ieder zou kunnen zien, dat er weer nieuwe slachtoffers der overheersching gevallen waren. Zoo kwamen we ongeveer 12 uur in den rozentuin en moesten wachten. Om 2 uur begon er een druilerige motregen te vallen en hiervan werden we doornat. Daarbij begonnen we honger te krijgen, want we hadden 's morgens om 6 uur in Ommen slechts een homp droog brood gehad. Maar vooreerst scheen men ons vergeten te heb­ben en over eten werd dus heelemaal niet geprakkizeerd. Gevan­genen liepen als razende roofdieren bij de rozentuin om te prabeeren iets los te kloppen van de nieuwelingen, die allicht nog wel een sigaret konden missen of een "peukie" over hielden. Of eens een boterham, die er een toevallig te missen had. En werd dan zoo 'n "peukie" door het prikkeldraad gegooid. dan vochten 10 à 12 man hierom. Dit was echter zeer gevaarlijk voor beide partijen. En dat bleek alras, toen een Hollandsche SS-er dit gezien had en zoowel gever als "gelukkige" ontvanger 10 stokslagen toedeelde van zeer goede kwaliteit. Om half vier kwam Katella plotseling opduiken, en met een breede armbeweging beduidde hij ons, dat we de rozentuin konden verlaten. Enkelen, die niet hard genoeg liepen naar zijn zin, kregen van hem een flinke trap en toen werden we overgegeven aan de la­geroudste.

 

Karel L. Diepgrond
Commandant van Arbeitseinsatzlager Erica. Diepgrond werd tot 20 jaar veroordeeld op 13
mei 1949. Werd ver-vroegd vrijgelaten in 1957 na 8 jaar te hebben uitgezeten.

Herbertus Bikker
Beul uit Kamp Ommen, die uit gevangen-schap ontsnapte en naar Duitsland vluchtte en een nieuw leven begon. Nederland ver-zocht uitlevering. Het verzoek werd door de Duitse rechtbank afge-wezen vanwege zijn slechte gezondheid.

Joseph Kotälla
1938 mentaal ziek ver-klaard. Alleenheerser die gevangenenmishandelde. Uithongeren,mishandelen en ombrengen van Joden waren aan de orde van de dag. De Rozentuin zijn uitvinding, was een strafplaats waarvan de grond uit zacht zand bestond. Omgeven door prikkeldraad aan elkaar verbonden. Gevangenen  dienden 24 tot 48 uur zonder voedsel of drank stil te staan.

Karl Peter Berg
Commandant Kamp Amersfoort. In 1948 werd hij wegens mis-daden tegen de mens ter dood veroordeeld. Een gratieverzoek werd afgewezen. In 1949 werd hij ge-ëxecuteerd. Hij was  het zelf die, staand voor het vuurpeloton, onverwacht het com-mando "vuur" riep. Schoten die  vielen waren dodelijk.

De lageroudste was eveneens een gevangene, die met de leiding belast was van het kamp, zoover het aangelegenheden betrof, die de gevangenen aangingen. Hij droeg in het kamp den naam „Lange Jan" en was in z'n hart geen kwade jongen, al kon hij soms knap ruw zijn. Hij bracht ons naar een barak, die "beklee­dingskamer" heette. Daar werden we tot ons hemd toe uitgekleed en in de kampkleeren gestoken. Onze eigen kleeren gingen in een grooten papieren zak en werden aldus geborgen. Onze kampklee­ding bestond uit: een paar klompen of schoenen, al naar gelang onze onderdrukkers goed achtten, liefst een of twee maten te klein. vervolgens een paar voetlappen, die bij wijze van sokken om onze voeten gewonden moesten worden. Dan een dunne onderbroek, idem hemd, een bovenbroek en een jasje. meestal tuniek van het Nederlandse leger, politie of posterijen. Een veldmuts completeerde het geheel. Toen we aangekleed waren, keken we elkaar eens aan en lachten een beetje als een boer, die kiespijn had.

Maar... lachen was, in het bijzijn van moffen, niet geoorloofd. Een Duitscher maakte ons dat duidelijk, door enkelen van ons eenige stompen in het gelaat toe te dienen. Toen was ons lachen, al was dit ook niet van harte geweest, gauw over. Ook kregen we een lepel. pannetje, handdoek en klein stukje zeep. Vervolgens gingen we naar de kleermakerij. Daar werden jasje en broek weer uitgetrokken. Een flinke lap, met een nummer erop. 4491 voor mij, een nummer dat ik mijn leven lang niet vergeten zal, werd op jas en broek gezet. Daarna bracht Lange Jan ons naar den kapper. Ook dit was een gevangene. Ons haar ging er met een ton­deuse radicaal af en toen we ons zoo over ons gemilimeterde hoofd streken, begrepen we, dat we klaar waren. Klaar om het kampleven, met al zijn verschrikkingen en ontberingen te beginnen. En wanneer zouden we verlost worden uit die hel? We wisten het niet. De laatste tocht, die Lange Jan met ons aflegde, was naar de barakken. waar we zouden huizen.

Onderweg vertelde hij ons, dat we de moed niet moesten laten zakken en dat we onze hoofden niet moesten ver­liezen en vooral onszelve blijven. We konden veel doen om onze beulen te ontloopen. Maar we moesten met open oog en en ooren, en vaak met gesloten mond, de worsteling volhouden, die ons vanaf heden werd opgedrongen. Ongetwijfeld droeg dit woord van moed veel bij tot de houding. die we vanaf dit oogenblik bepaalden en daar in het kamp aan­namen. Onze barak, block 9, zooals die in 't kamp heette, was weldra bereikt en ons werd een krib aangewezen door de blockoudste. eveneens een gevangene, die de leiding had over een barak. We gingen onder in de 3500 man, die in 't kamp gevangen zaten. Het was 6 uur 's avonds toen we geinstalleerd waren. Het kampleven had in vollen omvang een aanvang genomen. Wie er gevangen zaten. Het is te begrijpen, dat er in zoo'n kamp, waar duizenden man­nen zaten, veel verschillende typen en persoonlijkheden aanwezig waren.

Willy Engbrocks en Lange Jan: Willy Engbrocks werkzaam en woonachtig Tegelen. Geboren op 2-9-1905 te Lobberich, Duitsland. Aan de oproep om in Duitse dienst te treden gaf hij gehoor. Een geestelijke, overste Vogels bood Engbrocks een onderduikplaats aan, maar adviseerde hem om zich te melden en "een goed mens te zijn voor die gevangenen". Na de keuring diende hij zich te melden in het kamp in Oud Leusden. Gevangenen beschreven Engbrocks (Willie Ambroos) als 'aardig', 'vriendelijk', 'correct' en 'een goeie Duitser'. Niet alle gevangenen zijn het hiermee eens. Karl Peter Berg, een SD-ambtenaar wantrouwde Engbrocks. Berg noemde hem een geheim agent van het Rode Kruis. Berg, de nieuwe commandant, plaatste hem over naar de bataljonstaf van de Wachkompanie. Engbrocks is op 78 jarige leeftijd overleden. 


Door elkaar en zonder onderscheid waren we allen precies hetzelfde in het kamp als gevangenen. Burgemeesters, doctoren, advocaten en vele andere van dergelijke menschen, waren broederlijk vereend met goede arbeiders. en zeer veel menschen van den laagsten rang der maatschappij. ’t Was geen zeldzaamheid, als een burgemeester of dokter een: Scharenslijper of zoo iemand tot “slapie" had. Hoewel ze uit den aard der zaak deze arbeiders zeer zeker respecteerden, begrijpt U toch wel, geachte lezer, dat ook hier verschil van rang en stand was. In 't kamp werd het echter als een vanzelfsprekendheid beschouwd. Dat was een prachtige houding van deze heeren. De feiten waarvoor men zat, waren van zeer verschillende aard. De meesten waren onderduikers en personen, die contractbreuk hadden gepleegd, door niet naar moffrika terug te keeren, toen hun verloftijd om was. Waarin zij groot gelijk hadden! Voorts zaten er, die hun radio niet inleverden, zij die ondergrondsch werk ver­richtten, zij die dienst hadden geweigerd bij officieele instanties, enz.

De meesten gingen na enkele maanden naar Duitschland, een enkele was zoo gelukkig, dat hij naar huis gestuurd werd en de rest bleef of ging naar Vught. Al met al een bonte mengeling van personen, die allen getoond hadden goede vaderlanders te zijn, door op de een of andere wijze de bezettende onderdrukkers te trotseeren en hun dwingelandij te saboteeren.

Hoe men ons mishandelde.

Nu U weet, hoe 't in het kamp was gesteld met de dagindeeling en de personen die gevangen zaten, wil ik U nu gaan vertellen van de misdaden, die onze beulen zonder eenige gemoedsbeweging ons aandeden. Behalve lijfstraffen, die ons dan persoonlijk troffen, had­den zij ook methodes om het heele kamp tegelijk te straffen. Ik sprak reeds over het uren, ja zelfs dagen lang staan, wat ons opgedrongen werd voor zeer luttele dingen. Soms regende het hard en waaide er een koude wind. Ook kon het er vriezen of sneeuwen. 't Was dus kou en honger lijden, want als 't staan was, was 't nog lang geen eten. Ook moesten we vaak met de handen in de hoogte staan. Soms een halven dag achtereen en nog wel eens langer. Dan waren we een week lang geradbraakt van de kramp in onze schouders. Of ze lieten ons een paar uren voorover staan, zoodat we soms van duizeligheid ondersteboven vielen. Een flinke trap, waar ze ons maar konden raken, maakte ons er op attent dat we weer vlug moesten opstaan. Weer of geen weer, gemarcheerd en gewerkt moest er worden in de dunne kampkleeren. Wie 't lef had z'n handdoek als das te gebruiken was zeer slecht af, indien dit ontdekt werd, want vele pijnlijke afstraffingen haden de beulen op hun programma.

Zoo ge­beurde het, dat in een commando waar ik persoonlijk met ruim 50 arbeiders werkte,plotseling werd gezegd: alle jassen los. Negen­tien met handdoeken om den nek werden gesnapt en die moesten eerst zg. gramofoonplaatje draaien. Eén vinger in het oor, en de andere op den grond. Dan snel ronddraaien en bij iedere wending kreeg je een trap onder je achterwerk of een klap met een knuppel. De beulen zijn daar zoo'n beetje den geheelen ochtend mee bezig ge­weest. De slachtoffers werden geradbraakt! Behalve het gramofoonplaatje draaien, hadden ze ook nog vele andere methodes om je persoonlijk te treffen. De straffen in de bunkers waren zeer zwaar. Nu zult U zich afvragen: wat zijn bun­kers? Bunkers zijn meestal onderaardsche vertrekken, waarin men nog zitten, noch staan kon, aangezien ze niet méér dan 1 meter hoog waren, en de bodem bedekt was met plm. 25 cm water, waarin allerlei ongedierte leefde. Soms moesten we daarin zonder eten en drinken 5 à 7 dagen doorbrengen!

 

 

Berend Westerveld:
geb. 23 augustus 1905 te Zutphen, rijwiel-hersteller/stallinghouder te Zutphen. Werk-zaam als telefonist voor de SD, kwam juni 1943 in Kamp Amersfoort terecht. Wester-veld heeft o.m. dienst gedaan als Block-führer. Hij stond bekend als man van het 'pompen' en 'robben'. Westerveld maakte zich schuldig aan mishandeling. Na de oorlog bekende hij wat hem ten laste werd gelegd. Hij werd in 1948 ter dood veroordeeld.

 

Franciscus H. M. van de Laar:
(juli 1913, te Weert) werd Lagerältester vanaf februari 1944. Hij was de opvolger van Lange Jan. De meningen over het optreden van Frans van de Laar als Lagerältester lopen zeer uiteen. Op Dolle dinsdag (5 sep 1944) werd hij in vrijheid gesteld.


Stokslagen waren zeer populair. Vijf en twintig stokslagen waren een vrij normaal aantal. Men moest dan voorover gaan staan en luide meetellen: als dat niet hard genoeg gebeurde, dan kregen we een klap extra. Ook geeselen was een geliefde sport voor de beulen, die hiervoor speciaal hondenzwepen gebruikten of bij ontstentenis  daarvan hun koppelriemen, liefst met de gesp aan den eindkant gebruikten. Indien men ergens van verdacht werd, was 't verhoor vreese­lijk. Als men niet bekende. hetgeen, waarvan men verdacht werd - en dat gebeurde vrijwel geregeld, omdat men zonder vorm van proces zoomaar iemand oppikte, schuldig of onschuldig, werd men op allerlei wijzen gefolterd. Een gummiknuppel was een heel ge­woon wapen, waar we allang geen angst meer voor hadden. Ze hielden je vingers even tusschen de deur of bogen ze achterover tot brekens toe. Als men terug kwam met eenige afgetrokken nagels baarde dat geen verwondering. Persoonlijk is mij dat gelukkig nooit overkomen, maar jongemannen, die ik van zeer nabij heb leeren kennen, moesten meermalen deze martelingen ondergaan voor din­gen, waar zij part noch deel aan hadden.'t Was voor ons verplicht, dat we ons mutsje afnamen voor een mof of een landverrader. Als dat niet gebeurde, dan kregen we een ongenadig pak ransel. Ook gebeurde het vaak, dat een SS-beul slecht gehumeurd was, en dan deelde hij zoo voor de lol slagen uit en mepte er dan zoo in het wilde op los. Een SS-man vroeg op een keer aan verschillende gevangenen uit welke provincie zij kwamen. Kwam er iemand uit de provincie Groningen, dan moesten zij apart gaan staan. Had hij dan zoo'n 20 à 25 man bij elkaar, dan deelde hij hen mede, dat hij eens een pak ransel gehad had van een Groninger en daar moesten zij voor boe­ten. Want dat moest gewroken worden. Netjes op een rij, deelde hij hun eerst een pak ransel uit met een stok en dan moesten zij enkele uren nietanders doen dan vallen en opstaan of over eenbreede prikkeldraadrol heen springen, waarin ze dan vaak terecht kwamen, en zich dan tot bloedens toe heel leelijk verwondden. Zoo waren er vele dingen, die we ons als gevangenen moesten laten welgevallen. Vaak gebeurde het, dat Katella met zijn gummi­stok iemand zoo'n ongenadige klap op het achterhoofd gaf, dat het slachtoffer als een blok neerviel. Dan kreeg hij nog enkele trappen toe en dit alles gebeurde zonder de minste aanleiding. De haat en verbittering waren groot. Dat de gevangenen echter zoo weinig terugdeden en zich boven alles verheven voelden, was zeer prijzenswaardig. Er waren zelfs mannen, die de hevigste marte­lingen konden verdragen en geen kik gaven. Met een dergelijke houding brachten ze dan de beulen vaak tot razernij. Maar meestal hoorden we de slachtoffers kermen van pijn en gillen om hulp. Om dat te laten hooren lieten ze ons vaak aantreden voor de barak waar dergelijke afstraffingen plaats vonden. Niet alleen beulen, maar ook laffe moordenaars waren de Hitlerhorden. We mochten het hek niet naderen, dan op enkele meters afstand. anders werd men ervan verdacht te willen ontsnappen. De SS-ers gooiden expres resten van sigaretten weg, vlak tegen de omheining aan. We wisten, dat een poging om 't stuk siga­ret te bemachtigen gelijk stond met een zekeren dood, want ze scho­ten raak, de duivels.

Een man uit Amsterdam, die nog geen uur in 't kamp was, werd hiervan het slachtoffer. Hij wist schijnbaar niet, dat hij niet zoo dicht bij het hek mocht komen en werd onverbidde­lijk neergeknald. Ook hadden ze voor gewoonte ons  het veldmutsje van het hoofd te rukken, als we ons wat dicht bij het hek bevonden. Ze gooiden dit dan tegen het prikkeldraad en gaven den eigenaar bevel om er tegenop te klimmen en 't mutsje te halen. Hadden zij het dan te pakken, dan volgde er onmiddellijk een schot. Ze werden vermoord in koelen bloede. Ze trachtten immers te ontsnappen; ze zaten al op het hek! Meestal deden ze zulks met nieuwelingen. vaak personen, die nog geen dag in 't kamp waren. Een bijzonder droevig gevalwas het volgende: Een man had ruim 9 maanden in 't kamp gezeten en zou den volgenden dag naar huis gaan. Aan iedereen vertelde hij dat, Lange Jan het hem zelf verteld had. Morgen ging hij naar zijn vrouw en vier kinderen. waarvan de oudste 8 jaar was en steeds naar pappa vroeg. Helaas de arme kerel heeft zijn vrouw en kinderen nooit weer gezien. Op den avond voor zijn vertrek moest ook hij zijn muts gaan halen op het hek. Maar hij was een oudgediende en wist wat hieraan ver­bonden, was. Op z'n knieën zittende met de handen in de hoogte, smeekte hij om genade. Morgen ging hij immers naar huis! De SS-­beul zeide, dat hij dan juist op tijd was, tot vermaak van enkele andere bloedhonden; die met zichtbaar genoegen het resultaat af­wachtten. Een schot en weer was een eerzaam Nederlander ver­moord! Lange Jan had den moed tijdens het appèl om één minuut stilte te verzoeken voor den gevallen mede-gevangene. Vijf en twintig stokslagen van den moordenaar was zijn belooning voor zijn betoonde medeleven......We kunnen zoo doorgaan zonder einde. Maar U weet nu wel genoeg. En daar is het mij maar om be­gonnen.

En tenslotte . . . . :


Een woord van dankbaarheid gericht tot het Roode Kruis. Wat deze organisatie gedaan heeft, om ons het leven dragelijk te maken in die hel, is boven alle lof verheven!
Iedere week kregen we een pakket, waarin zich meestal brood bevond. Als bijvoeding was dat zeer welkom, want we kregen van 't kamp lang niet genoeg. We leefden er heelemaal op dat we achter in de week zoo'n pakket kregen. Een golf van vreugde ging door het kamp, als de Roode Kruis-auto arriveerde. Ik herinner me een Zaterdagmiddag, waarop we een pakket met, een pannekoek erin extra kregen. Toen was het dubbel feest! Met dankbaarheid denk ik  hieraan steeds terug. Het was vrijwel de eenige zonnestraal in ons duister kampleven!


 

Meegemaakt en verteld door:
J. P. v. d. BEL, Marktweg 301, Den Haag.







© Sion Soeters 2002-2013








 Contact

 Credits

Gastenboek

 Disclaimer

 Home